Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de Voleinding.

20 minuten leestijd

cxc.

ZESDE REEKS.

XIïI,

God, voortijds ^veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon. Hebr. 1:1.

Gaan we nu van de Geschiedkundige en Dichterlijke geschriften des Ouden Verbonds over tot de boeken der Profeten, om ook hier 't licht te zoeken, dat de Voleinding voor ons in meerdere klaarheid kan stellen, dan zij al aanstonds opgemerkt, dat ook bij de Profeten wederom niet het lot dat den enkelen geloovige wacht, maar de toekomst van heel het volk, ja van de volken der narde, op den voorgrond treedt. Niet in zóó volstrekten zin, dat ook niet over het lot van den enkele nu en dan zeker nader licht zou opgaan, maar zóó dan toch, dat de eigenlijke profetie in haar hoofdstrekking niet doelt op de op zictizelf staande personen, maar, als regel althans, op wat hgel het volk van Israel, en, onder zijn Indoen, ten slotte ook aan de overige volken der aarde te wachten staat. In een profetie als we in Joel II:28 vinden, wordt zeer zeker onderscheidenlijk van de zonen en dochteren, over de dienstknechten en over de dienstmaagden gesproken, en ook elders komen nu en dan toespelingen voor, die op enkele personen, met name ook op den profeet zelf, betrekking hebben; maar de groote gang der Profetie, gelijk ze van Obadja af tot Maleachi toe, zich in het laatste gedeelte van het Oude Testament voor ons ontsluit, laat zich met de bijzonderheden van den enkeling niet in, en opent eeniglijk de vergezichten over Israel, over de volken, en tenslotte over het volk des Heeren, naar Nieuw Testamentisch begrip. Toch versta men dit niet zoo, alsof geheel de Oud-Testamentische profetie opging in voorzeggingen van wat komen zou. Zelfs al te veel is deze eenzijdige opvatting van het woord profeet in ons taalgebruik doorgedrongen. Wel voelt men het onderscheid tusschen den»waarzegger* enden »voorzegger«j maar dit neemt niet weg, dat veelal toch als hoofdtaak van den profeet wordt beschouwd, dat hij van te voren aankondigt wat in den loop der tijden te wachten staat. Het komt er dan op neer, dat God aan zekere daartoe door Hem verkoren personen, door inspiratie zekere woorden influistert, en dat deze begenadigde deze woorden óf alleen uitspreekt of ook ze te boek stelt. Dit nu is een opvatting van den profeet, die niet kan worden toegelaten, gelijli dan ook hun geschriften-betuigen. In deze geschriften toch zijn de zinsneden en teksten, waarin een bepaalde voorzegging vervat is, uiterst weinig in aantal, en zonder voorbehoud mag gezegd, dat verreweg het grootste deel van hun geschriften ons toespraken, vermaningen, historische overzichten, waarschuwingen en oproepingen te lezen geven, waarin soms in heele hoofdstukken geen enkele rechtstreeksche voorzegging voorkomt. Hier komt dan bij, dat in Elia en Eliza b.v. machtige profeten ten tooneele traden, die zelfs geen geschriften ons achter lieten, en van wie toch onder Israel zoo ver-reikende invloed is uitgegaan.

De profetische bezieling is ^een aangrijping van geheel 't bewustzijn van den Ziener, waardoor zijn bewustzijn in hooger exstase geraakt. Dit verschijnsel nu van zulk een hoogere exstase is volstrekt niet enkel bij profeten, wier schriften ons zijn overgeleverd, voorgekomen. Gedurig lezen we in het Oude Testament zelfs van xvalsche profeten*. Ook dit nu waren volksmannen, die in zekere geestelijke opwinding, het volk toespraken en over zijn lot onderhielden. Alleen maar, in hun exstase was niet de Geest van Jehovah werkzaam, maar een onheilige geest. Doch ook zonder zulk een min-goede exstase, wordt in de Heilige Schrift, met name ook in het Nieuwe Testament, melding gemaakt van zekere profetische bezieling. De apostel Paulus spreekt hier herhaaldelijk over, en was zelfs niet zonder vreeze, dat die profetische bezieling ten slotte schade in de gemeente zou kunnen a, anrichten. Gedurig toch kwam het voor, dat als de Gemeente bijeen was, deze of gene geheel eigener beweging opstond, en toespraken begon te houden, niet zelden zelfs in vreemde klanken. Dit was dan wel interessant en het prikkelde de nieuwsgierigheid, maar de apostel vestigt er toch de aandacht op, dat zulke profetische toespraken de Gemeente niet wezenlijk stichten konden, vooral zoo het profetieën in een taal waren, die de menigte niet verstond. Men moet deswege, om het geheele wezen der profetie niet in te beperkten zin te nemen, wél inzien, dat de profetie een achtergrond vindt in geheel den aanleg van ons menschelijk bewustzijn, die onder alle volken en op allerlei manier uitkomt. Het ongc'.yone verschijnsel bestaat dan hierin, dat er in den menschelijkcn geest een andei'e macht gaat heerschen dan die van ons eigen besef en van onze eigen rede. Een ontzettend voorbeeld van dit verschijnsel is ons veelszins 'van Java bekend, en meest Amok genoemd. De hierdoor aangegrepéne persoon geraakt geheel buiten zichzelf, grijpt, door moordzucht overweldigd, een duchtige kris, 'en loopt nu weg en straat op, om, zonder onderscheid en zonder sparen, een ieder dien hij op zijn pad ontmoet, hetzij man of vrouw of kind, meedoogenloos dood te steken. Later weer tot zichzelf gekomen, weet de groot-moordenaar hier niets van; 't is al in verdoold bewustzijn geschied. Het is een booze geest die zijn geest plotseling overweldigd had, en hem gebruikte als willoos instrument. In het Maleisch noemt men den toestand waarin zulk een verwilderde dwaas verkeert, mita glap, wat letterlijk beteekent: Verdonkerd oog, en waarmede men uitdrukt, dat de Amok-maker niet ziet, niet weet wat hij doet, en door een ander wezen dan zijn eigen ik gedreven wordt. Zulk een geestestoestand komt nu 'als vanzelf in zulk een ongelukkige op. Hij deed zelf niets om zoo te worden. Een ongeziene macht greep hem aan, en overheerschte geheel zijn inwendig wezen. Natuurlijk op zeer verren afstand, maar zakelijk dan toch, kan zulk een toestand verwant zijn aan de woestheid, waarin een dronkaard niet meer weet wat hij doet, of ook een waanzinnige, geheel buiten zichzelf geraakt, soms zelfs moord begaat.

Bij imiok, krankzinnigheid' erf zotheid kan hierin nu niet anders spreken dan zelfverdwazing. Komt men daarentegen aan bezetenheid, guichelarij en demonische mantiek toe, dan krijgt men te doen met een geest van buiten. Ook bij amok enz. is het wel een andere geest dan het gewone ik, die werkt, maar dit kan-nog zijn 't werken van een tweeden geest in den persoon zelf. Dat in ons hebben van tweeërlei geest ontwaren we telkens. Nu eens bezielt ons een heilige aandrift, en dan weer is het, of er uit het verborgene van ons wezen een slechte zondige aandrift onze ziel besprongen heeft. Zoo is 't bij toorn en bij zinlijke boosheid^ Bij den bezetene daarentegen had men te doen met een vreemden geest, die van buiten in het ik van den mensch was ingeslopen, Die booze geest was daarom voor uitiverpitig^zthdiS.r. Jezus wierp zulke geesten uit, en dan was de verloste man weer zich zelf. Ook hier echter bleek hoe er in onzen menschelijken geest een vatbaarheid aanwezig is, om door een anderen geest benaderd te worden, zoodat die vreemde geest ons als instrument bezigt, of ons althans zóó beheerscht, dat niet wij meer meester van ons zelf zijn. Van zulke verschijnselen, ook in ernstigen zin, weetnude historie van alle hooger staande volken der oudheid ons te verhalen. Men behoeft het orakel van Delphi maar te noemen, om aanstonds te doen te hebben meteen zeer ernstig verschijnsel, dat in de historie van Griekenland niet zelden zegenend heeft ingewerkt. Van de clairvoyance spraken we reeds. Maar in nog ernstiger zin dient hier ook gewezen bp wat in een droom vaak voor ons bewustzijn treedt, gelijk ook in de Heilige Schrift van zulke droomen herhaaldelijk' melding wordt gemaakt. Vooral echter dient er op gelet, hoe ook nu nog bij wie sterven gaat, of althans in doodsgevaar op het krankenleger verkeert, zulke verschijnselen zich voordoen. Men ziet 't vaak reeds bij typhus-lijders, hoe ze in zóó diepen slaaptoestand overgaan, dat ze soms aldoor ijlen en schier zonder ophouden met zichzelf of met anderen liggen te redeneeren, zonder dat ze er later ook maar iets van af weten. Maar veel ernstiger doet zich zulk een verschijnsel voor, als men zich door een bijna-stervende op eens, in hoogen ernst en met geheel veranderd stemgeluid, als uit een visioen hoort toespreken, en dat de aangegrepéne toch, bijaldien het gevaar weer wijkt, en hij nog opleeft, niets hoegenaamd van zulk spreken afweet. Dat er op het sterfbed ook een geest kan op waken, die bij 't afscheid van wie achterblijven, heerlijke taal spreekt, is zeker veel heerlijker, doch dit is iets anders, en verraadt geen afdoling van den geest, gelijk in het eerst bedoelde" verschijnsel. Doch, van wat zijde ook bezien, uit de historie van ouds, en uit wat nóg valt waar te nemen, blijkt dan toch op allerlei manier, hoe de geest des menschen vatbaar is, om op zoo diep in Jiet oog springende wijze onder een vreemde macht te geraken, dat hij deze als instrument te dienen heeft. Niet, men versta dit wel, alsof dit stpeds en bij elk mensch aldus zijn zou. Verschil ; ^n aard, karakter en temperament schijiiSfi hier tot' onderscheid te leiden. Zelfs blijkt wel, dat de geest des menschen in de Oostersche wereld hiervoor hoogere ontvankelijkheid bezat, dan bij ons in het Noorden, of althans in de middenzóne; maar, hoe ook bezien, en welk .verschil van graad zich hierbij ook voordoe, inherent aan 's menschen geest als zoodanig is ook hier de vatbaairheid en de ontvankelijkheid om zulke inwerkingen op zijn geestesleven te, ondergaan.

Dit kan nu plotseling en tijdelijk zich voordoen, maar het kan ook een meer duurzaam verschijnsel worden. Bileam's profetie is een vuorbeeid van het eerste, maar vooral bij de heilige profeten heeft men met dit incidentede veel minder te doen. De profeten maken veel meer den indruk, dat ze doorgaande, dat ze gedurende langer periode, dat ze soms heel hun leven door de vatbaarheid bezaten, om zulke inwerkingen te ondergaan. Niet, men lette hier wel op, alsof er niet ook in hun leven bepaalde oogenbhkken waren, waarop ze zich opnieuw aangegrepen gevoelden, en er zich helder van bewust waren, dat ze inwerkingen ondergingen; maar van de andere zijde was het toch duidelijk, ~dat hun geest, hun besef, hun bewustzijn, ook op momenten, waarin ze geen hoogere bewerking ondergingen, uit zichzelf reeds in hooge, bezielde stemming verkeerden. Subjectief bezaten zij blijkbaar de geschiktheid, de vatbaarheid, de ontvankelijkheid om de toenadering Gods te ondergaan, en de inspiratie van den Heiligen Geest te ontvangen. Hoe verder men nu in de historie i^omt, hoe duidelijkèi'-•'•kst blijkt, dat deze ingevingen een bepaald karakter ook met het oog op de Voleinding aannemen. Ezcchiël, Daniël, Zacharia, Maleachi doen zich ten deze, in menig - opzicht, heel anders voor, dan de verkondigers van de eerste Godsspraken waarvan melding geschiedt. Toch is zelfs bij deze meer gedetailleerde Godsspraken, de teekening van het beeld der Voleinding nog altoos zeer schaduwachtig, en 'ten slotte blijkt •wel, dat eigenlijk eerst de Christus zelf, de apostelen in hun brieven, en de Openbaring van Johannes die vaste lijnen 'voor de Voleinding, getrokken hebben, die ons in staat stellen er als vooruit in te leven. Wel komt 't voor, dat ook de aloude profeten — denk slechts aan Nathan bij David en aan Jesaia bij Achaz — op zeer besliste feiten doelen, deze als voortcekenen en tot in de details als zien laten, maar dit is" uitzondering, en de groote gang der próretie in Israel, voor zoover ze ons in het Oude Testament is voorgeteekend, kondigt wel de zegepraal van het volk van Israel aan, brengt wel in beeld den ondergang van Israels vijanden, doet ons wel zien hoe 't de Messias is die Israel volkomen verheerlijken zal, en "straks den zegen van Israel over de volken zal doen uitgaan, ja, ze verlokt ons wel door de heerlijke schildering van de heerlijkheid die komt, en die de eeuwen verduren zal, maar de overgang van Jezus eerste komst tot zijn zvederkomst op de wolken, en alzoo de eigenlijke Voleinding, blijft nog in de schaduw etaan.

De wederzijdsche verhouding, waarin de Heilige Geest bij deze profetische inspiratie zich tot den geest van den profeet plaatst, kan nu zeer uiteen loopen". Het kan zijn, dat de geest van den profeet door gedurige heerlijke inwerking reeds in zulk een bezielden staat is geraakt, dat de inspiratieve werking niet anders heeft te doen, dan 's menschen reeds bezielden geest in actie te stellen. Het kan ook zijn, dat de, werking van 's menschen geest iets meer terugtreedt, en dat de inwerking van den Heiligen Geest overwegend wordt. En ten slotte kan het ook zóó zich voordoen, dat de geest des menschen geheel lijdelijk instrument wordt, en dat het de Geest des Heeren is, die spreekt en getuigt, ja schrijft door hem. Wie deze drie niet onderscheidt, geraakt zoo licht op het dwaalspoor. Wie achtereenvolgens een geheelen profeet doorleest, bespeurt aanstonds, dat er geheele zinsneden, ja soms geheele kapittelen in voorkomen, die ge zeggen zoudt, dat de profeet zeer wel uit zijn eigen bezielden geest kon hebben voortgebracht, zonder dat er van een bepaalde inwerking des Heiligen Geestes sprake bij kwam. Daarnaast echter vindt ge in de profetie uitspraken van zoo openbarend karakter, dat men aanstonds voelt: Neen, dat heeft de profeet niet, uit eigen bezieling alleen, zoo kunnen schrijven; hierbij bestraalde hem hooger licht. Én in de derde plaats vindt men in de profetische geschriften velerlei bepaalde aankondigingen ên bijzondere voorzeggingen, waarvan bij onderzoek blijkt, dat de profeet er zelfs niets van kon gegist hebben, ja, dat hij ook bij de hoogste bezieling ze uit zichzelf niet kon hébben voortgebracht, zoodat kennelijk zijn eigen geest hierbij geheel lijdelijk bleef, en alle actie uitging van den Heiligen Geest in hem, zóó zelfs, dat tot in de letterlijke namen en feiten en aanduidingen, niet zijn geest getuigen kon, maar de Heilige Geest de denker en spreker was, die schreef en sprak door hem. Meer dan een graadverschil is dit niet, maar dan toch een graadverschil waarop gelet dient. In elk van deze drie gevallen hebben we met tweeërlei geest te dóen] eenerzijds met den geest van den proleet, en anderzijds met den Heiligen Geest. Deze beide geesten treden tot elkander in zekere verhouding. Die-verhouding echter behoeft niet steeds dezelfde te zijn. Ze kan verschillen. Het kan zijn, dat de geestvan den profeet het doet, en bij dit doen slechts zekere leiding van den Heiligen Geest ondergaat. Maar het kan ook zijn, dat de actie beiderzijds nagenoeg gelijk is, zoodat de geest van den profeet werken blijft, maar toch sterker _dan in het eerste geval de bewerking van den Heiligen Geest ondergaat. En in' de derde plaats is het evenzoo denkbaar, 'dat de geest van den profeet geheel lijdelijk wordt, en slechts instrumenteel den Heiligen Geest dient.

Oudtijds nu is op dit onderscheid veel te weinig gelet, en hield men maar al te zeer aan de voorstelling vast, alsof het derde steeds regel was 'geweest, zqodat de profeet, van alle eigen werkzaamheid ontbloot, niet anders deed dan nazeggen wat de Geest voorzegde, en opschrijven wat de Geest in dictaat gaf. Zoo ver ging men hierbij zelfs, dat het spreken van Bileam's ezel geliefkoosd type bleef voor de profetische inspiratie. Nu beweren wij van verre niet, dat God, die ook het dier in het leven riep en ook het dier het geluid schonk, niet ook zeer wel de dieren kan laten spreken. Ook het spreken van Bileam's ezel nemen we daarom zonder aarzeling aan. Alleen maar, men mag niet zeggen, dat wat bij dit dier plaats greep, het type was van de profetische inspiratie. Wie dat zegt, verlaagt de profetie tot een machinaal klanken uitstooten, waarbij de geest van den mensch en alle heilige bezieling van den aangegrepen geest kortweg tot niets herleid werd. Jammer genoeg nu is uit reactie tegen deze eenzijdige machinale voorstelling bij de Modernen en Ethischen een verzet tegen de mogelijkheid van een letterlijke ingeving opgekomen, dat veler geest zoo veelszins van de Schrift vervreemd heeft. De Moderne ziet in wat de Heilige Schrift ons biedt, niet anders dan product van een religieuse .bezieling in Israel, die de profeten ten deele zelven kweekten, maar die toch haar ware beteekenis verloor, toen ze waanden op zulk een bijzondere inspiratie van den Heiligen Geest te kunnen roemen. Volgens de Modernen is al wat in de Schrift boven het normaal menschelijke uitgaat, vrucht van. overspanning des geestes geweest, en daarom door ons weer tot het normale terug te brengen. Zoo nu staan de Ethischen er niet voor. Integendeel, de Ethischen gelooven wel waarlijk aan een inwerking van den Heiligen Geest op de mannen Gods in Israel. Ze gelooven zonder voorbehoud, dat .Israel een heilige roeping ontving, en dat de geesten in Israel voor de vervulling van die roeping' van Godswege bezield zijn. Alleen maar, wat ze niet inzien en aanvaarden is, dat de-geest der profeten bij deze inspiratie ten slotte geheel lijdelijk kon worden. Hun eisch blijft dat al wat de Schrift ons biedt, uit hun subjectieve geestesleven is opgekomen, zij 't al dat dit subjectieve geestesleven de bezieling kende van den Heiligen Geest. Dit nu heeft er toe geleid, dat zij juist de gewichtigste profetieën voor heel den gang van Gods Koninkrijk, gelijk we die in Daniël, Ezechiëlj Zacharia, en Maleachi bezitten, niet wel aanvaarden kunnen, en er steeds op uit zijn, om wat'ons bericht geeft omtrent hetgeen de toekomst brengen zal, als niet authentiek voor te stellen, af althans zóó uit te leggen, dat het al menschelijkè vinding wordt, missend elk Goddelijk zegel. Daartegenover nu, zoo wat de Modernen als de Ethischen betreft, beleden onze Gereformeerde vaderen steeds, en belijden wij met hen nog, dat God die den mensch, en in den mensch zijn geest, zijn denken en zijn spreken schiep, alleszins machtig was, om bepaalde feiten en gebeurtenissen aan te kondigen, en hiertoe zijn verkoren profeten als instrument te gebruiken. Geen enkele reden is dan ook denkbaar, waarom God Almachtig niet ook namen, feiten en tijdsbepalingen vooraf, in letterlijken zin, door zijn profeten kon laten aanzeggen. Hierop moet ten deze zelfs met nadruk gewezen, omdat de Christus zelf (zie Matth. 24:15) de woorden van Daniels profetie wat feiten en cijfers betreft, bevestigd heeft. Stelliglijk kondigde Jezus aan, dat de «verwoestingen» die Daniël geprofeteerd had, komen zouden. Aldus toch sprak de Heere: gt; Wanneer ge dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats, (die het leest, die mcrkc daarop), dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen". En wat stond nu in deze profetie van Daniël ? Zie het in Daniël 9. Niets minder dan dit: En na die twee en zeventig weken, zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor hemzelve zijn, en een volk der vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het Heiligdom verderven en zijn einde zal zijn met een overstroomenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn en vastclijk besloten verwoestingen.» Zeer stellig hebben we hier alzoo te doen met een profetie van de derde, absolute soort, en het is dese profetie die door Jezus bezegeld is.

In hoeverre nu de profetische vergezichten in het Oude Testament, zij 't alleen schaduwachtig of ten slotte meer bepaald, vaste gegevens voor de Voleinding verstrekken, kan ni^t anders nagegaan, dan door de profetieën die op het eeuwige doelen, kortelijk in haar hoofdpunten saam te vatten. Vestigen we daartoe in de eerste plaats onze aandacht op de kleine profeten. Naar tijdsorde zijn deze kleine profeten elkander niet opgevolgd in de orde, , die ons in het Oude Testament wordt voorgelegd. In het Oude Testament opent de gewichtige reeks met Hosea, naar tijdsorde was Obadja de eerste die optrad, terwijl Obadja in de volgorde der profeten de vierde is, en na Amos komt. De geheele reeks der kleine profeten loopt over niet minder dan ruim vier eeuwen. Obadja trad onder koning Joram van Juda op omstreeks 890 vóór Christus, terwijl Maleachi, de laatste in deze reeks, omstreeks 430 voor Christus profeteerde. Over deze vier eeuwen verdeeld, is de reeks van twaalf niet te groot, en dit te • minder, daar de helft van deze kleine profeten reeds in de eerste eeuw optrad, van 890—760. Achtereenvolgens wordt de tijd van hun verschijnen aldus aangegeven:

Obadja onder koning Joram 889—884 v. Chr. Joel - onder koning Joas in Juda 875—848 v. Chr.

Jona onder koning Jerobeam II in Israel 824—783 v. Chr.

Amos Hosea onder koning Jerobeam n in Israel evenzoo 810--783 v. Chr. 790--725 v. Chr.

Micha onder Koning Jotham, Achaz en Hiskia 758--710 V. Chr.

Nahum onder koning Hiskia 710 - 699 V. Chr.

Habakuk onder koning Manasse 650 - 628 V. Chr.

Zephanja onder koning Josia 628 - 623 V. Chr.

Haggaï onder koning Darius Hystaspis 519 V. Chr.

Zacharia onder koning Darius Hystaspis 519 V. Chr.

Maleachi onder koning Artaxerxes Longimanus 433--424 V. Chr.

Vatten we nu kortelijk saam wat bij deze profeten, naar tijdsorde gerekend, als profetie in verband, hoe zwak dan ook, tot de Voleinding, onze aandacht trekt, dan komt dit bij Obadja neer op deze drie gegevens. Zijn profetie betreft Edom, dat zwaarlijk boeten zal voor wat't jegens Israel misging en voor wat het toen Israel in de ballingschap naar Babel uittoog, het voorbijtrekkende leger gesmaad en gehoond had. Met het oog hierop nu profeteert Obadja, > dat de dag des Heeren nabij is (vs. 15), en dat, komt die dag, de wrake des Heeren gaan zal over alle de Heidenen", en dat deze wraake Gods hierin zal bestaan, dat aan Edom en aan de overige Heidensche volken overkomen zal, - wat zij zelven aan Israel misdaan hebben. Zie 't in vs. 15 > Zooals gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeeren«. In de tweede plaats zal, in tegenstelling hiermede, het lot van Israel heerlijk wezen. Israel, nu in de ballingschap bedrukt, zal weer vrij worden, en dan heet 't in vs. 17: »Maar op den berg Sion zal ontkoming wezen en hij zal eene heiligheid zijn, en die van 't huis Jacobs zullen hunne erfgoederen erfelijk bezitten." Deze toezegging wordt dan in vs. 18—20 uitgebreid tot al Israels afstammelingen. En dan komt er ten slotte, in de derde plaats, nog deze geheimzinnige toezegging bij: »En er zullen Heilanden op den berg Sion opkomen en het Koninkrijk zal des Heeren zijn." Saamgevat houdt

dit alzoo in, dat de ballingschap wordt te niet gedaan, dat de Heidenen dé wrake Gods zullen ondergaan van wat ze aan Israel misdeden, en dat, als Israel op Sion weer in eere en in heiligheid zal hersteld zijn, van Israel de zegen zal uitgaan die eens het Koninkrijk des Heeren in volle heerlijkheid zal doen schitteren. Dit nu zijn de grondgedachten, die ook in de overige kleine profeten gedurig terugkecrcn. Niet de enkele geloovige, het volk des Heeren wordt hier om zijn toekomst zalig gesproken, en v9orts wordt slechts schaduwachtig en zwak hierin aangeduid, dat het in de Voleinding alles uit zal loopen op de majesteit Gods, die de alles behecrschende macht zal zijn in het Koninkrijk van Messias.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 december 1915

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken