Bekijk het origineel

De Theologische faculteit aan de Staatsuniversiteiten.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Theologische faculteit aan de Staatsuniversiteiten.

10 minuten leestijd

Het betoog, dat Prof. Bruining in zijn rectorale oratie leverde voor het onveranderd voortbestaan van de Theologische .faculteit aan de Staatuniversiteiten, valt in twee deelen uiteen, Het eerste en uitvoerigste deel dient om aan te toonen, dat het verwijt van kerkelijk-rechtzinnige zijde telkens weer vernomen, dat het universitair theologisch onderwijs in 1876 door de opheffing van den leerstoel in de Dogmatiek verminkt, ja zelfs onthoofd zou zijn geworden, niet juist is. Het tweede deel voert dan argumenten aan, waarom het wenschelijk is, dat de Theplpgische faculteit, zooals ze thans saamgesteld is, onveranderd wordt behouden en aan de Staatsuniversiteiten ook voortaan een plaats zal innemen

Het eerste deel van het betoog, dat voor ons het meest van belang is, stelt te leur, wanneer men hier een wetenschappelijk bewijs zou verwachten, waarom de Dogmatiek buiten den kring der Universitaire wetenschap moet gesloten worden, want van zulk een principieele uiteenzetting van het vraagstuk is geen sprake. Prof. Bruining zoekt zijn kracht in een historisch overzicht, hoe de Theologische faculteit in 1876 aldus geworden is. Oorspronkelijk waren de Theologische faculteiten, zoo stemt hij toe, opgericht met ge^n ander doel, dan om kundige predikanten te kweeken voor de Gereformeerde Kerk, die toen feitelijk Staatskerk was. Nadat echter door de Grondwet van 1848 het beginsel van de Scheiding tusschen Kerk en Staat was doorgevoerd, was de positie dezer Theologische faculteiten onhoudbaar geworden. De meest radicale elementen, zooals Opzoomer, wilden dü Theologische faculteit dan ook eenvoudig schrappen en het theologisch onderwijs aan de Kerken overlaten. Anderen stelden weer voor, de Theologische faculteit wel te behouden in haar destijds bestaanden vorm, maar als , «bijkomende faculteit*, die niet in de volgreeks der andere faculteiten zou worden vermeld, en. voorts aan andere kerkgenootschappen gelegenheid te geven-om aan een of meer hoogescholen bijzondere faculteiten op te richten voor de opleiding van hunne dienaren. Geen dezer oplossingen bevredigde echter. Tegen het voorstel om de Theologische faculteit van de Staatsuniversiteiten te verwijderen en aan de Kerken - de opleiding barer predikanten over te laten verzette men zich, zooals Prof. Bruining meent, niet uit bijzondere belangstelling voor de Hervormde Kerk, maar om de destijds nog algemeen geldende wetenschappelijke overtuiging, dat een hoogeschool zonder een Theologische faculteit het karakter zou verliezen van een universiteit, d. w. z, van een universitas scientiarum, een school, die heel de wetenschap omvat. Terwijl ook het tweede plan, om de Theologische faculteit als aanhangsel te behouden ten dienste van de Hervormde Kerk, en de andere kerkgenootschappen het recht te geven daarnaast private faculteiten op te richten, te halfslachtig was om bevrediging te schenken. Gelukkig deed echter de groote omwenteling, die juist toen op wetenschap pelijk gebied in de opvatting van de Theologische studie plaats vond, een andere en veel betere oplossing aan de hand.

De kerkelijke theologie, die dusver als wetenschappelijke theologie had gegolden, werd nu van dezen eeretitel beroofd. Men was tot het inzicht gekomen, dat deze kerkelijke theologie, die de dogma's beschouwde als vrucht van bovennatuurlijke openbaring, wetenschappelijk niet langer was vol te houden. In plaats daarvan trad nu een nieuwe wetenschap, de zoogenaamde gods •dlenstwetenschap, die de godsdienstige voorstellingen beschouwde als product van eigenaardige factoren in het menschelijk geestesleven, dat als zoodanig aangewezen object is van historisch-psychologisch onderzoek. Deze nieuwe wetenschap, die niet meer van een bovennatuurlijke openbaring uitging, ook niet langer aan den leiband liep van kerkelijke dogma's, kwam nu om opname verzoeken in den kring der erkende wetenschappen en eischte de plaats op, die de «kerkelijke theologie* dusver had ingenomen. Met deze vondst was de Regeering nu uit haar moeilijkheid gered. Zulk een wetenschap, die niets met de kerkelijke theologie gemeen had en alleen bedoelde een historisch en zielkundig onderzoek in te stellen naar een interessant verschijnsel van het menschelijk leven, kon gerust aan de Staatsuniversiteiten gedoceerd worden, zonder dat het beginsel van de Scheiding van Staat en Kerk gelaedeerd werd. Aan den wetenschappelijken eisch, dat de 'Universiteiten alle faculteiten omvatten moesten, kon tegelijk op - deze wijze voldaan worden, want de Theologische faculteit bleef gehandhaafd, al veranderde ze ook van inhoud. En niemand kon beweren, dat de Staat deze Theologische faculteit voor een bepaalde kerk in stand. hield, want ieder Kerkgenootschap kon van , deze puur wetenschappelijke studie voor de opleiding Van haar predikanten gebruik maken, en wat aan »kerkelijke theologie» nog ontbrak, kon zij door kerkelijke hoogleerareir aanvullen. Wel waren er natuurlijk ontevredenen; sommigen beweerden, dat zulk een Theologische faculteit aan de behoefte van niet éen Kerk zou voldoen; anderen, zooals Minister l wBoiamÊmÊimKÊÊaHmÊmmmmmmmÊm-Heemskerk; Hat Eulk een ThcolögiöGbe faculteit boven geloofsverdeeldheid een kweekplaats zou worden van scepticisme; maar aan deze bedenkingen, stoorde men zich niet. In 1876 werd de Theologische faculteit feitelijk veranderd in faculteit van godsdienstwetenschap. Wel ware het juister geweest om ook den naam van Theologie prijs te geven, maar al is het te betreuren, dat dit niet geschied is, omdat daardoor misverstand in ^ liet leven kan worden geroepen, — het principieel karakter van deze verandering wordt daardoor wel gemaskeerd, maar niet te niet gedaan. Er is feitelijk geen Theologische faculteit meer, maar een faculteit van godsdienstwetenschap. En in deze godsdienstwetenschap is er voor de Dogmatiek, d. w. z. voor de uiteenzetting en adstructie der christelijke geloofswaarheden, geen plaats meer ; de godsdienstweten.schap heeft daarvoor in de plaats gesteld de wijsbegeerte van den godsdienst. Daarom is het ook onrechtvaardig, wanneer men klaagt dat de Theologische faculteit, door de Dogmatiek er uit weg te nemen, verminkt of onthoofd zou zijn.'Van verminking kan alleen sprake wezen, wanneer een wezenlijk deel, dat tot het organisme behoort, wordt weggenomen. En wel verre van een integreerend deel van het organisme der godsdienstwetenschap te zijn, behoort de Dogmatiek juist niet tot deze wetenschap en zou zij in haar kader zelfs een heterogeen element zijn.

Schijnbaar is tegen deze redeneering niet veel in te brengen. Metterdaad is het volkomen juist, dat elke wetenschap een organisch geheel vormt en dat het niet aangaat, in zulk een wetenschap vakken op te nemen, die niet alleen tot dat organisme niet behooren, maar zelfs naar hun aard met dit organisme in strijd zijn. In de Theologie is de Dogmatiek onmisbaar, en wie haar wegneemt uit deze wetenschap, snijdt het hart uit het lichaam. Maar in de zoogenaamde godsdienstwetenschap is voor een vak als de Dogmatiek natuurlijk geen plaats.

Toch betwijfelen we, of degenen, die voor herstel der Dogmatiek ijveren in de Theologische faculteit — en dat zijn niet alleen de kerkelijk rechtzinnigen — door dit betoog van Prof. Bruining overtuigd zullen worden. Indien, zoo zullen ze antwoorden, het plan van Minister Geertsema was doorgegaan, die metterdaad de Theologische faculteit door een faculteit van godsdienstwetenschap wilde vervangen en dan ook consequent deze faculteit zoo had ingericht, dat elke schijn van een Theologische faculteit daaruit verwijderd werd, dan hadt ge gelijk. Maar in 1876 is dit niet geschied. De naam faculteit der godgeleerdheid bleef behouden, met opzet. In de wet komt het woord godsdienstwetenschap in het geheel niet voor. En de vakken, waarin onderwijs werd gegeven, beantwoorden volstrekt niet aan wat de godsdienstwetenschap eischen zou. Het best ziet men dit, wanneer men het ontwerp van Minister Géertsema, in 1874 ingediend, vergelijkt met wat in 1876 werd aangenomen. Minister Géertsema was consequent; hij verving niet alleen den naam «Theologische faculteit* door dien van »Godsdienstwetenschap«, maar ook de leervakken die hij aan deze wetenschap toebedeelde, waren metterdaad degene, die bij deze wetenschap hoorden; volgens hem toch zou in deze Faculteit onderwijs worden gegeven in de geschiedenis van de godsdiensten, godgeleerde stelsels en godsdienstige voorstellingen; voorts in de uitlegging en geschiedenis van de oorkonden van den godsdienst en eindelijk in de wijsbegeerte van den godsdienst. Intusschen voelde men zeer goed, dat men met een zoodanig ingerichte Faculteit de Hervormde Kerk al te zeer voor het hoofd zou stooten en deze dan wel gedwongen zou worden, voor de opleiding harer predikanten de toevlucht te zoeken tot kerkelijke seminaria. Daarom ging men in 1876 aan het knoeien. Het hooggeroemde wetenschappelijke principe werd ten offer gebracht aan de eischen der practijk. De naam > Faculteit van Godgeleerdheid" werd bij amendement weer in de wet gebracht, en wel van zoogenaamd conservatieve zijde. En nu mag Prof. Bruining vragen: what is in a name, en er op wijzen, dat de wet wel meer zulke uit wetenschappelijk oogpunt verouderde namen behouden heeft, zoo als bijv. de naam scheikunde voor de chemische onderzoekingen, maar de gevallen staan hier toch heusch niet gelijk. Of men de chemische onderzoekingen scheikunde of chemie wil noemen, is puur een quaestie van nomenclatuur en heeft met geen beginsel iets uitstaande. Maar in de namen Godsdienstwetenschap of Godgeleerdheid ligt een principieele tegenstelling opgesloten. Eén van. beiden dus: öf men heeft, wanneer men bedoelde dé Godgeleerdheid buiten de poort der universiteit te zetten en haar plaats door de Godsdienstwetenschap te doen innemen, zich schuldig gemaakt aan zeer ergerlijke volksmisleiding door den naam Godgeleerdheid te behouden, öf door den naam Godgeleerdheid, en dat nog wel bij amendement, in de Wet te laten opnemen, heeft men willen doen uitkomen, dat men de vervanging van de Godgeleerdheid door de Godsdienstwetenschap toch niet wenschte. En indien men aan deze naamsverandering niet te veel waarde wil hechten, dan blijkt toch genoegzaam, zoodra men de lijst van leervakken nagaat, die in deze faculteit moeten onderwezen worden, dat men hier te doen heeft niet met een consequent doorgevoerde Faculteit van Godsdienstwetenschap, maar met een amalgama, een hybridisch iets, een ding, dat noch Godsdienstwetenschap noch Theologie, maar een mixtum compositum van beide is. Wat heeft de, , cncyclopaediederGodgeleerdheid", wat de «uitlegging van Oud en Nieuw Testament", wat de »zedekunde" met de

Godsdienstwctfcnsciiap; . ïe jnakcn ? fFcitelyk kwam de verandering in 1876 aangebracht, dan ook hierop neer, dat men bijna alle vakken van de vroegere Theologie overnam en er alleen een nieuw etiquet opplakte. De Encyclopaedie, de inleiding op de Heilige Schrift, de uitlegging van Oud en Nieuw Testament, de geschiedenis van de Kerk, de dogmengeschiedenis, de Naturaal de geschiedenis der pseudorreligies. de Ethiek, dat alles wat tot de Theologie behoorde, bleef behouden. Alleen wat in deze Theologie dusver als het hoofd en de hand gold, d. w. z. de Dogmatiek en de Practische Theologie, werden afgekapt. Beiden waren immers niet wetenschappelijk j en moesten daarom niet door de Univer-j siteit maar door de Kerk onderwezen worden. En op dezen aldus gedecapiteerden romp werd nu als nieuw hoofd geplaatst de «wijsbegeerte van den godsdienst*, het eenige vak, dat zuiver de godsdienstweten schap representeert en dat in de Theologie metterdaad niet thuis hoort

Maar zoo blijkt dan ook de conclusie, die Prof. Bruining op grond van zijn historisch onderzoek trok, niet juist te zijn. Had men in 1876 mettterdaad en consequent de Theologie aan de Staatsuniversiteiten afgeschaft en door de Godsdienstwetenschap vervangen, dan zou in het kader dezer wetenschap voor de Dogmatiek geen plaats wezen. Maar nu men om practische overwegingen dit niet aahdorst en daarom èn den naam Godgeleerdheid in de wet behield èn voortging met onder dien naam bijna alle vakken die tot de Theologie behoorden, te laten onderwijzen, hebben de kerkelijke rechtzinnigen in de Hervormde Kerk volkomen het recht om te zeggen: geef dan aan deze gedecapiteerde Theologie weer haar natuurlijk hoofd: de Dogmatiek, terug. ')

De schrijver van het Kerknieuws 'xti 6A Nieuwe Rotterdammer maakte captie op onze bewering, dat men tot Doctor in de Theologie aan de Rijksuniver'-iteiten kan promoveeren zonder Dogmatiek en Kerkgeschiedenis te hebben bestudeerd. Wat de Dogmatiek betreft is dit juist, zegt hij, maar wat de Kerkgeschiedenis aangaat niet, want onder de verplichte leervakken is ook de geschiedenis van het Christendom opgenomen. Natuurlijk was dit feit ook ont. niet onbekend, evenmin als dat de Hoog eeraren aan de Rijksuniversiteiten, die dit vak onderwijzen, feitelijk kerkgeschiedenis geven. Toch volgt uit den naam van het viik niet, dat dit moet geschieden. Een hoogleeraar, d^e niet de geschiedenis der Kerk, maar bijv. de historie der vroomheid zou willen onder; »ijzcn, zou wettelijk hiertoe bevoegd zijn. Christendom en Kerk kunnen geïdentificeerd, maar ze kunnen Ook lijnrecht tegenover eikander gesteld worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1915

De Heraut | 4 Pagina's

De Theologische faculteit aan de Staatsuniversiteiten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1915

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken