Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Totdat zij zich zelf schuldig kennen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Totdat zij zich zelf schuldig kennen.”

7 minuten leestijd

Ik zal henengaan en keeren weder tot mijne plaatse, totdat zij zich zelven schuldig kennen en mijn aangezichte zoeken. Als bun bange zal zijn, zullen lij Mij vroeg zoeken. Hosea V; 15.

Op teekenende wijze pleegt de Heere, door zijn profeten, de verhouding uittedrukken, die tusschen Hem en zijn volk in de dagen van ouds bestond.

Verkeerde Hij in vrede met Israël, dan heette 't, dat God tot zijn volk nederdaalde, en aan Israël zijn nabijheid, ja, zijn gemeenschap, deed genieten. Werd daarentegen Israël ontrouw en verliet het zijn God, dan heette het dat God zich weer van zijn volk terugtrok in zijn hoogen hemel, en het afvallige Israël aan zich zelf overliet. Eenzaam en verlaten moest Israël dan aldra in zijn overstelpenden jammer in zich zelven inkeeren. Op die wijs moest het berouw dan het hart des volks overmeesteren. In dat berouw zou 't tot erkentenis en belijdenis van zijn zonde komen. En had 't op die wijs zich zelf schuldig bekend, dan zou Jehova weer tot g zijn volk nederdalen, en zou zijn volk Hem weer zoeken.

Zoo staat er dan letterlijk, dat de Heere het uitspreekt: »Ik zal henengaan, d.i. henengaan van mijn volk, en keeren weder tot mijn plaatse in den hoogen hemel, totdat zij zich zelve schuldig bekennen, en als zij, wanneer 't hun bange zal zijn, mijn aangezicht weer zullen zoeken."

Op ons zelf toegepast, beduidt dit alzoo, dat 't Gode beheft in zijn genade, ons te zoeken, tot ons te naderen, ons zijn gemeenschap te doen smaken, en ons iets van hemelschen vrede in de ziel te willen schenken. Doch dat daarna gemeenlijk oogenblikken komen, dat de wereld ons weer boeit en aftrekt, zoodat we onzen God vergeten. En dat waar dit ons overvalt, en aanhoudt, de Heere ons ten slotte verlaat, zijn gemeenschap met ons verbreekt, ons aan Ons zelf overlaat, en eerst dan tot ons wederkeert, en ons het zoet en zalig van zijn gemeenschap weer doet smaken, als we in 't binnenste onzer ziel tot inkeer zijn gekomen, ons zelf weer als schuldig erkennen, en uit dat verdiepte schuldbesef Hem weer smeeken om tot ons terug te keeren, en ons, onze ziele ter genezing, weer zijn nabijheid te genieten geven.

Die tijdelijke breuke in de zalige genieenschap met onzen God heeft dan meestal haar oorzaak in het te weinig persoonlijk karakter van ons schuldgevoel.

We spreken nu alleen van wie zijn God gevonden had, en laten de kinderen der wereld rusten. En dan staat 't wel vast, dat de toegebrachte kinderen Gods nimmer een oogenbUk aarzelen zullen, om hun schuld voor hun God te belijden en telkens opnieuw zijn genade in te roepen.

Alleen maar, hierbij sluipt gedurig de geestelijke zonde in, dat we hiertoe wel in algemeene termen komen, maar dat het persoonlijk de ziel aangrijpende daarbij gemist wordt.

Zie 't maar aan wat ge gedurig kunt waarnemen.

Geen oogenblik zullen zulke geloovige en toegebrachte Christenen aarzelen, om in hun gebed, behalve om voorziening in den nood des levens, ook dagelijks te bidden om de vergeving hunner zonden, en in die bede hun zonden te belijden. Daaraan zijn zt zoo beslist gewoon en gewend, dat een gebed zonder die bede om vergiffenis voor hen geen heusch gebed zijn zou.

Doch wat ziet ge nu zoo herhaaldelijk? Maar immers het droeve feit, dat zulke gereede bidders om vergeving van hun zonde, als ze in onaangenaamheid met een hunner huisgenooten leven, en deze hun een ernstige zonde verwijt, soms vlak na het bidden om vergeving, zich tegen elk verwijt van zonde aankanten, er zich geen woord van willen gezeggen laten, en zich aanstellen alsof hun persoonlijk geen enkel verwijt treffen kon. Alle nederigheid is dan weg, en de zelfvoldaanheid heeft het hooge woord.

Hebben ze 't dan zoo straks niet gemeend, toen ze om vergeving hunner zonden baden, en zich voor God verootmoedigden ? Ten deele allicht wel, maar dan zonder diepte van besef, al te zeer in algemeenen zin, en zonder het eiken dag opnieuw op de gesteldheid hunner eigen ziel toe te passen.

Ze kenden dan de algemeene schuld van alle menschen wel, maar waar 't aan haperde was, dat ze dat schuldig zijn voor God verzuimden op zich zelf en op hun eigen doen en laten, op hun persoonlijk leven, telkens opnieuw en voor. 't minst eiken dag toe te passen.

Het is de zonde der geestelijke oppervlakkigheid, die dan de ziel vergiftigt.

o, Gewisselijk, als men zulk een afzwerver, in 't algemeen, vraagt, of ook hij geen zondaar is, en of niet ook hij alleen in het bloed des kruises zijn vrede zal kunnen vinden, dan aarzelt hij geen oogenblik, op die vraag met een volledig en oprecht gemeend ja te antwoorden. Doch daarbij verliest hij zich dan zoo vaak in 't vage en 't algemeene. Hij leeft dan onder den indruk van zijn zonden in 't verleden, van zijn tekortkoming in volledige heiligheid, en denkt er niet aan zich voor een heilige uit te geven.

Maar heel anders komt 't te staan, zoo ge, als we 't zoo mogen uitdrukken, de puntjes op de i's gaat zetten, en hem afvraagt, of hij dien eigen dag, of hij dien eigen middag, niet in-zonde voor zijn God stond. Sterker nog, of hij in die bepaalde zaak wel in volkomen zuiverheid roemen kon. En als 't daar dan op aan gaat komen, dan leert de ervaring, hoe verreweg de meesten onder de geloovigen er niet dan hoogst zelden toe komen, om de bange schuldvraag op hun leven van dien bepaalden dag, in die bepaalde ure, en in dat bepaalde geval toe te passen. Hun schuldbesef is wel oprecht en gemeend, maar daarbij denken ze dan aan hun verleden, aan hun algemeenen zielstoestand; en 't geen waarin ze te kort schieten, is gemeenlijk, dat ze op 't oogenblik waarin ge ze aanspreekt, in de bepaalde zaak, die in geschil kwam, bij hen vaak op precies hetzelfde stuit, dat u in de ongeloovigen zoo telkens hindert, en dat hierin bestaat, dat ze steeds geneigd zijn, om zich zelf te rechtvaardigen; dat ze maar al te zeer« over hun kleine afwijkingen heen loopen; en dat 't eigen schuldbesef hun doen en denken niet beheerscht.

Treedt nu zulk een oppervlakkig zielsleven als gewoonte in, d. w. z. komt er niet slechts nu en dan 't verschijnsel van voor, maar wordt 't, helaas, gewoonte, om ja schier eiken dag te bidden: > Vergeef ons onze schulden*, maar dan toch bij elke bepaalde verkeerdheid zich aan te stellen, als viel er bij hen van schuld geen sprake en als waren ze de gerechtigheid zelve, dan komt 't er ten leste toe, dat God de Heere zulk een oppervlakkigen geest aan zichzelf overlaat, de gemeenschap met zulk een verharde van hart verbreekt, en dan zulk een eigengerechtige zóó lang aan zich zelf overlaat, tot er een keer in zijn zielsgesteldheid kwarat en hij, nu God zich van hem terug trok, zich derwijs verlaten gaat gevoelen, dat zijn schuldbesef wakker wordt, en hij ten slotte weer zijn toevlucht zoekt bij den Vader V9.n alle barmhartigheid, zijn schuld weer dieper gaat opvatten en in de belijdenis ervan weer zoo oprecht en met diepte van zin gaat verkeeren, dat de gemeenschap met zijn God weer opleeft, en zijn persoonlijk leven weer eiken dag onder de hoede van Gods heiligheid komt te staan.

Hierin komt de Heere zijn God hem dan te T hulpe.

Voorspoed en geluk leidt er zoo licht toe, dat ook Gods kind zich van zijn God vervreemdt, terwijl, omgekeerd, leed en kwelUng veelal weer op de knieën voor God brengt.

Het feit dat God zulk een oppervlakkigen vergeter van zijn naam verlaat, doelt dan gemeenlijk op een dubbel verlaten. Eerst op een eestelijk verlaten, zoodat de zielsomgang zich terugtrekt. Maar dan ook op een verlaten in 't levenslot. Juist door dit laatste wordt de verstrooide ziel dan weer tot ernst gestemd, en het is in dien geestelijken ernst dat zijn God tot hem wederkeert.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

„Totdat zij zich zelf schuldig kennen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 februari 1918

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken