Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kinderen des Verbonds.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kinderen des Verbonds.

13 minuten leestijd

x

Om het typlsch-Gereformeerde van deze verbondsbeschouwing nog nader in het licht te stellen, is het niet voldoende uit de verschillende belijdenisschriften onzer Gereformeerde Kerken aan te toonen, dat deze verbondsopvatting metterdaad de eenparige belijdenis van al onze Gereformeerde Kerken zonder ééne uitzondering is geweest, maar dient er ook nog op gewezen, hoe onze Gereformeerde Kerken juist op dit punt in controvers zijn geweest, niet alleen gelijk men gewoonlijk meent met de Wederdoopers, die den kinderdoop verwierpen, maar evenzeer met de Roomsche en Luthersche Kerk, die wel den kinderdoop noodzakelijk achten, maar die noodzakelijkheid toch op geheel andere gronden hebben bepleit dan de Gereformeerde Kerk dit heeft gedaan. Juist door de scherpe controvers, die over dit punt met name met de Luthersche Kerk, gevoerd is - geworden, kan de eigenaardige opvatting van de Gereformeerde Kerk nog duidelijker en scherper belijnd in het licht worden gesteld.

Slaan we daartoe eerst den Roomschen Catechismus op en vragen we, op welke gronden hier het goed recht van den kinderdoop verdedigd wordt, dan schijnt de overeenkomst met wat de Gereformeerde Kerk als grond voor den kinderdoop aanvoert, zeer groot te zijn. Er wordt hier in de eerste plaats op gewezen, dat de uitspraak van Christus, dat > iemand, die niet wedergeboren is uit water en Geest, toch niet kan ingaan in het Koninkrijk Gods", niet alleen geldt van de volwassenen, maar evenzeer van de kinderen, waarom ook zij den doop behooren te ontvangen, en dat de kinderdoop-dap ook naar het eenparig getuigenis der Kerkvaders door de Kerk uit de traditie der Apostelen is overgenomen. Daarna wordt gewezen op het woord vanChristus: gt; laat af van kinderen en verhindert ze niet tot Mij te komen, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen", en wordt herinnerd, hoe Christus Hen omhelsd, de handen opgelegd en gezegend heeft, waarna de onderwijzer vraagt, hoe het dan denkbaar zou wezen, dat Christus het sacrament van den doop en zijne genade aan de kinderen zou ontzegd hebben? Voorts wordt een beroep gedaan op het feit, dat de Apostel Paulus meermalen een geheel gezin gedoopt heeft, waaruit genoegzaam blijkt, dat ook de kinderen, die tot dat gezin behoorden, gedoopt moeten zijn. Vervolgens wordt gewezen op het bevel Gods, dat de besnijdenis, die een voorbeeld van den doop is, aan de kinderen ten achtsten dage moest bediend worden, en wordt gevraagd, of wanneer de besnijdenis, die, met handen geschiedde en in de uittrekking van het lichaam des vleesches bestond, den kinderen van nut was, dit dan niet evenzeer het geval is met 9e besnijdenis van Christus, die aiet met handen geschiedt, d. w. z. met den doop (Col. 2:11). De gewone argumenten dus, die ook van Gereformeerde zijde voor den kinderdoop worden aangevoerd. Zelfs geldt dit tot op zekere hoogte ook van het beroep, dat de Roomsche Catechismus ten slotte op Rom. S doet, waar staat, dat „indien door de misdaad van éénen de dood geheerscht heeft door dien éénen, veel meer degenen, die den overvloed der genade en de gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heerschen zullen door dien éénen, namelijk Jezus Christus". Want als de* Roomsche Catechismus hieruit afleidt, dat aangezien ook de kinderen door de zonde van Adam in het verderf en den dood zijn gestort, ze dus nog veel meer door Christus de genade en de rechtvaardigheid kunnen verkrijgen, opdat ze in het leven heerschen, dan is deze parallel tusschen Adam en Christus dezelfde, die ook in ons Doopsformulier wordt getrokken, wanneer gezegd wordt, dat evenals onze kinderen buiten hun weten in Adam de verdoemenis deelachtig zijn, ze zoo ook in Christus wederom tot genade worden aangenomen.

Maar hoe groot de overeenkomst schijnbaar is, toch is er tegelijk een principieel verschil. Dat de genade van Christus ook 4an de kinderen toekomt en ze daarom gedoopt moeten worden, belijden beide c}e Roomsche en de Gereformeerde Kerk, maar het onderscheid bestaat daarin, dat volgens de Gereformeerde Kerk deze genade aan het kind des verbonds van zijne geboorte af geschonken is ^n daarom door den doop hem verzegeld moet worden, terwijl de Roomsche Kerk de mededeeling der genade eerst door het sacrament laat geschieden en deze genade zoozeer aan het sacrament bindt, dat het, althans vooreen kind, onmogelijk is om zalig te worden zonder gedoopt te zijn.'»Het doet er niet toe, zegt de Roomsche Catechismus, of de kinderen uit geloovige of ongeloovige ouders geboren zijn, ze worden geboren tot z eeuwige ellende en verderf, tenzij ze door e de genade van den doop wedergeboren worden." »Daarom, zoo zegt de Catechismus iets later, zal de schuld zoo ontzaggelijk zwaar zijn van hen, jdie den doop aan de kinderen onthouden hebben, aangezien er voor de kinderen geen andere weg is om zalig te worden dan door den doop*.

Ook de Luthersche Kerk, al mag ze dan niet zoo kras de genade binden aan het uitwendige teeken, dat ze alle ongedoopt stervende, kinderen voor verloren verklaart, neemt toch wel degelijk aan, dat de genade van de wedergeboorte eerst onder en door den doop wordt medegedeeld, en ze grondt evenals de Roomsche Kerk daarop de noodzakelijkheid van den kinderdoop. De grond voor den kinderdoop is volgens haar dus niet, dat de kinderen der geloovigen in het. verbond Gods begrepen en geheiligd zijn krachtens de belofte Gods en daarom moeten gedoopt worden, maar juist omgekeerd, dat deze kinderen vóór den doop onheilig zijn en buiten het verbond Gods staan en eerst door den doop moeten wedergeboren en geheiligd wprden. Zooals Luther zelfs het eens heel kras uitdrukte, toen hij zijn kind ten doop had gebracht: ik héb mijn kind, dat een heiden was, nu tot een Christen gemaakt.

Van de verbondsgedachte is dus noch bij de Roomsche noch bij de Luthersche Kerk sprake. Het doet er volgens deze Kerken zelfs niets toe af, of een kind uit geloovige of ongeloovige ouders geboren is, want gelijk de Luthersche theologen uitdrukkelijk zeiden: zoolang een kind ongedoopt is, staat het volkomen gelijk met een kind van Turken, Joden of heidenen. Bij den doop wordt daarom door deze Kerken ook niet gevraagd, of het te doopen kind uit Christenouders geboren is, want elk kind, al was het uit heidensche ouders geboren, kan "ên mag gedoopt worden. Op hun standpunt volkomen juist, want indien de doop het wonderbare middel is om een kind weder te baren en tot een kind Gods te maken, waarom zou men die genade dan aan eenig kind onthouden ? Het: doop al wat in het doophuis binnengebracht wordt, is daarom in den grond niet Gereformeerd, maarRoomsch en Luthersch. Het is de practijk, die de Roomsche Kerk en Luthersche Kerk steeds hebben toegepast en die noodzakelijk uit haar doopsopvatting volgt.

Maar tegen deze opvatting heeft de Gereformeerde Kerk zich dan ook van meet af met alle kracht verzet, niet uit geringschatting van het door God verordende sacrament, maar omdat ze de genade Gods niet wilde binden aan een uiterlijk teeken, dat door den mensch bediend wordt en daarmede niet aan den mensch de beschikking wilde geven over de genade Gods. Daarom hielden de Gereformeerden tegenover de Roomsche en Luthersche Kerk staande, dat het sacrament niet een magisch middel is, om de genade mede te deelen, maar slechts een teeken en zegel om de door God gcschonkene genade ons te verzegelen. Zoo immers ontving ook Abraham het teeken der besnijdenis, niet om hem de gerechtigheid des geloofs mede te deelen, maar, gelijk de Apostel Paulus zegt, tot een zegel van de gerechtigheid, die hij door het geloof reeds bezat. En evenzöo staat het met den doop, zooals uit het voorbeeld van Cornelius blijkt, die gedoopt werd, nadat hij den Heiligen Geest ontvangen had; de doop was voor hem xiiet het middel om den Heiligen Geest te ontvangen maar een zegel, dat hij den Heiligen Geest van God ontvangen had. Gods genade gaat voorop; het sacrament volgt om deze genade ons te verzegelen. De grond van den kinderdoop kan daarom niet wezen, dat door den doop de kinderen moeten worden geheiligd, maar is veeleer dat God (de Heere krachtens Zijne belofte deze kinderen van moeders lijf af geheiligd heeft door Zijnen Geest, hen tot Zijne kinderen heeft aangenomen en de afwassching der zonden door Christus bloed hun heeft geschonken, en dat deze weldaden Gods hun daarom door den doop moeten beteekend en verzegeld worden.

Tweeërlei - vloeide daaruit van zelf voort. Vooreerst, dat hierdoor eerst gebroken kon worden met de troostelooze leer van de Roomsche Kerk, dat de ongedoopte kinderen niet zalig kunnen worden. Het klinkt schier als een juichkreet, wanneer in de Gereformeerde Belijdenisschriften telkens gezegd wordt dat godzalige ouders aangaande de zaligheid hunner jonggestorven kinderen, al zijn ze niet gedoopt, niet te twijfelen behoeven, omdat de genade Gods niet aan het sacrament van den doop gebonden is. En in de tweede plaats, dat de doop dan ook niet aan alle kinderen zonder onderscheid mag bediend worden, maar alleen aan die kinderen, die krachtens de belofte Gods in het genadeverbond zijn opgenomen en daarom recht op den doop hebben, d. w. z. aan de kinderen der geloovigen. Ook daarop wordt in alle Gereformeerde belijdenisschriften nadruk gelegd om de ontheiliging van den doop te voorkomen. De doop komt alleen toe aan de kincjpren des verbonds, maar niet aan de kinderen der ongeloovigen. Het is derhalve niet juist, te beweren, dat deze verbondsbeschouwing, waarop voor de Gereformeerde Kerk het goed recht van den kinderdoop rust, door onze vaderen alleen zou geleerd zijn om tegenover de Wederdooper-s den kinderdoop te verdedigen. Ze diende evenzeer om tegenover de Roomsche en Luthersche leer van de wedergeboorte door den doop, en de absolute noodzakelijkheid van den doop, de vrijmacht van Gods genade en het niet gebonden zijn der zaligheid aan eenig uiterlijk middel te handhaven. Niet alleen tegen de Wederdoopers, maar evenzeer tegen de Luthersche en Roomsche opvatting keert zich daarom onze Kerk, wanneer ze in de eerste doopsvraag aan de ouders vraagt, of zij gelooven dat > onze kinderen in Christus geheiligd zijn (op dit. zijn valt hier alle nadruk) en daarom behooren gedoopt te wezen".

Dat dit metterdaad de bedoeling van de eerste doopvraag is, valt niet moeilijk te bewijzen. Men behoeft daarvoor slechts na te gaan welk een strijd juist over dit > geheiligd zijn van de kinderen* tusschen de Luthersche en Gereformeerde Kerk gevoerd is. De Lutherscben wilden van dit natuurlijke geheiligd zijn van de kinderen vóór den doop zelfs niets weten, en beweerden dat de Gereformeerde Kerk, door deze heiliging der kinderen te leeren, de noodzakelijkheid van den kinderdoop wegnam en de Wederdoopers in de kaart speelde. Immers, zoo zeiden ze, indien de kinderen reeds voor den doop geheiligd zijn, waartoe is de doop voor hen dan nog nopdig ? Daarom veroordeelt de Luthersche Kerk in haar Formula Concordiae uitdrukkelijk degenen, die leeren dat ïde kinderen der Christenen, omdat ze uit Christelijke ouders geboren zijn, reeds vóór den doop heilig en kinderen Gods zijn, en dientengevolge den doop der kinderen niet hooghouden noch bevorderen". Dit laatste moge inzonderheid op de VVederdoopers slaan, maar de bedoeling is duidelijk genoeg om hiermede tegelijk de Gereformeerden te treffen.

Het was daarom dat Calvijn, toen de Nederlandsche vluchtelingen te Wezel in een oogenblik van zwakheid, ten einde aan de vervolgingszucht der Luthersche theologen te ontkomen en een veilige schuilplaats te Wezel te behouden, zich verleiden lieten om ee« soortgelijke belijdenis door de Luthersche theologen opgesteld te onderteekenen, zich zoo scherp hiertegen gekant heeft. ïWij zijn zeer verbaasd geweest, schrijft hij hun, van u te hooren, dat gij in, de geloofsbelijdenis, die men van u eischt, niets vindt, dat rechtstreeks tegen Gods Woord zou ingaan, waaruit we zien, dat de vrees maar al te zeer uwc oogen ' verblind heeft. Want in het artikel van den doop worden met name veroordeeld, die de kinderen van hun geboorte af geheiligd achten^. Calvijn noemt het onderteekenen van die geloofsbelijdenis zelfs een zijdelingsche verloochening van de waarheid Gods, die ons kostbaarder zijn moet dan alle schuilplaatsen, ja dan ons eigen leven.

Veel kloeker en beslister dan deze zwakke broeders te Wezel stelden zich dan óok in later tijd de Gereformeerden te Bremen te weer tegenover deze Luthersche dwaling, toen zij hun geloofsbelijdenis opstelden. »Hoewel, zoo zeggen zij, enkelen in onzen tijd gansch • onchristelijk durven disputceren, dat er vóór den doop geen onderscheid is tusschen de kinderen van Christenen en Turken, maar dat alleen de doop grond en aanvang is van de zaligheid der kinderen, zoo bekennen en leeren wij daarentegen, op grond van Gods Woord, dat de kinderen der Christenen van hun moederslijf af gc& n Turken, Joden of heidenen, maar Christenen zijn, die tot de gemeenschap der Christelijke Kerk behooren en in het verbond Gods begrepen zijn. Door den doop ontvangen deze kinderen alleen de verzegeling van het kindschap Gods en worden ze alsdan door het rechte bondsteeken verzekerd van hunne inlijving in de Kerk. Anders, indien onze kinderen vóór den doop, evenals de kinderen der Turken, buiten het verbond Gods en de gemeenschap der Christelijke Kerk waren, zouden ze evenzoomin als deze kinderen aanspraak hebben op den doop. Alle ongedoopte kinderen van Christenen zouden dan sterven buiten het verbond Gods en de Christelijke ouders zouden elke hope aangaande deze kinderen missen". Natuurlijk werd daarmede niet ontkend de waarheid, die schuilt in het bekende zeggen : non nascimur, sed renascimur Christian!, d.. w. z. wij worden niet als Christenen geboren, maar wedergeboren, maar de Bremensche theologen merken terecht op, dat de Gereformeerde Kerk ook nooit geleerd had, „dat de lichamelijke geboorte de kinderen tot Christenen maakte en zalig cieed worden, maar dat dit geschiedt door de genadige belofte Gèds, waarvan de doop het zegel is". En evenzeer wordt de bedenking der Lutherschen, dat de doop dan overbodig zou wezen, weerlegd door de opmerking, „dat de grond, waarom de kinderen het bondsteeken ontvangen en het kindschap Gods hun verzegeld wordt, juist is, dat zij tot het verbond Gods behooren, zooals ook Abraham het teeken der besnijdenis en Cornelius den doop ontvangen hebben, hoewel ze reeds van te voren door het geloof kinderen Gods waren". En na zoo de Gereformeerde leer uiteengezet en. tegen alle misverstand gevrijwaard te hebben, wordt dan aan het slot nogmaals uitdrukkelijk de dwaalleer der Lutherschen verworpen, die leerden, dat »de Heilige Geest en de wedergeboorte aan het Sacrament van den Doop gebonden zijn; dat de kinderen daarom vóór den doop geen belofte van zaligheid hebben, en dat tusschen hen en de kinderen der Turken geen onderscheid zou wezen*.

Klaarder en duidelijker kan^ de tegenstelling tusschen dè Luthersche en Gereformeerde leer wel niet geformuleerd worden, dan hier is geschied.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 oktober 1915

De Heraut | 4 Pagina's

De kinderen des Verbonds.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 oktober 1915

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken