Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ons antwoord aan Dr. Buizer.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ons antwoord aan Dr. Buizer.

8 minuten leestijd

III.

Toch is de wijze, waarop Dr. Buizer zijn gravamen de wereld heeft ingezonden, niet onze ernstigste grief. Die grief is veelmeer dat bij, die aldus publiek als aanklager en beschuldiger onzer Confessie optrad, blijkbaar zich geen de minste moeite had gegeven om na te gaan, wat onze vaderen met deze Artikelen onzer Belijdenis hebben bedoeld. Daardoor kwam hij er toe, aan deze Artikelen een zin en bedoeling toe Je schrijven, die daaraan nooit door onze vaderen is gehecht, en nog erger, dit verleidde hem om uit deze Artikelen consequenties af te leiden, die lijnrecht ingingen tegen wat door hen, uit wier handen we deze Confessie ontvangen hebben, steeds is geleerd en gezegd.

Een dergelijke wijze van handelen zouden we in een gewonen leek misschien minder scherp hebben afgekeurd, maar Dr. Buizer is een wetenschappelijk ontwikkeld man, die hier een veel ernstiger verantwoordelijkheid draagt. Hij weet zeer goed, dat een historisch-actestuk op een dergelijke wijze niet behandeld mag worden. Wat de Commissie, die te Utrecht over de bekende leergeschillen de Synode voor te lichten had, uitsprak, dat het »evenzeer exegetisch als historisch onjuist is, wanneer men bij de uitlegging der Belijdenisschriften geen rekening houdt met den geestelijken gedachtenkring, waaruit deze Belijdenisschriften zijn voortgekomen, omdat men zoodoende met een beroep op de woorden der Confessie, haar een zin en betetekenis zou toekennen die onze vaderen nooit hebben bedoeld" (Acta der Gen. Synode van Utrecht 1905 blz. 206, 207) zal ook door Dr. Buizer wel als juist worden erkend. Bij dé indiening van het gravamen tegen de ééne zinsnede uit Artikel XXXVI is door degenen, die' dit gravamen hadden, dan ook uitdrukkelijk elke poging afgewezen om deze zinsnede, waartegen men een gravamen had, op een andere wijze te verklaren, dan onze vaderen bedoeld hadden, en hebben zij uitgesproken, dat > zij de Confessie onzer vaderen belijdende, onder de woorden, waarin zij beleden, niet anders verstaan mogen dan hetgeen zij zelven, blijkens het stellige getuigenis der geschiedenis, met deze woorden hebben bedoeld." En de Commissie, die over de gegrondheid van dit gravamen rapport had uit te brengen, heeft in de eerste plaats onderzocht, »of de zin en beteekenis, die de bezwaarde broederen aan de gewraakte zinsnede hechtten, juist was of niet, " en daaraan een zeer uitvoerig historisch onderzoek gewijd (Acta der G^n Synode van Utrecht 190S blz. 277—293.) Als Dr. Buizer zich de moeite wil gunnen dit historische onderzoek eens na te lezen, waarin. onderzocht is, hoe de gewraakte zinsnede in onze Confessie kwam; hoe door mannen als Calvijn, Beza e.a. over dit vraagstuk is geleerd; hoe de Buitenlandsche Gereformeerde Kerken zich over deze quaestie hadden uitgelaten, en wat door onze uitnemendste Theologen hierover geoordeeld was; dan zal hij zelf gevoelen, dat dit toch iets ander is dan het beroep dat hij doet tot staving van zijn gevoelen op Ds. Doekes!

Natuurlijk kunnen we er niet aan denken, in de Heraut een dergelijk breed onderzoek naar den zin en beteekenis van de Artikelen onzer Confessie, waartegen Dr. Buizer bezwaar heeft, in te stellen. Slechts op een enkel punt kunnen we wijzen, om aan te toonen, waarom de exegese van Dr. Buizer niet juist kan zijn.

Volgens Dr. Buizer zou in Art. 27—30 onzer Belijdenis gehandeld worden over een en dezelfde Kerk; ze zouden geen onderscheid maken tusschen de Kerk als vergadering der geloovigen en als instituut; en van die Kerk zou nu in Art. 27 beleden worden, dat zij eenig is, in Art. 28 dat èr buiten haar geen zaligheid is en in Art. 28 dat zij is de ware Kerk. Waaruit hij dati afleidt, dat wanneer we deze Belijdenis onzer Vaderen overnemen, dit beteekent, dat wij belijden een geïnstitueerde Kerk, die de eenige, ware Kerk is, , waarbuiten geen zaligheid is; en die eenige ware Kerk zou dan (volgens de kenteekenen in Art. 29 aangegeven) voor onzen tijd onze Gereformeerde Kerk moeten zijn.

We merkten hiertegen op, dat dit niet juist is, want dat in Artikel 27 onzer Belijdenis sprake is niet van de geïnstitueerde, zelfs niet van de zichtbare Kerk, maar van de Kerk sXs voorwerp des geloofs. Onze Belijdenis doet hier niets anders dan overnemen, wat heel de Christelijke Kerk in het Apostolische geloof belijdt, dat er ééne, heilige, algemeene. Christelijke Kerk is. Met deze ééne, heilige en algemeene Kerk wordt niet bedoeld een bepaalde geïnstitueerde Kerk, maar de vergadering of wil men liever de «Gesamtheitt, om dit Duitsche woord over te nemen, van alle waarachtige Christenen, of gelijk onze Belijdenis zegt: Christgeloovigen, Van deze Kerk wordt beleden, dat zij steeds is geweest, dat zij altoos zijn zal, en dat zij over alle deelen der aarde zich uitstrekt, dus niet aan een bepaald volk is gebonden. Het gaat hier dus niet om de verschillende vormen, waarin deze Kerk zich zichtbaar openbaren kan ; ook niet om de vraag, of er slechts één zichtbare geïnstitueerde Kerk mag bestaan, maar om uit te drukken wat het wezen der Kerk is. Vandaar dat wat in dit Artikel beleden wordt, ook niet slaat op de zichtbare geïnstitueerde Kerk, maar op wat men gewoonlijk noemt, de'onzichtbare Kerk, of wil men liever op het mystieke lichaam van Christus, dat in de zichtbare Kerk tot openbaring komt, maar daarvan toch altoos wel is te onderscheiden.

Bestaat dienaangaande nu eenige twijfel?

Prof. Doedes, op wien Dr. Buizer zich beroept.als autoriteit voor de gegrondheid van zijn gravamen, is zeker voor mij geen autoriteit, want wat hij als critiek op Art. 17 onzer belijdenis levert, toont wel, hoe bij alle scherpzinnigheid het hem ontbrak aan wat ik zou willen noemen »gereformeerd gevoelene Maar in het punt, waarom het hier gaat, staat Prof. Doedes niet aan de zijde van Dr. Buizer, maar lijnrecht tegenover hem, en heeft hij volkomen gelijk. Na eerst te hebben opgemerkt, dat men onderscheid maakt tusschen de zichtbare en onzichtbare Kerk, laat hij er op volgen : »Spreekt nu Artikel 17 van cene [ algemeene Kerk, die eene heilige vergade-\ ring der ware Christ-geloovigen is, daar-\ mede is, blijkens hetgeen volgt, niet del zichtbare, maar de onzichtbare gemeente bc-/ doelds. (De Ned, Geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus, 1880 Deel I, i blz. 357). '

Niet anders oordeelt hierover Prof. Maresius, die zeker de beste en meest betrouwbare uitlegger van onze Belijdenis is, de éénige, die daarover een Exegese schreef welke als autoriteit kan gelden. Hij j legt er den nadruk op, dat in Art. 17 \ niet gesproken wordt over de uitwendige en , zichtbare Kerk, maar over het corpus Christi \ •mysticum, zooals hij het noemt, d. w. z. i het verborgen lichaam van Christus. Hij wijst daarom elk dispuut met de Roomsche Kerk af over de vraag, welke de kenmerken van deze ééne heilige. Katholieke Kerk zijn, omdat deze Kerk niet valt onder de waarneming der zinnen en Gode alleen bekend is, volgens den regel: indien gij iets ziet, is het geen zaak van geloof (Maresius, Foederatum Belgium Orthodoxum, sive Confessionis Ecclesiarum" Belgicarum Exegesis 1652, p. 388). Al de eigenschappen, die hier van de Kerk gepraediceerd worden, vat hij daarom op in geestelijken zin. Als er beleden wordt, dat wij gelooven een eenige Katholieke Kerk, dan verklaart hij, dat , , deze eenigheid der Kerk daaraan is te ontleenen, dat zij het mystieke lichaam/ van Christus is, die één is, dat zij bezield wordt door eenzelfden .geest, leeft uit hetzelfde geloof en tot dezelfde hoop is geroepen*, (p. 380). De unitas Ecclesiae, die hier beleden wordt, heeft dus met de vraag van de pluriformiteit der Kerk niets te maken. Ze is een geloofszaak; ze bestaat, ook al zien we haar niet; ze doelt op het mystieke lichaam van Christus.

En indien Dr. Buizer nu met een beroep op hetgeen onze Belijdenis zelf zegt, dat, deze-Kerk somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menseken, meent toch te kannen volhouden, dat onze Confessie hier spreekt van de zichtbare Kerk, laat me dan ten slotte hem mogen antwoorden, dat het met volkomen zekerheid is te bewijzen, dat dit niet de bedoeling is. Artikel 17 onzer Belijdenis is door Guido de Bres ontleend niet aan de Fransche Confessie, die door Calvijn was opgestejd, en die hij overigens vrij trouw gevolgd is, maar aan een andere bron. Die bron nu is niet moeilijk aan te wijzen, ze moet het Huysboek van BuUinger zijn geweest. In de Confessio Helvetica posterior, die door BuUinger is opgesteld, komen dezelfde uitdrukkingen als in onze Geloofsbelijdenis voor. En hier wordt nu evenzeer gezegd, dat dikwijls de Kerk, zooals in de dagen van Elia, bijna geheel schijnt uitgeroeid te zijn, maar dat God ook dan nog zijn ware aanbidders over heeft, zeven duizend en meer, gelijk ook de Apostel zegt, dat het vaste fundament Gods'staat hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die de Zijnen zijn. En dan volgt hierop «weswege deze Kerk ook een onzichtbare Kerk kan genoemd worden, niet omdat de menschen onzichtbaar zijn, waaruit de Kerk vergaderd wordt, maar omdat zij (de Kerk) voor onze oogen verborgen en Gode alleen bekend, vaak aan ons menschelijk oordeel ontsnapt". (Muller, Die Bekenntnisschriften der reformierten Kirche 1903 blz. 199). ¹)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

Ons antwoord aan Dr. Buizer.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken