Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kinderen des Verbonds.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kinderen des Verbonds.

10 minuten leestijd

XVIII.

De ernst van het vraagstuk, dat hiermede aan de orde is gesteld, zal dus gevoeld worden. Het gaat hier niet-om een oude en reeds lang vergeten ketterij nog eens met de wapenen, aan het tuighuis onzer vaderen ontleend, te bestrijden, maar om ons zelf rekenschap te geven, op welke gronden we den kinderdoop handhaven. Want de argumenten door de tegenstanders van den kinderdoop aangevoerd, zijn waarlijk-niet zóó gemakkelijk en licht te wederleggen als menigeen wel meent. "Wie hier niet welgewapend ten strijde komt, moet tegenover deze handige polemisten al spoedig het onderspit delven. En wat vooral indruk maakt, is, dat ze, schijnbaar niet zonder grond, zich vooral op de Heilige Schrift beroepen. In het Nieuwe Testament, zeggen ze, is van den kinderdoop niet alleen nergens sprake, maar wordt deze veeleer uitdrukkelijk uitgesloten en verboden. Bij de instelling van den Christelijken doop heeft Christus met geen woord gewag gemaakt van het doopen van kinderen. Hij heeft zijn Apostelen gelast de volkeren te onderwijzen, of gelijk er letterlijk staat, tot zijn discipelen te maken, en hen, die door dat onderwijs tot discipelen gemaakt waren, te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes (Matth. 28 : 19). Alleen diegenen, die aldus door de Apostelen onderwezen = en door dit onderwijs tot discipelen van Christus waren gemaakt, mochten dus gedoopt worden, waaruit van zelf volgt, dat de doop niet aan kinderen mag bediend worden, want een klein kind kan immers niet onderwezen en nog veel minder tot een discipel van Christus worden gemaakt. Hetzelfde blijkt evenzeer uit. de parallelplaats bij Marcus 16 : 15 en 16. Ook hier gelast Christus wederom zijn Apostelen, eerst in heel de wereld heen te gaan om aan alle creaturen het Evangelie te prediken, en wordt daarna gezegd : »die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn', zal zalig worden". Vóór den doop gaat dus het geloof; wie het woord der Apostelen geloóvig aanneemt, wil Christus zeggen, en gedoopt wordt, die zal zalig worden. En waar bij een kind van geloof natuurlijk geen sprake kan wezen, daar mag een kind den doop dus niet ontvangen.

En waar nu uit de instelling van den doop • door Christus blijkt, dat aan den doop moet voorafgaan onderwijzing en prediking, en dat, als vrucht van deze onderwijzing, men eerst een discipel, een geloovige moet geworden zijn, voordat men den doop ontvangen kan, daar blijkt, dat - de Apostelen zich dan ook stipt aan dezej ordinantie van Christus gehouden hebben, i Reeds bij Johannes den Dooper is er geen sprake van, dat door hem kinderen gedoopt zijn; ér staat uitdrukkelijk, dat door hem gedcAipt werden degenen die tot hem kwamen 'belijdende hunne zonden (Matth. 3 : 6, Marcus 1 : 5), wat van geen kind kan gezegd worden. Van den doop der drie duizend op het Pinksterfeest wordt gezegd: die dan zijn woord (d. w. z. de prediking van den Apostel Petrus) gaarne ^aannamen, werden gedoopt (Hand. 2 : 41) en als de Moorman vraagt om gedoopt te worden, antwoordt Filippus: Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd" (Hand. 8 : 37). Zoo wordt uitdrukkelijk als voorwaarde vóór den doop gesteld, dat men eerst van harte moet gelooven, en de constante practijk der Apostelen is dan ook geweest, dat de doop alleen bediend werd aan volwassenen, die vooraf hun geloof hadden beleden (Hand. 8 : 12; 9 : 18; 10 : 47, 48; 18 : 8; 19 : 5; - 22 : 16) Wanneer ge er op wijst, dat toch in enkele gevallen vermeld wordt dat de Apostelen niet alleen deze volwassenen hebben gedoopt maar ook, gelijk er "uitdrukkelijk bijstaat, heel hun huis, zooals bijv. in het geval van Lydia de purperverkoopster (Hand. 16 : 15), den stokbewaarder te Philippi (Hand. 16 : 32) en Stephanas (I Cor. 1 : 16), onder welk „huis" dan toch ook de kinderen begrepen zijn, antwoordt men u, dat vcforeerst elk bewijs ontbreekt, dat in deze gezinnen nog kleine en onmondige kinderen aanwezig waren, en in de tweede plaats, dat uit het doopen van het gezin, gesteld zelfs, dat er zulke onmondige kirtderen waren, nog niet kan bewezen worden, dat ook deze onmondige kinderen dan den doop ontvangen hebben. Immers op andere plaatsen wordt evenzoo gezegd, dat iemand met heel zijn huisden den Heere geloofde (Joh. 4:53, Hand. 28:8) wat natuurlijk 'niet slaan kan op de onmondige kinderen, gesteld dat ze er waren, maar alleen op die kinderen, die tot jaren des onderscheids waren gekomen. Beroept ge er u 'ïp, dat Christus toch de kinderen tot zich geroepen, hen gezegend heeft en gezegd heeft, dat hunner het Koninkrijk der hemelen was (Matth. 19:24) dan antwoordt men u, dat .vooreerst hier van den doop geen sprake is en ook uit niets blijkt, dat Christus deze kinderen gedoopt heeft; en ten tweede, dat er niet staat, dat hunner, maar dat derzidken het Koninkrijk der hemelen is, wat niet anders zeggen wil, dan, gelijk Christus zelf op een andere plaats gezegd heeft: indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkéns, zoo zult gij in het Koninkrijk der Hemelen geenszins ingaan." (Matth. 18 : 3) Zegt ge, dat de Apostel Petrus toch verklaard heeft, dat de belofte des Heiligen Geestes hun (d. w. z. de Joden) én hunnen kinderen toekwam, dan wijst men er u op, dat er op volgt: n allen, die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roeen zal, waaruit duidelijk blijkt, dat de Apostel hier niet anders zeggen wil, dan dat de Heilige Geest ook aan de kinderen zal geschonken worden, wan­ néér 'ze - 'dèef--God den" ffeere^ijaarïöe"" geroepen - worden door de prediking des Woords, evenals dit hier gezegd wordt van de heidenen, die verre waren. Merkt ge voorts op, dat de Apostel Paulus in I Cor. 7 : 14 toch uitdrukkelijk zegt, dat de kinderen der géloovigen heilig zijn, dan antwoordt men u, dat vlak voorafgaat, dat ook de man van zulk een geloovige vrouw, al was hij een heiden, door zijn geloovige vrouw geheiligd is, en indien ge op grond van dit „heilig zijn" der kinderen voor hen den doop eischt, dan moet ge evenzoo zulk een ongeloovigen man doopen, want deze is immers ook door zijne vrouw »geheiligd*. En beroept ge u eindelijk op het Oude Testament, waar God de Heere zelf bevolen heeft, toen Hij het Verbond met Abraham oprichtte, dat het teeken van dit verbond, de besnijdenis, niet alleen aan Abraham zelf, maar ook aan de kinderen uit hem geboren, moest gegeven worden (Genesis 17) dan antwoordt .men u, dat dit zeer zeker de ordinantie Gods onder het Oude Verbond geweest is, maar dat dit Oude Verbond door de komst van Christus is afgeschaft en nu'door een Nieuw Verbond is vervangen, gelijk de Apostel in Hebreeën 8 verklaart, en dat, waar in dit Nieuwe Verbond Christus óns ook een nieuw teeken, ' den doop, geeft, bij de instelling van dit teeken met geen woord sprake is van het bedienen van dit sacrament aan de kinderen. Ware het Gods bedoeling geweest, zegt men, dat dit nieuwe teeken ook aan de kinderen - zou gegeven worden, dan had Hij dit even duidelijk en stellig als bij de instelling van het teeken des Ouden Verbonds moeten verklaren. Het Kieuwe Verbond, merkt men voorts op, is juist daarin van het Oude onderscheiden, dat dit verbond bij Abraham een volksverbond was, want heel Israël moest worden besneden, omdat het uit Abraham was geboren, gelijk ook heel Israël het Pascha vieren moest, tot de kleine kinderen incluis. De vleeschelijke afstamming uit Abraham besliste of men tot dit verbond behoorde. Maar met het Nieuwe Verbond wordt deze vleeschelijke afstamming juist te niet gedaan; »in Christus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel« (Gal. 6 : 15). Daarom mag het teeken des verbonds nu ook niet meer naar de vleeschelijke afstamming worden uitgedeeld, maar alleen aan degenen, die een nieuw schepsel in Christus geworden zijn, d.w.z. aan volwassenen, die wedergeboren en tot geloof zijn gekomen. Bovendien, zegt men, zijt ge zelf inconsequent. Immers waar onder het Oude Verbond niet alleen de Besnijdenis, maar evengoed het Pascha aan de kinderen moest uitgedeeld worden, met-welk recht sluit ge dan, indien de ordinantie van dit Verbond ook voor onze kinderen geldt, die kinderen van het Avondmaal uit?

En na zoo elk argument uit de Schrift, dat ge voor den kinderdoop zoudt willen aanvoeren, u uit de handen te hebben geslagen, wijst men er ten slotte op, dat ook in de oudfc Christelijke' Kerk, toen ze nog het zuiverst was en 't dichtst bij het tijdvak der Apostelen stond, van zulk een kinderdoop geen sprake is geweest. Noch bij de Apostolische vaderen noch bij de Apologeten vindt ge van den kinderdoop een spoor. In de leer der twaalf Apostelen, de oudste liturgie der Christelijke Kerk die we hebben, en waarin uitvoerig over de bediening van den doop gesproken wordt, *wordt van den kinderdoop geen woord gerept. Justinus Martyr, die in het midden der tweede eeuw leefde, en die eveneens uitvoerig over de doopsbediening in zijn tijd handelt, spreekt alleen over den doop der volwassenen. Tertullianus, de kloeke kampioen voor het Christendom in het begin der 3e eeuw, bestrijdt zelfs uitdrukkelijk den doop der kinderen; Eerst in de derde eeuw, zegt men, is de kinderdoop allengs binnen gedrongen in de Christelijke Kerk, en de oorzaken daarvan zijn niet moeilijk aan te wijzen. Toen reeds was men begonnen om aan den doop een magische kracht toe te kennen om de zonde te vergeven en iemand weder te baren. Daardoor kwam men er van zelf toe, dezen doop nu ook aan onmondige kinderen te gaan bedienen. Men had eerst het karakter van het Sacrament vervalscht, en uit die vervalsching van den Doop is toen de kinderdoop als wrange vrucht van zelf voortgekomen. En het is daarom wel diep te betreuren, dat toen de Hervormers in de XVI eeuw naar Gods Woord al de ingeslopen misbruiken der Roomsche Kerk hebben afgeschaft, ze helaas inconsequent genoeg geweest zijn om den kinderdoop te behouden, waarmede zij eigenlijk geen raad hebben geweten; want wat deze kinderdoop beteekent, kan niemandhunner u zeggen. Volgens uw-eigen Catechismus werkt God het geloof door de verkondiging van het Woord en dient het Sacrament om het aldus gewerkte geloof te versterken. Dat is 'echt Bijbelsche taal, maar daardoor wordt dan ook wie den doop aan onmondige kinderen bedient, geoordeeld, want een geloof dat er niet is, kan niet gesterkt worden. Rome heeft nog een grond voor den kinderdoop, omdat volgens haar de doop de vergiffenis der zonde en de wedergeboorte schenkt, en daarom een kind zoo spoedig mogelijk deze weldaden deelachtig moet worden; maar een Gereformeerde die dit bestrijdt en ontkent, en in den doop alleen een zichtbaar teeken ziet om de genade Gods ons te beter voor oogen te stellen, handelt toch al zeer dwaas met dien doop aan kinderen te bedienen, die van dien doop immers niets bespeuren kunnen en voor wie deze doop dus nooit een teeken van Gods genade kan zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 januari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

De kinderen des Verbonds.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 januari 1916

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken