Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Voleinding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Voleinding.

20 minuten leestijd

CCLXXI.

ACHTSTE REEKS.

XVI.

En de zevende engel goot zijne phiool uit in ïe lucht; en er kwam eene groote stemme uit den tempel des Hemels, van den troon, zeggende: et is geschied. Openb. XVI : 17.

We komen thans aan de zeven Phiolen toe, en het is in de uitgieting van deze Phiolen dat het einde van het historisch verloop bereikt wordt. Wel toch volgt er op deze zeven Phiolen nog een veelzijdig gebeuren, doch dit vormt geen - deel meer van de aardsche historie. Als de zevende Engel de laatste Phiool heeft uitgegoten, zoo lezen we in vs. 17, kwam er een groote stem uit den tempel, die in den hemel is, en alzoo van den Troon van Gods majesteit, en die hemelsche stem riep uit: > Het is geschiedt.; iets wat natuurlijk zeggen wil, dat het historische verloop zijn eindpaal bereikt heeft, en dat alsnu het einde en daarmede de Voleinding ingaat. Het woord Phiool doet hier veelal vreemd aan, omdat 't op den klank af aan een viool doet denken, en in de beteekenis van drinkschaal slechts aan weinigen bekend is. De apothekers kennen het meer van nabij, omdat een phiool bij hen een soort drinkschaal is. Het' woord is bij ons uit het Fransch gekomen. In de Fransche Bijbelvertaling van Osterwald is er coupe voor in de plaats gesteld, maar in het Engelsch staat er nog viol, een woord dat van gelijken oorsprong is als phiool. Dit woord toch is uit het GrieUsch herkomst^, en schijnt daar met pinein, dat drinken beteekent, ethymologisch in verband te staan. Zoo althans oordeelt Rabe in het tweede deel van zijn bekend woordenboek. Daar nu het Engelsche viol en het Fransche viole oi fiole van gelijken oorsprong is, blijkt dat 't woord bij ons uit het Fransch is overgekomen, en dat deswege niet de vorm phiaal, maar phiool bij ons ingang vond. De Duitschers, en zoo ook Kliefoth, spreken liefst van schaal, terwijl in het Latijn de uitdrukking phiala doorging. Er is dan oók geen noodzakelijkheid, om 't woord phiool in onze Nederlandsche overzetting in schaali& veranderen. Dit zou nog geraden kunnen zijn, indien er hier sprake van was, dat uit & & ZQphiolen zou gedronken worden. Doch dit is juist niet het geval. Deze zeven phiolen zijn schalen die gevuld worden met den toorn Gods, en die nu door de zeven engelen worden uitgegoten. Het i$ uit dien hoofde, dat de uitdrukking drinkschaal hier niet op haar plaats zou zijn. Al moet dan ook toegegeven^, dat de zegswijze Phiool den meesten lezers eenigszins vreemd aandoet, toch gaat men 't' veiligst met zich aan deze uitdrukking te houden. Het is dan een eenigszins meer v/ijde dan diepe schaal, waarin de toorn Gods was opgenomen, en het is uit deze phiool of schaal, dat, tot zeven malen toe, de toorn Gods te voorschijn kwam, doordat de zeven Engelen achter elkaar er den inhoud van uitgoten op de aarde, op de zee, op de fonteinen en in de lucht.

Nu lette men er op, hoe deze Phiolen, evenals de Zegelen en de Bazuinen, weer in 't volle getal voorkomen. Bij alle drie toch is het zevental-maatgevend, en op het volle zevental wordt niets afgedongen. Hierop moet nadruk gelegd, omdat zulks met de Engelen in het 14e hoofdstuk, en in 't slot van de Openbaringen, niet zóó het geval bleek te zijn. In die beide hemelsche gezichten blijft 't getal op zes staan, en voegt zich bij dit zestal als zevende eenheid de Christus zelf. Wijl deze gezichten in den hemel zich toonen, treedt de Christus, de eene maal als 't Lam, en de andere maal als der koningen Koning, zelf op den voorgrond, en is hij van zijn Engelen omringd en door zijn Engelen gediend. Bij de Phiolen daarentegen treden de Engelen als een eigen groep zelfstandig op, en wordt hun zevental ongeschonden gelaten, juist ter aanduiding dat zij in het historisch verloop, dat ons hier geteekend wordt, een geheel eigen po.sitie innemen. Wel moet erkend, dat de gezichten in hoofdstuk XIV, die ons den Christus vertoonen met een zestal Engelen, in verband staan met wat de Engelen der Phiolen ons vertoonen, maar toch beschikken beiden over eigen zelfstandigheid. Eerst wordt ons in hoofdstuk XIV, als we zoo mogen zeggen, het hemelsch voorspel te aanschouwen gegeven, en eerst nadat dit voleind is, wordt wat hier slechts voorspel was, werkelijkheid. In het hemelsch voorspel ging 't al voor den blik der Engelen voorbij, wat straks in de realiteit komende was, maar van de realiteit zelve, gelijk deze zich op aarde aan het firmament zou openbaren, komt de naarbuitentreding eerst in het 16e hoofdstuk, en aldus openbaarde zich het stuk eindhistorie, dat in de zeven Phiolen van God besteld was.

Op de vizioenen, die het 14e kapittel ons biedt, behoeft bij het bespreken van de zeven Phiolen niet te worden teruggegaan. Die vizioenen in hoofdstuk XIV geven toch niets nieuws, maar geheel 'tzelfde, wat vlak daarop in hoofdstuk XV en XVI in geregeld verloop ons wordt voorgehouden. Het verschil is alleen, dat de vizioenen in het XlVe kapittel de gezichten zijn, gelijk ze in de Engelenwereld daarboven vooruit genoten werden. Er bestaat uiteraard een principieel onderscheid tusschen hetgeen de Engelen in hun Engelenwereld als ware 't vooruitzien, en hetgeen conform hun vooruitzien straks op aarde of in het firmament te gebeuren-staat. Nu nemen de Engelen daarboven geen kennis van wat op aarde geschiedt, als van iets nieuws, dat hun vooraf geheel vreemd en onbekend was gebleven. In de werelql daarboven, waarin de Christus met zijn Engelen verkeert, wordt wat te komen en te gebeuren staat, vooraf niet gegist, maar als in beeld gezien. Misschien is het 't duidelijkst, zoo men hier de vergelijking met een droomgezicht bezigt. In zulk een droom kunnen we 's nachts iets doorleven, dat straks als de dag aanbreekt, of enkele dagen later, metterdaad komt te gebeuren. In zulk een droom is 't dan of we het reeds doorleefden. Straks bij het ontwaken geven we er ons rekenschap van, dat 't slechts een droom was, maar terwijl we op onze legerstede in den droom verkeeren, doorleven we een gewaarwording alsof 't alles werkelijkheid ware. 's Morgens bij 't ontwaken weten we uit een enkelen droom ons zelfs de personen levendig voor te stellen met wie we in aanraking kwamen, en zijn we een enkel maal zelfs in staat, nog na te vertellen wat deze of gene tot ons sprak.

Zulk een droomleven nu wordt in de Heilige Schrift meer dan eens gebezigd, om van Godswege iets aan te zeggen of een ramp te voorkomen. Denk slechts aan den droom van Jozef, waarin hem bevolen werd aanstonds met Maria en het Kindeke Jezus naar Egype te vluchten, daar Herodes het op Jezus leven toelegde. Men vergist zich dan ook ten eenenmale, indien men aan het droomleven alle wezenlijke beteenis ontzegt. Het droomen is een wondere gave, die we niet bij geval bezitten, maar die God ons geschonken heeft, en het is God zelf die herhaaldelijk van deze wondere gave gebruik heeft gemaakt, om wat geweten moest worden, op zekere en vaste wijze, en bijtijds, ter kennisse te brengen. Wat van Swedenborg ter onzer kennisse kwam, en waarop ik reeds vroeger wees, hangt hiermee ongetwijfeld saam ; en 't blijkt steeds meer, ook in verband met het Hypnotisme, hoe zelfs wij menschen aanleg en gaven bezitten, om in ons schetsend leven als reëel te doorleven, wat toch feitelijk buiten wat wij de realiteit noemen omgaat. Is dit nu reeds bij ons menschen zoo, dan behoeft het wel geen nader betoog, hoe deze gave nog veel sterker aanwezig is bij de geesten in de ongeziene wereld daarboven. Zij 't nu daargelaten of ook de gestorvenen die reeds in het Vaderhuis ingingen, ten deze tot veel hooger realiteit geraken, dan wij hier op aarde, in elk geval zal-wel, vast staan, dat de Engelen in hun leven daarboven door hun geheiligde verbeelding veel meer zich kunnen voorstellen, dan 't ons gegeven is. Van den Christus geldt dit natuurlijk nog veel sterker, en in-verband hiermede zij er op gewezen, hoe in Openb. XIV onder de Engelen het Lam Gods zelf optreedt, en dat zulks zich later, na de gezichten der Phiolen, evenzoo herhaalt. Het scherpe onderscheid, ja, de tegenstelling tusschen het heden en wat komen zal, bestaat voor hen gelijk voor ons op aarde. Aangenomen mag daarom worden, dat in deze. hooge sferen vooruit veel gezien, gekend en als in verbeelding doorleefd wordt, wat op aarde eerst daarna en in een latere periode realiteit wordt. Er ligt daarom niets raadselachtigs, noch onverklaarbaars in, dat de Christus met zijn Engelen daarboven reeds in de geheiligde voorstelling dit alles doorleefd heeft, eer het er toe kwam, wat straks in de Phiolen zou verwerkelijkt worden. Vandaar dan ook dat eerst in kapittel XIV dit alles ons ter kennisse wordt gebracht als in de voorstelling en de verbeelding der hemelsche geesten reeds aanwezig, wat toch in kapittel XV en XVI blijkt, eerst daarna op aarde gerealiseerd te zijn. Hier­ uit . vloeit dan vanzelf voort; dat de Christus met zijn Engelen daarboven reeds vooruit als doorleefdf.n, wat toch eerst daarna op aard»; "•"'. verwezenlijken zou. De vraag blijft dan ook alleen, waarom juist hier eerst getoond wordt wat daarboven als in heilige verrukking doorleefd werd, om 't vlak daarop in zijn aardsche realiteit te laten uitkomen, terwijl toch geheel 'tzelfde ook bij de Bazuinen geldt, zonder dat er daarbij melding van werd gemaakt. Stellen we daarom hier voor alle dingen de vraag, wat de beweegreden was, dat juist hier eerst het verbeeldend leven uit den hemel, en daarna het reeële leven op deze aarde, inzake geheel hetzelfde gebeuren, te onzer kennisse wordt gebracht.

Bij de beantwoording van deze vraag moet voor ons vast staan, dat even als hier bij de Phiolen, zoo ook vroeger bij de Zegelen en de Bazuinen, in den hemel daarboven werd meegeleefd met wat op aarde zou plaats grijpeu. Men verlieze hier vooral de zoo aantrekkelijke verklaring in 1 Cor. XIII : 12 niet uit het oog. Daar toch wordt uitgesproken, dat we, tijdens ons leven op deze aarde, het bestel Gods in alle machtig gebeuren niet reëel, maar als in een spiegel-waarnemen, zoodat 't alles op ons eeri min helderen, veeleer een duisteren indruk maakt. Doch, zoo volgt er dar, in het leven daarboven zal dit niet meer alzoo zijn. Dan toch zullen we zien aangezicht tot aangezicht; hier kennen we nog slechts ten deele, maar aan de overzijde van 't graf, in 't eeuwige feven, zullen we klaar en helder 't al doorzien e.n kennen, gelijk we ook gekend zijn. Geldt dit voor ons, na ons sterven, althans voorz-oveel we in waarachtig geloof ears d, j./'^ee: t zallen gevon, dan geldt dit uiteraard ook voor de Engelen, kortom voor heel het hemelsche leven. De donkerheid en duisternis, die hier nog op ons inzicht en onze gewaarwording drukt, valt dan weg, en onze kennis zal alzijdig en helder zijn..

Hierop moet volle nadruk gelegd. Veelal toch verkeert men in den waan, dat 't wel op aarde, onder de kinderen der menschen, een druk-en in alles zich roerend leven is, doch dat er aan de andere zijde van 't graf niet anders is dan een plechtige stilte, slechts door den lofzang der Engelen afgewisseld. Dit nu is een ten eenenmale onjuiste voorstelling. De Christus, de Engelen en de gezaligden uit de kinderen der' menschen leiden niet eerst na de Voleinding, maar nu reeds, in het Vaderhuis, een rijk, in alles zich bewegend en met alles meelevend bestaan. Niet alleen toch dat de Zone Gods zijn hoogepricsterlijk en koninklijk werk steeds voortzet, maar hij leeft ook met de Engelen en de> gezaligden daarboven in gestadige gemeenschap. Natuurlijk is het uiterst moeilijk voor ons, om ons van het samenzijn in het Vaderhuis een klare voorstelling te vormen, maar zooveel staat dan toch wel vast, dat er in het Vaderhuis een verkeer plaats grijpt, dat de Christus met zijn Engelen en Verlosten onderhoudt, en het is hieruit dat het anders zoo onverklaarbare 14e kapittel van de Apocalypse moet verklaard worden. Het vreemde in dit kapittel heeft steeds tot uiterst bedenkelijke verklaringen en uitleggingen verleid. Zie 't maar in wat onze Staten o verzetters op het zesde vers aanteekenden. Daar toch vatten zij de woorden in zulk een zin op, dat er wel van Engelen gesproken wordt, doch dat geen wezenlijke Engelen bedoeld zijn, maar veeleer geloovige personen hier op aarde, die ons dan om hun hooge positie als Engelen worden voorgesteld. Zoo toch staat er in de noot op no. 16: gt; Door deze Engelen worden dan verstaan de getrouwe getuigen van Christus en leeraars van het Evangelie, die toen het Anti-christendom nu op het hoogste was, begonnen hebben de wereld daartegen openbaarlijk te waarschuwen» De willekeur van deze uitlegging nu springt in 't oog. Tot zes malen toe wordt van het optreden van een Engel gewag gemaakt, en wel als van eeri Engel die de geheimenissen der toekomst kent, en ze uitspreekt. En dit wordt nu alles als pure vorm van uitdrukking uitgelegd en verstaan als het optreden van menschelijke getuigen op aarde. Nu is het volkomen waar, dat in Openb. 1 : 20 ook de Leeraars der zeven Gemeenten als Engelen worden voorgesteld, »De zeven sterren, zoo toch staat er, zijn de Engelen der zeven Gemeenten*, doch dit vindt zijn verklaring in de tweevoudige beteekenis van hetGrieksche woord: ngelos. Dit toch beteekent zoowel engel als bode. Van zulk een opvatting kan hier echter geen oogenblik sprake zijn. Het hier ons voorgestelde toch heeft niet op aarde, maar in den hemel plaats, en het is juist in hun qualiteit van Engelen Gods dat hier deze zes geesten optreden.

Tot gereede verklaring van Openb. XIV komt ge daarom dan eerst, als ge 't hier ons voorgehoudene verstaat van het samenzijn van den Christus met zijn Engelen in het Vaderhuis, De Christus, zoowel als de Engelen die hem omringen, verkeeren hier in voortdurende gemeenschap met de Kerk op aarde. Zij zijn niet slechts getuigen van wat op aarde geschiedt, maar leiden van uit den hemel het leven van Gods Kerk op aarde, Christus zoowel als de Engelen zijn dan ook gestadig met het leven van zijn Kerk op aarde bezig. Zij merken er niet alleen op, maar zij werken er op in. Wat eerst in de toekomst op aarde gebeuren zal, leeft nu reeds voor hen op, en zij bevorderen er de komst van. Daarboven in den hemel wordt al wat straks op aarde gebeuren zal, reeds als vooruit bereid, gereed gemaakt en toegerust, en zoowel de Christus als zijn Engelen leven er reeds in, eer het nog op aarde tot stand komt. Bij die opvatting nu wordt geheel dit XlVe hoofdstuk ons duidelijk. Het verplaatst ons daarboven, het doet ons als ingaan in het Vaderhuis, en getuigen zijn van de saamleving tusschen Jezus en zijn Engelen en Getrouwen, Vandaar dat er niet zeven Engelen optreden, maar dat de Christus zelf eerst optreedt, en dat nu als in saamspreking en saamwerking met den Christus, uit zijn onmiddellijke omgeving de ëéne Engel voor, en de andere Engel na in actie komt, ea ons als voorspiegelt wat te gebeuren staat. Het kapittel verplaatst ons in het heilig gezelschap daarboven. In dat gezelschap is de Christus de hoofdpersoon en de leider. Vandaar dat in vs, 1—S eerst op hem wordt gewezen, op hem alle aandacht wordt saamgetrokken, en als eeniglijk van hem wordt gehandeld. Maar daarna komt ook het gezelschap dèr Engelen aan 't woord. Nu deze, dan gene. Achtereenvolgens neemt Engel na Engel het woord. En aldus komt in dit heilig gezelschap de volle toedracht tot uiting van wat straks op aarde te gebeuren staat. Zoo als in een gewoon gezelschap nu eens deze en dan weer gene het woord neemt, en toch allen saam onder "de leiding van den allen bezielenden leider saamspreken, zoo is 't ook hier. Eerst treedt het Lam Gods hier op, en wel in zijn hoogepriesterlijke gestalte, en dit optreden van den Christus geeft als van zelf aan de Engelen aanleiding om als vooruit in te leven in' wat te gebeuren staat, en hierover hun vergezicht uit te spreken. Zij staan er niet vreemd voor, maar weten en zien wat te komen staat. Hieraan nu geeft de ééne Engel na den anderen uiting, en zoo - verklaart het zich ten volle, hoe 't hier telkens heet: »Ik zag een anderen Engel«. »En een andere Engel kwam uit den tempeU, > En een andere Engel kwam van het altaar». Het is het bezige gebeuren in den hemel daarboven, dat ons alzijdig wordt medegedeeld. En de ééne Engel voor en de andere Engel na treden te voorschijn, om elk op zijn beurt, hetgeen zich in hun heilige verbeelding reeds voor hen afteekent, uit te spreken. Het is er mede als in een plechtige vergadering, waarin eeri Voorzitter is, die 't alles leidt, en waarin voorts het ééne lid voor en het andere na het woord erlangen. Geheel op gelijke wijze toch gaat 't hier toe. Vandaar dat Engel na Engel te voorschijn treedt, en dat een ieder op zijn beurt als vooruit toont en afbeeldt wat te gebeuren staat

Alles komt er alzoo op neder, dat we de onjuiste voorstelling ter zijde zetten, die maar al te velen zich van het leven in het Vaderhuis vormen, in zijn tegenstelling met ons eigen leven hier op aarde. Het mag niet alzoo verstaan worden, alsof wel onder ons, hier op aarde, alles levendig, druk en vol gebeurlijkheden zou zijn, maar dat in tegenstelling hiermede geheel het aanzijn daarboven zich in plechtige stilheid zou verloopen, slechts afgebroken door het Hallelujah der lofzingende Engelen, Veeleer het tegendeel is waar, 'Ons leven hier op aarde is gedrukt en beklemd, en veel rijker en bezieldcr dan ons gemeene leven 'hier op deze aarde, is het heilige, heerlijke leven van den Christus met zijn Engelen en Gezaligden in 't Vaderhuis. In dat rijke, intieme, heilige leven wordt ons hier nu een blik gegund, en het is alleen bij deze opvatting dat het XlVe kapittel tot zijn recht komt. Van zelf volgt hieruit, dat dit bezig zijn van den Christus en zijn Engelen met wat te gebeuren staat, volstrekt niet alleen hier plaats greep, maar bestendig alzoo toeging, en het onderscheid bestaat alleen hierin, dat bij de Zegelen en bij de Bazuinen hiervan aan Johannes geen mededeeling geschiedt. Het was één leven in den hemel, dat rusteloos doorging, maar niet in dit alles werd aan Johannes een blik gegund. Het voorafgaande tijdens de opening der Zegelen en het optreden der Bazuinen werd niet voor hem in beeld gebracht. Alleen thans geschiedde dit, en juist daarom is het niet moeielijk, om de beweegreden te verstaan, die tot deze elders verzwegen mededeeling bracht. Immers bij de Zegelen trad het einde nog niet in. De Zegelen werden onmiddellijk opgevolgd door de Bazuinen, en op de Bazuinen zouden straks de Phiolen volgen. De overgang van het ééne op 't andere sprak daarom van zelf, en vereischte geen nadere aanduiding.

Hier daarentegen deed de wederzijdsche verhouding zich' op geheel andere wijze voor. Op de Zegelen volgden de Bazuinen, en de Bazuinen werden als door de Phiolen opgevangen, doch hier lag het geheel anders. Op de Phiolen zou niets meer volgen. Met de Phiolen trad het einde in. De laatste klank, die van de Phiolen-Engelen uitging, zou zijn: Gegone, een kort Grieksch woord, dat ten onzent in drie woorden werd overgezet: > Het is geschied.» Doch al kon de Hollandsche uitdrukking niet met gelijke kracht het intieme van het Grieksche woord wedergegeven, toch ligt ook in de uit-drukking die onze Statenoverzetters kozen, het feit aangeduid, dat alsnu het verloop der gebeurtenissen tot aan de voleinding zou zijn toekomen, en dat er in dit machtig proces niets meer te volgen stond. Dit nu was niet vooruit te voorzien, en daarom moest dit juist aan Johannes duidelijk en klaar betuigd worden. 'Er mocht geen verwachting opgewekt, alsof na de Phiolen nogmaals een vierde groep feiten te komen stond, en alsof ook na dit vierde nog een vijfde stond te volgen. Er mocht geen indruk gegeven worden, alsof de reeks der machtige historie-gebeurtenissen onafgebroken door zou gaan. Hoe groot 't gevaar voor zulk een opvatting was, weten we genoeg uit wat vooral in onze dagen zich telkens als verwachting van de toekomst vernieuwt. Zie maar hoe uiterst weinigen zelfs nu er iets van voorgevoelen dat het einde der dingen zich' had ingezet, en alsof de Voleinding naderende was. Verreweg de'meesten, die over den grooten gang der gebeurtenissen van hun gevoelen doen blijken, reppen zelfs niet van wat de Christus, eerst zelf, en later door zijn apostelen, ons stelliglijk voorzegd heeft. Steeds is 't dat men onder den indruk voortleeft, alsof het aardsche .leven telkens wel een nieuwen vorm zou aannemen, maardesniettemin toch bestendig zou doorgaan. Het is juist de Voleinding waar men niet aan wil, en het is het hemelsche, waarvan niet wordt gerept. Van een nieuwen hemel, met onder dien nieuwen hemel een nieuwe aarde, hoort men liefst niet. Men erkent wel dat 't van ouds door de Profeten, daarna door den Christus zelf, en in Christus' opdracht-door zijri apostelen alzoo voorspeld is, maar bij die bloote kennisneming laat men het, en gaat er niet op in. Zie maar, hoe in zoo alles onderstboven keerende dagen als we thans doorworstelen, zelfs door Christelijke "schrijvers van de Voleinding nauwelijks gewag wordt gemaakt. Uit zich zelf wil met name de invloedrijke mensch, die in het publieke leven meeworstelt, de breuke met het heden en het komen van het einde niet aanvaarden. En dit nu dient zich van zelf aan als de beweegreden, waarom en hoe in kapittel XIV, op dat einde der dingen zoo geheel bijzonder nadruk wordt gelegd.

In dit ééne woord: Gegone, d. w. z. »het is geschied", trekt zich hier alles saam. Met volle kiem wordt 't hier aan Christus Kerk op het hart gedrukt, dat 't niet rusteloos door zal gaan. Dat 't ten slotte uit zal zijn en afloopt. Dat al wat we thans doorleven en - -doorworstelen, slechts de voorbereiding van het einde is. En dat, als eens de Phiolen in werkingtreden, het leven hier op aarde gedaan zal zijn. Ten einde dit nu met alle beslistheid te doen uitkomen, ja, op den voorgrond te stellen, wordt hier, en hier alleen, eer de derde evolutie, d, i. die van de Phiolen, komt, uit het hemelleven de vooruit verbeeldende verwachting medegedeeld die geheel op dat einde gericht was. Het moest klaar en duidelijk zijn, dat er na de Phiolen geen vierde verlenging van het leven hier op aarde komen zou. De indruk moest geweerd, en alle verwachting afgesneden, alsof het zich nogmaals rekken zou, en alsof het aardsche leven zich nogmaals in een gewijzigden vorm zou voortzetten. Hoelang van het Paradijs af de jammer ook geduld was, vast moest staan

dat ’t niet tot in 't eindeloozo zou voortduren. De dulding van het onheilige leven kon haar rechtvaardiging eeniglijk daarin vinden, dat de worsteling van het heilige met het zondige ten slotte op een volkomen ondergang van hét demonische en op een door niets belemmerden triomf van het heilige zou uitloopen. Zoo was het steeds in Israel aangekondigd, zoo was het door den Christus voor zeker voorzegd, en zoo was het door het Apostolaat nader bevestigd. Doch hieromtrent mocht dan ook geen zweem van twijfel rijzen. En daarom nu was het volstrekt noodzakelijk, dat de komst der. Phiolen als ingeluid werd door een opzettelijke verzekering en betuiging, dat , 't nu uit was, en dat de Voleinding inging.

Men moet daarom niet, gelijk nog Kliefoth deed, dit Engelengetuigenis in het 14e kapittel met de Zegelen, de Bazuinen en de Phiolen op één lijn stellen, alsof er metterdaad vier openbaringen na elkander gegeven werden. Wat in dit kapittel gegeven wordt, draagt een geheel eigen karakter, beoogt een geheel zelfstandig doel, en strekt eeniglijk om door een blik in het leven daarboven de zekerheid en stelligheid van de komende Voleinding vast te stellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Voleinding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 januari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken