Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kinderen des Verbonds.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kinderen des Verbonds.

11 minuten leestijd

XXXVII.

Zoo is het genadeverbond, dat God de Heere met Abraham en zijn zaad heeft opgericht, door Christus komst niet te niet gedaan, maar veeleer gehandhaafd en bevestigd. En wel in tweeërlei opzicht. Vooreerst daardoor, dat, al noemt Christus dit genadeverbond nergens uitdrukkelijk, het toch den achtergrond - vormt van heel zijn optreden en prediking onder Israël. Zoolang Israël Hem nog niet verworpen heeft, blijft Hij Israël als bondsvolk Gods erkennen. Daarom komt Hij tot Israël als tot de Zijnen (Joh. 1 : dl); Hij zendt zijne discipelen uit niet naar de Samaritanen of heidenen, maar naar de verlorene schapen van het huis Israels; en zelfs de tollenaren en zondaren in Israël zoekt Hij met ontfermende liefde, nademaal ook zij «zonen van Abrahams zijn. En in de tweede plaats, doordat Hij het verbondsvoorrecht van de kinderen uit Israël geboren, erkent en deze kinderkens niet buiten' het Koninkrijk der hemelen sluit, dat Hij stichten komt, maar hen zegent en verklaart, dat juist hunner dit Koninkrijk is.

Maar al heeft Christus tijdens zijn omwandeling op aarde dit verbondsvoorrecht van Israel erkend en gehandhaafd. Hij hëèft tevens voorzegd, dat dit niet aldus blijven zou. Christus was ook voor Israel tot een val of een opstanding gesteld. Nam het Hem als Messias aan, het zoii bevestigd worden, verwierp het Hem, dan zou het zelf verworpen worden. En naarmate de spanning tusschen Israel én Christus toenam, omdat Israel weigerde in Hem te gelooven, voorzegt Christus al duidelijker, dat Israel zijn plaats in het genadeverbond verliezen zal. De bruiloftsgasten, die oorspronkelijk 'genoodigd waren tot den maaltijd, maar weigeren te konten, zullen hun plaats door anderen zien innemen (Matth. 22 : 1—^8; Luc. 14 : 16—24); de landlieden, die den zoon en erfgenaam zullen dooden, zullen zelf buitengeworpen en de wijngaard aan anderen worden gegeven (Luc. 20:9---16); of zonder beeldspraak: de kinderen des Koninkrijks zullen buitengevvorpen worden en velen zullen komen Van Oosten en Westen om met Abraham, Izak en Jakob aan te zitten in het Koninkrijk der hemelen« (Matth.' 8 : 11 en 12). Als de Heere Jezus voor 't laatst naar Jerusalem opgaat, zegt .hij weenend : «Jerusalem, hoe dikwijls heb, ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, maar gij hebt niet gewild. Uw huis worde' u woest gelaten« (Matth. 23 : 38). Israel zielf had het uitgeroepen: Zijn bloed Irome over OB-S en onsé kinderene (Matth. 27 : 25) en daarom zegt Christus tot de weenende vrouwen van Jerusalem : * weent niet aver mij, maar weent over u zelven en over uwe kinderen; want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden ? (Luc. 23 : 28—31). De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, zou op hen' zelf vallen en hen verpletteren (Luk. 20 : 18).

Zoo is dan naar luid van Christus eigen vt'oord het koninkrijk Gods van Israel weggenomen (Matth. 21:43), maar al valt Israel uit het genadeverbond uit, het genadeverbond zelf wordt daarom niette niet gedaan; de wijngaard blijft, maar wordt aan anderen gegeven. In plaats van het . vleeschelijke Israel, dat verworpen wordt, treedt nu als drager van dit verbond op het geestelijke Israel, d. w. z. de gemeente van Christus, die uit alle volkeren, tongen en natiën zal vergaderd worden. Zoo wordt, gelijk de Apostel Paulus zegt, de verwerping van Israel de verzoening der wereld; de natuurlijke takken virorden wegens hun ongeloof afgehouwen om plaats te maken voor de wilde takken, d. w. z. de geroepenen uit de heidenen (Rom. 11 : 17^21). Maar de olijfboom, die de natuurlijke takken voortbracht en droeg, wordt niet uitgehouwen, maar blijft, want de wilde takken vvorden op dezen zelfden olijfboom ingeënt en worden daardoor »deszelfs wortel en vettigheid deelachtig« (vs. 17). De wortel, waaruit Israel was opgeschoten, nu was Abraham, en wanneer de Apostel zegt, dat deze wortel thans de wilde takken draagt (vs. 16) dan wil dit zeggen, dat nu Abraham onze vader is geworden en wij de ware kinderen van Abraham zijn. Het ware zaad Abrahams zijn nu niet meer de loden, maar zij die in Christus gelooven, zegt de Apostel in Gal. 3 : 29, en zij zijn naar de beloftenis erfgenamen geworden. Daarom hebben zij ook deel aan de ».vettigheid des .olijfbooms», d. w. z. aan de voorrechten en beloften, die aan Abraham en zijn zaad waren geschonken. En waar deze beloften niet alleen aan de volwassen Israëlieten waren gegeven, maar ook aan hun kinderen, zoo volgt hieruit, dat deze zelfde beloften thans gelden voor onze kinderen, die nu de «kinderen des verbonds» geworden zijn. Zoo verklaart de Apostel, dat waar »de wortel heilig is, ook de takken heilig zijn.» (Rom, 11:16) en noemt hij daarom de kinderen der geloovigen : > heilig« (I C'or. 7 : 14) evenals onder Israel v.ui !ipt ^heilige zaad« werd gesproken.

Eii (ial metterdaad ook onder de nieuwe

•jmmmitmm bedeeling van het genadeverbond, die met de uitstorting des Heiligen Geestes en de stichting van Christus' gemeente aanvangt, de belofte Gods voor de kinderen desverbonds gelden blijft, heeft de Apostel^ Petrus, zelf op den Pinksterdag uitdrukkelijk verklaard, toen hij zeide: want u komt de belofte toe en uwen kinderene. (Hand. 2 : 39). Wat de Apostel met deze belofte bedoeld heeft, kan niet twijfelachtig wezen, want hij had vlak te voren gezegd: bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangene (vs. 38). Wanneer hij terstond daarop nü volgen laat: want.« komt de belofte toe", dan dient dit om hen te vergewissen, dat zij deel zouden krijgen aan de »gave des Heiligen Geestes" en moet deze belofte daarom in verband staan met de uitstorting des Heiligen Geestes. Het schijnt daarom in dit verband genomen juister, bij deze belofte niet zoo zeer te denken aan de belofte, die bij de verbondssluiting met Abraham en zijn zaad geschonken was (Gen. 17:4—8), maar aan de belofte, die bepaaldelijk op de uitstorting des Heiligen Geestes zag en waarop de Apostel in het begin van zijn Pinksterrede reeds had . gewezen, nl. de profetie door Joel gegeven : shet zal geschieden in het laatste der dagen, zegt God de Heere, dat ik van mijnen Geest zal uitstorten op alle vleesch" (Joel 2 : 26). Zoo laat het zich volkomen verklaren^ waarom de Apostel er aan toevoegt, dat deze belofte evenzeer aan hunne kinderen toekwam, want Joel had aan deze profetie van de uitstorting des Geestes over alle vleesch immers toegevoegd, dat ook . »hunne zonen en dochteren profeteeren zouden", wat in de Oud-Testamentische taal wilde zeggen, dat ook zij den Geest ontvangen zouden. Het profeteeren toch was een teeken, dat de Geest op iemand gevallen was, zooals blijkt uit Num. 11 : 25, 26. Trouwens, deze profetie van Joel was niet de eenige, waardoor deze belofte aan de kinderen geschonken was. Ook bij Jesaja lezen we immers dezelfde belofte: Ik zal mijnen > Geest uitgieten op uw zaad en mijnen zegen op uwe nakomelingen* (Jes. 44 : . 3 verg. ook Jes. S9 : 21).

- Nu is het zeker waar, dat de Apostel Petrus deze belofte in de eerste plaats heeft toegekend aan de Joden, die op den Pinksterdag'' waren saamgekomen in den tempel, want er gaat vooraf in vs. 36: zoo . wete dan zekerlijk h& tgansvhe huis Israels, dat God hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, n.l. dezen Jezus, dien gij liebt gekruist" en dit kon natuurlijk alleen van de Joden te Jerusalem gezegd worden. Toch wil dit daarom volstrekt niet zeggen, dat deze belofte alleen aan de Joden toekwam, of aan de Joden als zoodanig, die veeleer door des zware schuld van de Messias-verwerping onder het oordeel Gods lagen, Vooreerst kan dat niet, omdat de schare, tot wie de Apostel sprak, niet alleen uit Joden bestond, maar ook uit Jodengenooten, proselieten uit alle deelen der wereld, die naar Jerusalem v/aren opgegaan om het Pinksterfeest te vieren, en diq^ deApostelen een iegelijk in hun eigen taal de groote werken Gods hoorden verkondigen (vs. 11); en er is geen enkele reden, waarom de Apostel deze uitlanders hier buiten zou sluiten. In de tweede plaats verbindt de Apostel deze belofte aan een ' voorwaarde; eerst wanneer zij tot bekeering komen van hunne schrikkelijke zonde, zich dbopen laten in den naam van Jesus Christus en daarbij hun geloof in Christus belijden, zal de gave des Heiligen Geestes hun geschonken worden. Door dien doop nu •werden zij uit het Jodendom losgemaakt : en ingelijfd in de Christelijke gemeente, : zooals dan ook in vs. 31 staat, dat degenen, die Petrus' woord gaarne hoorden, gedoopt werden en op dien dag drie duizend tot hen, d. w. z. tot de gemeente, werden toegedaan. Niet als Joden kwam hun dus de belofte toe, maar juist omgekeerd, voorzoover zij met het Jodendom breken zouden en tot de gemeente van Christus overgaan. En in de derde plaats, de Apostel zelf voegt er aan toe, om elke gedachte af te snijden alsof dit alleen voor de Joden zou gelden, dat de belofte evenzeer ook toekwam aan »allen, die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal«. Dat hiermede niet bedoeld zijn de Joden, die toevallig niet op dit Pinksterfeest mede waren opgegaan, maar de heidenen, is niet twijfelachtig. Want wel hebben sommige uitleggers deze woorden op de Joden in de verstooiïng laten slaan, maar dit geschiedde, omdat men niet aannemen wilde, dat de Apostelen toen reeds aan de roeping der heidenen geloofden ; eerst later zou die roeping hun duidelijk geworden zijn. Nu is het zeker waar, dat toen de Apostel Petrus later voor het feit kwam te staan, dat, ook de heidenen geroepen en in de Christelijke gemeente ingelijfd zouden worden, dit hem strijd heeft gekost en een bijzondere openbaring Gods noodig is geweest om hem te leeren, dat de smensch niet gemeen mag maken, wat God gereinigd heeft«. (Hand. 10:15) Maar men vergete niet, dat de Apostel Petrus hier op den Pinksterdag sprak niet uit zich zelf, maar »verguld zijnde met den Heiligen Geest"; dat Christus zelf reeds lang van te voren de roeping der heidenen geprofeteerd had, en dat Hij vóór zijn hemelvaart uitdrukkelijk aan zijn Apostelen gelast had het Evangelie te prediken aan alle creaturen, en alle volkeren tot zijn discipelen te maken. En wat alles af doet, de .uitdrukking «degenen die verre zijn«, wordt 'dan niet alleen in het Oude Testament (Jes. 5:19 Zach. 6:15) maar ook in het Nieuwe Testament door den Apostel Paulus gebruikt om de .heidenen aan te duiden, want de Apostel schrijft aan de heidenen te Efese: t^^v^, die eertijds verre • waart, zijt nu nabij geworden door het bloed van Christus" (Ef. 2 : 13). Trouwens, de belofte zelve, waarop de Apostel Petrus hier doelde, wijst dit uit; want God de Heere had beloofd, dat Hij zijnen Geest zou uitstorten — niet, alleen over Israel — maar over alle vleesch. Dat de Apostel, waar hij-hier verkondigt, dat die belofte ook aan de heidenen toekomt, er bijvoegt: ; ÖÖvelen als er God de Heere toe roepen zal, is juist, omdat deze roeping wel reeds tot de Joden, maar nog niet tot de heidenen was uitgegaan; daarom behoefde dit bij de Joden niet uitdrukkelijk er bij gezegd te worden. Maar er ligt tevens een beperking in; evenmin als elke Jood deel had aan deze belofte, maar alleen zij, die op de roepstem Gods zich bekeerden en doopen lieten, zoo kwam deze belofte ook alleen toe aan die heidenen, die door God 'den Heere geroepen zouden worden, en op die roepstem tot bekeering , zouden komen. Want, dat was zoowel voor den Jood als voor den heiden de voorwaarde om deel aan deze belofte te verkrijgen.

Maar voor deze geloovig geworden heidenen geldt dan ook volkomen dezelfde belofte als aan de tot bekeering gekomen Joden geschonken wordt, want de Apostel maakt geen onderscheid tusschen beide. Vandaar dat deze . belofte dan ook niet alleen voor hen zelf geldt, maar gelijk bij de'Joden evenzeer voor hunne kinderen. Dat de Apostel dit laatste 'er niet uitdrukkelijk bij zegt, wanneer hij van de roeping der heidenen spreekt, is omdat dit immers van zelf sprak. - De belofte door Joel gegeven, gold niet alleen voor de ouders, maar ook voor de zonen en dochteren, en deze belofte, zegt Petrus, komt nu ook aan de heidenen toe. Het zou bovendien in strijd zijn met heel»de openbaring in het Nieuwe Testament ons gegeven, wanneer men ten opzichte van deze belofte een onderscheid zou willen stellen tusschen de kinderen.der Joden en de kinderen der heidenen. In Christus is noch Jood noch Griek, noch besnijdenis noch voorhuid; de heidenen, die eerst verre waren, maar nu nabij zijn geworden, zijn mede-erfgenamen geworden van de »verbonden 'der belofte* (VA. i: \T) en deze verbondsbelofte geldt daarom evengoed ook voor hun zaad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juni 1916

De Heraut | 4 Pagina's

De kinderen des Verbonds.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juni 1916

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken