Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„De dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„De dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.”

7 minuten leestijd

Dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, "maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig. 2 Corinthe 4 : 18.

Er leeft in 's menschen ziel een begeeren. Hoe rijk ook ons persoonlijk leven hier op aarde moge ingericht en gesierd zijn, er blijft aldoor een, verlangen over naar iets dat meerder, dat hoöger is. De pure materialist zij nu aan zichzef overgelaten, maar de ziel, die nog iets anders zoekt dan de materie /hem biedt, kent van jongsaf steeds het begeeren, het verlangen naar iets hoogers en iets meerders. En als, vroeg of laat, het aanzijn hier op aarde ten einde loopt, en we in 't graf onze schuilplaats erlangen, kunnen we het ons niet anders voorstellen, of er is een ongeziene wereld waar de hier verdwijnende ziel haar ^weede vaderland vindt, en waar ons een nieuwe wereld wacht, waaróp we hier gehoopt hebben, zonder haar ooit te zien, en waarin we dan door ónzen God binnengeleid worden, om er te genieten, wat^zijn genade er voor ons bereid heelt.

We verliezen dan alles wat hier op aarde ons geboeid heeft, en we gaan over in de genieting van wat voor ons 't ongeziene was, en dan eerst bewaarheidt het zich voor wie in het Vaderhuis overgingen, dat de dingen die we hier op "farde zagen, slechts tijdelijk waren, doch dat omgekeerd de dingen, die we hier niet met het oog konden waarnemen, doch waar onze ziel in leefde, eeuwig in aard en karakter zijn, en, eens daarboven ons toebedeeld, nimmer meer van ons zullen genomen worden.

Zoo is het mysterie van het eeuwige, gelijk de apostel het voor ons ontsluiert, maar zoo en niet anders is evenzoo de gewaarwording waarin we ons leven hier voortzetten en eens voleinden. Hoe vele dan de jaren mogen zijn die ons hier gegund worden, eens gaat 't met ons allen ten grave. Eerst is er dan nog rouw over ons-heengaan. Straks sterft ook die rouw weg. En als een volgend geslacht het thans levende vervangen heeft, slijt in 't eind zelfs de heugenis van onzen naam op aarde uit. Zelfs de plek onzer ruste op 't graf wordt niet met rust gelaten, en als 't eene eeuw, of ook maar een halve eeuw, verder is, slijt ten leste zelfs de heugenis van onzen persoon uit en weet men van het gewone menschenkind ter nauwernood meer dat hij ooit 't aanzijn op deze aarde ontving.

Het ii daarom zoo ten volle overwaar wat de apostel betuigt, dat al wat tot dit aardsche leven behoort, hoe warm het ons ook moge hebben toegelachen, te zijner tijd van ons afsterft, allengs zelfs vergeten wordt, en na niet zoo lange jaren geheel wegsterft.

Al ’t geziene, al 'tgeen uitwendig ons boeide, aantrok en bezig hield, het blijkt ten slotte niet dan tijdelijk geweest te zijn. En hoe 't ons ook boeide, eens sterft 't weg en van ons ~af, en dan blijft er voor een iegelyk onzer geen andere vraag over, dan die doelt op 't hier niet geziene, en waarvan de Apostel getuigt, dat de dingen die hier niet gezien worden, juist de blijvende zijn en de eeuwigdurende.

De dingen die hier niet gezien worden, dat en dat alleen zijn de eeuwige.

Wil dit daarom zeggen, dat de geestelijke schatten die eeuwiglijk blijven, en onze ziel naar haar geestelijken kant verrijken, geen vorm hebben, en alleen een geestelijk bestaan bezitten? Zeker, zoo stelt 't eenzijdige Spiritualism? het ons voor, maar de Schrift toont 't ons heel anders. Als op Thabor de Christus schittert in zijn heerlijkheid, en Mozes en Elia hem ^ergezelschappen, vertoont geheel het Keilig tafereel zich in zichtbaren vorm. Als de Christus zich op den weg naar Damascus aan Paulus epenbaart, wordt hij van den apostel gezien en herkend. In de Openbaringen op Pathmos is 't niet anders. Ons aller belijdenis is, dat de Christus in zichtbare gestalte ten hemel is gevaren, dat hij in zijn verheerlijkt lichaam nu nog troont aan , de rechterhand des Vaders, èn dat hij in die zichtbare gestalte eens wederkeert ten gerichte. En geliji 't ons van den verheerlijkten Christus wordt voorgehouden, zoo ook vernemen we het gedurig in het Oude Verbond. De Engelen die hun last op aarde vervullen, verschijnen in waarneembaren vorm en worden bekend. Ja, al moet ^Jeleden, dat 't in de ongeziene wereld daarboven, zich alles geestelijk beweegt, uitgesloten wordt nimmer, dat wat in de Engelenwereld leeft of uit onze menschenwsreld verstierf, zoo 't nood is, op eenmaal ee». zichtbaren vorm kan aannemen, en in dien zichtbaren vorm zich aan het zienlijk oog'lles menschen openbaren kan.

Wat daarentegen blijft is, dat in den mensch tweeërlei bestaanswijs huist. Hier op aarde levend^ treedt hij op in zichtbare gestalte, en leeft in deze wereld in zichtbaren vorm, dank zij 't lichaam, dat hem als mensch gegund werd. Maar ook anderzijds leeft reeds hier op aarde in zijn binnenste, op verborgen wijze, een geestelijke existentie, en het is die geestelijke existentie, die hem in heilig contact brengt met den Heilige in zijn verborgenheid.

Eerst leeft de pasgeboren mensch in deze zichtbare wereld als kindeke. Doch het duurt geen vier, vijf jaren, of er begint reeds een mysterie zich in 't kinderhart te openbaren, en al spoedig merkt ge bij een vroom kind, hoe wonderlijk de ongeziene wereld op mystieke wijze in zijn gewone leven doorglanst. Soms sterft een riog zeer jong kind in zoo duidelijke wetenschap van de ongeziene wereld daarboven, dat wie geestelijk kenner is, zich er over verbaast, zoo helder bewust als soms zulk een jong wegstervend kind reeds in de ongeziene wereld inleefde.

Dit is dan het mysterie van het vrome menschenleven.'

Bij een Engel is het zoo, dat hij op zichzelf enkel geest is, en zal hij verschijnen, een zichtbare gestalte tijdelijk aanneemt, doch omgekeerd bij den mensch is de eerste verschijning de zichtbare in 't hchaam. Maar in die zichtbare verschijning komt, zoo er zich een waarachtige vroomheid openbaart, al spoedig een tweede, louter geestelijk aanzijn tot openbaring; een aanzijn dat niet tijdelijk, maar eeuwig is, en da, t ongemerkt toch heel onzen persoon beheerscht en verrijkt.

En nu is dit het wonderbare, en het eeuwig heerlijke in den mensch, dat hij zijn levensexistentie naar twee kanten, en beide malen even heerlijk, openbaren kan.

Hij bestaat en leeft in 't zichtbare. Zoo wordt hij als kind des menschen geboren. God schept hem niet als louter geest, om eerst daarna dien geest bij een lichaam te voegen. Om als mensch tot aanzijn te komen, moet hij lichamelijk als kindeke uit zijn moeder geboren worden. Altoos zoo echter, dat in dien zichtbaren mensch dè aansluiting aan het geestelijke en eeuwige schuilt, en in dat geestelijke, dat zijn verborgen wezen uitmaakt, bezit de mensch dan zijn aansluiting aan zijn God, en die God is de Onzienlijke en is als de Onzienlijke omstuwd vaii zijn geestelijke Engelen, en van al wat in 't Ongeziene de majesteit van 't Goddelijke uitmaakt.

Nu streden die twee niet met elkander. Bij 's menschen oorspronkelijke schepping was de ongeziene rijkdom dien de mensch in zijn geest ontving, in volkomen harmonie met zijn zichtbare paradijsheerlijkheid. Alleen de zonde brak die eenheid, en van die ure af kwam het tijdelijke tegenover het eeuwige te staan. En zoo kwam er tegenstelling.

Ten leste echter valt deze tegenstelling weer weg. Op de nieuwe aarde en onder den nieuwen hemel zal, na de Opstanding, het tijdelijke in het eeuwige zijn opgegaan, maar het zichtbare zijn beteekenis terug erlangen.

Voorshands is er nog de scheiding en tegenstelling.

In het Vaderhuis daarboven het louter geestelijke!, en hier op aarde niet dan het tijdelijke dat voorbij gaat, en straks vergeten wordt,

Maar dit duurt niet. Aan die tweeheid komt ten slotte een einde. En eens zal, na de wederkomst van onzen Heiland, de toestand wezen, dat al wie God toebehoort, in en door Christus met God hereenigd is, en zijn geestelijk zoowel als zijn lichamelijk, zijn zichtbaar zoowel als zijn onzichtbaar bestaan voor eeuwig voortzet.

Dat is 't wat de apostel betuigt, dat de dingen die men niet ziet, eeuwig zijn.

De Zone Gods met zijn gezaligden zullen op de" nieuwe aarde en onder den nieuwen hemel eens juichen in een eeuwig Hallelujah.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 maart 1918

De Heraut | 6 Pagina's

„De dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 maart 1918

De Heraut | 6 Pagina's

PDF Bekijken