Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Kerk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Kerk.

19 minuten leestijd

VIII.

Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan n|etzondigen, want hij is uit God geboren, rjoh. 3:9.

In drieërlei gestalte treedt alzoqdeKerk op. Ze is ten eerste de plaatselijke verbinding van hen, die den Christus belijden. In de tweede plaats is zij de gezamenlijke kring van hen, die eer de Voleinding intreedt, hier op aarde, ^f als gestorvenen reeds in het Vaderhuis opgenomen), den Heere zijn toegebracht. En in de derde plaats vormen de Kerk of Ecclesiae al diegenen te zamen, die op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel optreden, maarna opgetreden te zijn, dan ook aatistonds het karakter van Kerk afleggen, en nu de herboren en vernieuwde menschheid uitmaken. Let men nu eerst op de plaatselijke Kerken, gelijk die nu op aarde bestaan, en zoo ze geordend 2ijn, onder hun kerkeraad hun bestaan voortzetten, dan behoeft 't wel nauwelijks aanwijzing, dat deze plaatselijke, geordende Kerken eiken waarborg missen, dat geheel het samenstel van haar leden werkelijk eenigüjk uit wedergeborenen bestaat. De uitnemendste kerkeraad blijft toch buiten machte om in volstrekten zin te beoordeelen, of de leden die onder zijn tucht staan, metterdaad wedergeboren of althans ten leven verkoren zijn. Hier kan niet slechts dwaling bij insluipen, maar de historie, der plaatselijke Kerken in alle land , en in alle eeuw heeft steeds den jammer beleefd, dat geloofsverzwakking insloop, en dat steeds almeer de naam-Cüristeneii onder de kerkleden toenamen. Wat men ook beproefd heeft, om dit zeer ernstig gevaar door de kerkelijke tucht te keeren, men is er nimmer in geslaagd om zijn doel te bereiken. Niet dan uiterst zelden werd de ban toegepast, en waar de ban strafte en uitsloot, bleek van achteren maar al te vaak, dat men zich vergist had. Doch neem aan dat dit anders ware, en dat althans in enkele weinig talrijke Kerken de toepassing van den ban doorging, dan nog ontbrak steeds alle volstrekte zekerheid, dat de kerkeraad *zich niet vergiste. Het is aan ons menschen niet gegeven, om met absolute stelligheid tot in het diepst der ziel van onzen naaste de waarachtige gesteldheid van zijn innerlijk leven te beoordeelen. De feitelijk bestaande toestand, dat de Kerk plaatselijk gevormd wordt door aldaar wonende personen die zich aandienen als belijders en belijderessen, en dat het toch aan geen Kerkeraad gegeven is, met stellige zekerheid over het geestelijk bestaan van wie zich aanmelden, te oordeelen, brengt dan ook te weeg, dat de Kerken van Christus op deze aarde, tengevolge van de zonde, nooit en nimmer zekerheid kunnen opleveren voor het geestelijk bestand van het personeel waaruit ze bestaan. Zoo ongewis was de toestand van meetaf. Onder de twaalf apostelen was een Judas, en omgekeerd een sterksprekende figuur, in Petrus, maar die toch den Christus tot driemaal toe verloochende, en desniettemin ten slotte de petra of rotssteen bleek te zijn, die, toen de Kerk de wereld inging, (Paulus en Johannes alleen uitgezonderd), de hoogste beteekenis in Christus Kerken verkreeg, en tot aan zijn marteldood behield. Die toestand is van eeuw tot eeuw steeds zoo gebleven. Onder welke vormen de Kerken ook optraden, ze bleven Kerken, die in een zondige wereld bestonden, en uit dien hoofde aan de bedervende macht van de wereld niet ontkomen konden. In graad is er, zoo men het bestaan der Ker^ ken in de ééne eeuw of in't ééneland, met haar existentie in een andere streek of in, een andere periode vergelijkt, soms zeer sterk onderscheid merkbaar geweest; doch van de eerste roeping der Apostelen tot nu. toe, waren en bleven het altoos Kerken aan dewelke gebrek kleefde, en nimmer is het gelukt dat gebrek uit te bannen. Voor zooveel men met oprecht geloovigen te doen had, is het steeds bij allen, en zonder onderscheid, eerst bij hun sterven tot een finaal breken met en afsterven van alle onheilige elementen gekomen, doch hier op deze aarde duurde het gebrek steeds tot aan het sterven voort.

Keer hierin k«n eerst komen met het naderen der Voleinding. Wel gaan de oprecht geloovigen ook dit naderend einde als genooteto van Jezus Kerk tegemoet, doch breekt eens de Voleinding door, dan is ook het einde van het bestaan en van de beteekenis der Kerk van Christus naderende, en wordt door de waarachtig geloovigen aanstonds het oogenblik ingewacht, waarin de Kerk, als zijnde onderscheiden van het geheele wereldleven, haar beteekenis zal verliezen, en na het oordeel in de existentie der vernieuwde menschheid zal overgaan. Zoolang in het leven der menschheid deze oude aarde de zetel blijft, waarin de Kerk zich moet vestigen, kan er geen eenheid tusschen Kerk en wereld zijn, en moeten deswege de waarachtig geloovigen zich wel, als een eigendommelijk bestaan bezittend, van het leven van deze aarde onderscheiden en afscheiden. Zoolang deze oude aarde voortduurt en de draagster van het leven is, is het juist de Kerk waarin de kinderen Gods zich van de ongeloovigen afscheiden moeten. In die noodzakelijke afscheiding heeft de Kerk haar reden van bestaan, en de geloovigen, die straks de nieuwe menschheid zullen uitmaken, en als zoodanig de hoofdstelling, zelfs boven de Engelen, in het eeuwige wereldbestaan, dat alsdan intreedt, zullen innemen, kunnen zulks niet op deze aarde doen, en mogen zich zelfs nimmer inbeelden, dat zulks hun roeping zou zijn. Zoolang het leven hier op deze oude aarde zich voortzet, moet de Kerk de schuilplaats zijn en blijven, waarin de wedergeboren kinderen Gods zich, als voerende een eigen bestaan, van de gemeene existentie der wereld afzonderen.

Wel kunnen ze op deze oude aarde aan het menschelijk leven deelnemen, en zich er op toeleggen, om het onheilige te keeren en het gebrekkige aan te vullen, doch steeds blijven ze dan' toch als Kerk van de wereldgemeenschap afgezonderd. Het is dan immers nog steeds de oude wereld, die straks voorbijgaat, en eerst in de nieuwe wereld, die op de nieuwe aarde en onder den nieuwen hemel eens schitteren zal, kan de scheidsmuur geheel wegvallen, üie hun karakteristiek genadeleven van het aardsche leven onderscheidt. Die oude, verzondigde aarde blijft steeds onder de overmacht van de onheilige elementen staan, en het is deswege, dat de echte kinderen Gods steeds gevoelen moeten, dat hun existentie en hun persoonlijk bestaan niet voegt en niet past bij de oude aarde, doch daarmee, wat het beginsel en uitganspunt betreft, in onverzoenlijken strijd is. Zoo staat 't dan ook vast, dat dit alles eens te niet gaat, om alsdan plaats te maken voor een geheel nieuwe gedaantej waarin de oude schepping van het Paradijs vernieuwd, en dan tevens vervolmaakt, herleven zal. Deze groote en allesbeheerschende gebeurtenis zal echter geen product "zijn van wat thans op deze aarde is, noch ook uit haar bedorven elementen gewrocht worden, maar een product eenig en alleen van Gods herscheppend Alvermogen wezen. Zoolang nu de wedergeborenen, met hun contrair beginsel in 't hart, nog op deze oude aarde moeten voortworstelen, ontleenen ze hun geestelijke existentie niet aan haar, doch staan ze veeleer met hun verborgen leven lijnrecht tegen die oude wereld over, en deswege is het, dat ze hun harmonisch bestaan niet in den staat of in de maatschappij, doch eeniglijk in die Kerk vinden kunnen, die principieel van de haar omgevende menschelijke maatschappij onderscheiden is.

Aan dien toestand en aan die gesteldheid der dingen komt nu geen einde, vóórdat door de wederkomst van Christus, door het laatste oordeel en door de wederopstanding des vleesches, een geheel nieuwe levensorde ingaat. De uitverkorenen, die ten eeuwigen leven reeds in het Vaderhuis waren ingegaan, of als de Christus wederkomt er in worden overgezet, vormen van dat oogenblik af de menschheid. Ze waren dusver, van de ure hunner wedergeboorte en bekeering af, in deze aardsche maatschappij vreemdelingen geworden, en waren nu wachtende op de herkrijging van hun vaderland, doch dan van een beter vaderland. De oude' wereld waarin ze met hun belijdenis geworsteld hebben, zonk nu weg, en alle tnenschenkind, dat nog aan de oude wereld zich vastklemde en er zijn vaderland in vond, is dan achteruit gedrongen en in het verderf ingegaan. Er is dan niet anders van de oude wereld over dan de schare der door God ten eeuwigen leven verkorenen, die ten deele reeds in het Vaderhuis waren opgenomen, of in 't einde nog op de oude aarde vertoefden. En nu treedt het allésbeslissende oogenblik in, waarin de nieuwe aarde te voorschijn treedt, en onder den nieuwen hemel haar heerlijkheid openbaart. Op die nieuwe aarde nu, en onder dien nieuwen hemel, leeft de Schepping van het Paradijs weer in al haar bestanddeelen op, doch alsdan in een gehalte en gestalte, waartoe geen bederf meer genaken kan. Er ver­ schijnt dan een nieuwe aarde onder een nieuwen hemel, die wat eens in de Schépping tot aanzijn werd geroepen, op nieuw, maar nu in voleinden en volmaakten vorm herleven doet. In dit v. nieuwde en voleinde Paradijs valt we^, , de geboorte van een nieuw geslacht van m "nschenkinderen. Zij die van Adam en Eva, van Abel en Seth af ten leven verkoren zijn, treden nu allen te voorschijn, en zu'.ks niet als louter geestelijke wezens, maar in hun lichamelijke en zichtbare gestalte. Waartoe zou er anders een opstanding des vleesches zijn ? Doch hun getal is voleind, en breidt zich niet op nieuw uit. Er is niet alleen geen sprake meer van een kinderen baren met smarte, maar ganschelijk niet meer va.n geboorte. Het Boekides Levens, dat voor Gods aangezicht wcirdt gebracht, is compleet. Zij die in dat Boek des Levens met name vermeld staan, gaan op deze nieuwe aarde en onder dezen nieuwen hemel ten leven in, doch hiermede is het geredde menschelijk geslacht dan ook volledig en voleind opgetreden. Verdere uitbreiding ondergaat 't niet meer. Het door God bestemde geheel is er nu, en laat geen vermeerdering toe, en waar uiteraard steeds nadruk op moet worden gelegd, het bestaat dan volstrekt niet enkel uit hen, die de naderende Voleinding persoonlijk beleefden, maar uit de verkorenen uit alle eeuwen en uit alle geslachten, die er sinds het eerste Paradijs geweest zijn.

Vooral uit de eerste eeuwen na de schepping van het Paradijs moogt ge u het aantal van deze ten leven verkorenen niet als aanzienlijk voorsteilen. Veeleer geeft de aloude historie, gelijk de schrijver vanGenesis ons die voorlegt, den pijnljken indruk, dat in de eerste eeuwen hun ; antal uiterst beperkt moet geweest zijn. C jk ontvangt men allerminst den indruk, cf, > toenmaals de Kerk van Christus reeds een institutairen vorm had aangenomen. Wel mag aangenomen dat er gemeenschappelijke aanbidding plaats greep. Staat er toch in Gen. IV:26: Aan Seth werd óók een zoon geboren. Toen begon men den Naam des Heeren aan te roepen", dan'kan dit niet verstaan worden van wat Seth persoonlijk voor zich zelf of voor zijn gezin deed, maar is zulks te verstaan als een bericht van ernstige beteekenis, waaruit blijkt, dat alstoen zij die den Heere vreesden, uit hun verschillende gezinnen saamkwamen, en gemeenschappelijk lofzang en aanbidding instelden. Meer zegt 't bericht intusschen niet, en we dragen in niets kennis van de wijze waarop dit toeging. We missen dan ook elk recht, om uit de korte aanteekening in Gen, IV : 26 te besluiten, dat er reeds voorgangers gekozen werden, of lokalen voor den eeredienst gebouwd waren, We weten alleen dat er kinderen Gods waren, en dat dezen bijeen kwamen, 'om voldoening te vinden in een gemeenschappelijken eeredienst. Welk aantal der toenmalige aardbewoners hieraan deelnam, weten we evenmin. Wat daarentegen uit het geheele verhaal in Gen, vijf en zes duidelijk blijkt, is, dat het getal van hen die aan deze aanbidding deelnamen, bij ontstentenis van alle geregelde Kerkelijke ordening, zeer spoedig inkromp, en van lieverlede zóó zeer daalde, dat er ten slotte schier geen spoor meer van te ontdekken viel, om alleen in het ééne gezin van Noach in Sem en Japheth nog twee zonen te doen opleven, die vermoedelijk elk met hun gezin in den dienst des Heeren volhardden. Bevreemden .kan het dan ook niet, dat aanstonds na Noachs dood opnieuw een algeheele verwording van de Kerk van Christus dreigde, en toen is als eenig afdoend redmiddel de roeping van den grooten Patriarch gevolgd.

Hierdoor echter ontstond noodzakelijkerwijze een enge verbinding tusschen de optreding van dit Abramitisch geslacht en den dienst des Heeren. De Kerk stond niet meer vrij en op zich zelve, maar werd ingelascht en ingevlochten in het uit Abraham's geslacht opkomend volk. Tweeërlei volgde hieruit, 'Ten eerste, dat dit volk in aanraking moest^ worden gebracht met een land als Egypte, dat destijds allicht de meest ontwikkelde natie droeg, en ten andere, dat de Kerk, voor zooverre ze nu onder dit volk zou opbloeien en vaster stand erlangen, niet op zich zelf kon staan, maar met het nationale leven van dit volk, als we ons zoo mogen uitdrukken^ gehuwd en gepaard moest worden. Ware nu de historie van dat volk in zijn twaalf stammen regelmatig doorgegaan tot op de komst van den Messias, zoo zou heel Israël 't uitgangspunt van het Nieuwe Testament hebben gevormd. Doch 't liep heel anders. Van de twaalf stammen vielen er al spoedig tien af en verloren zich onder de macht van Assyrië. Levi was afgezonderd voor den eeredienst. En alleen Juda behield zijn positie. Zoo echter dat ook in Juda deze positie onder het Sanhedrin vervalscht werd. Weshalve ten slotte met name in Galilea de laatste overblijfselen zich vertoonden van wat uit Abraham's geslacht aan de Kerk van Christus vasthield. De feitelijke uitkomst op Golgotha was dan ook, dat de eens gelegde band tusschen Christus' Kerk en Israel verbroken werd, de val van den Tempel werd aangekondigd, en het alsnu geheel zelfstandig optreden van de Kerk van Christus werd ingeluid.

Juist dit echter was oorzaak, dat de Kerk zich alsnu een geheel zelfstandige positie moest trachten te veroveren, en zich met een geheel eigen leven naast het maatschappelijk leven der volken moest aandienen. Dit echter stuitte op ernstige bezwaren, die 't martelaarsschap vernieuwden. Vandaar toch de tweeërlei strooming, eenerzijds om de Kerk van Christus geheel onafhankelijk en zelfstandig te laten optreden, en anderzijds om de Kerk van Christus met het volksleven, en in dat volksleven met de macht van de Overheid, te vermengen. Doch welke schade dit ook met zich bracht, niets belette, dat straks in de ure der Voleinding een geheel gezuiverde toestand zou intreden, en dat in dien nieuwerten gezuiverden staat van zaken, de verkoren en gezaligde menschheid van alle eeuwen, uit het Vaderhuis weer in het leven op deze aarde, mits dan op een vernieuwde aarde, zou ingaan, en alsnu wat in het Paradijs doorden val was afgebroken, weer zou opvatten, en zóó zou opvatten, dat het alsnu opgekomen leven eeuwigbestand zou erlangen, en door geen tweeden val meer kon gedeerd worden.

Dit is dan ook wat alsnu in de derde plaats komen zal. Alles wat onheilig was geworden, en tegen God koos, zal dan zijn weggevallen, en de menschheid op deze nieuwe aarde en onder dezen nieuwen hemel zal uit niet anders bestaan dan uit hen, die reeds in het Vaderhuis waren opgenomen, , en in de laatste ure, bij de Voleinding, nog op aarde gevonden werden. Vermeerderd zal deze gezaligde menigte dan niet meer worden. De geboorte houdt op. Al wat van het Paradijs af als uitverkorenen tot de Kerk van Christus heeft behoord, zal dan die nieuwe aarde bevolken, zij allen, doch ook zij alleen. Op dit zij alleen, valle hier nu de volle nadruk. Dit toch beteekent, dat de Kerk als Kerk alsdan wegvalt. De Kerk moest in een. zelfstandig bestaan optreden, toen zij, in rechtstreeksche onderscheiding van de lieden der wereld, een eigen geheel vormde dat.lijnrecht tegen de gevallen menschheid overstond. In het einde echter verzinkt die onheilige wereld in eigen verderf, en rekent ook de oude aarde onder den nieuwen hemel niet meer mede. De menschheid die in de verdoemenis vervalt, verliest nu ookvoor deze aarde alle beteekenis. Ze is niet meer op de aarde. Ze huist in den afgrond. En op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel leven-nu eeniglijk de verkorenen, die van den aanvang der wereld af, zijn afgezonderd, en die nu, uit de dooden opgestaan, saam de herboren, nieuwe menschheid vertegenwoordigen. Hieruit nu vloeit voort, dat de tegenstelling tusschen Kerk en wereld tenslotte geheel wegvalt. Er blijft niets over dan wat Kerk was, doch het onderscheid is, dat - nu de groote schare, die uit alle eeuwen her, als zoodanig uit het Vaderhuis uittreedt, lichamelijk opstaat, en op de vernieuwde aarde alsnu haar blijvende woonplaats vindt, er alleen is. Al wat er buiten haar bestond, is dan verzonken. Er is en blijft alsdan eeniglijk de verkoren menschheid, en het is deze verkoren en vernieuwde menschheid, die alsnu van de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel bezit neemt, om er het nieuwe leven te beginnen, en onafgebroken voor eeuwig voort te zetten.

Het Vaderhuis, en dit is 't, waarop 't hier aankomt, «is niet de duurzame en eeuwige verblijfplaats der gezaligden. De beteekenis van het Vaderhuis ligt in de omstandigheid, dat de historie der menschheid op deze aarde een lange reeks van eeuwen beslaat. Rekent men reeds nu met zestig eeuwen, niets snijdt de mogelijkheid af, dat er op de zestig eeuwen nog verlenging van duur volgt. Daar nu ih het verloop van dezen langen duur achtereenvolgens de hier op aarde levende geslachten der geloovigen sterven en in den dood gaan, heeft zich na Christus offerande aan het Kruis het Vaderhuis ontsloten als tijdelijke verblijfplaats voor de aanvankelijk reeds gezaligden. Dé zaliging dezer opgenomenen in het Vaderhuis is intusschen nog geenszins voleind. Gelijk Jezus het aan zijn medekruiseling toeriep: Het Vader­ huis is wat straks in de Voleinding overgaat in het vernieuwde en eeuwigdurende Paradijs, Dit vernieuwde en verheerlijkte Paradijs nu kan niet intreden, zoolang een onheilige macht nog op deze wereld den toon aangeeft, en de Kerk van Christus op die bedorven^ aarde niet anders dan een geheel afgezonderde positie kan innemen. Doch vast staat, dat in dit Vaderhuis de zielen der gezaligde afgestorvenen wel als geestelijke wezens huizen, doch onlichamelijk, en zonder verband met Gods overige Schepping. Juist in dit louter geestelijk karakter van het Vaderhuis bestaat het grondverschil tusscheö den voorloopigen toestand waarin de gezaligden aanstonds na hun dood verkeeren, en den eindtoestand waarin ze straks na de wederopstanding overgaan. Elke voorstelling alsof het Vaderhuis hun eeuwige woonstede zou zijn, gaat daarom rechtstreeks tegen de Openbaring der Heilige Schrift in. Ware dit toch zoo, dan zou er geen lichamelijke opstanding, dan zou er geen laatste oordeel, en dan zou er geen leven op een nieuwe aarde onder een nieuwen hemel zijn.

Hierop nu, moet daarom zoo bijzondere nadruk worden gelegd, omdat het gewone kerkelijke spraakgebruik vaak den schijn aanneemt van in het Vaderhuis de voleinde zaligheid te willen zoeken, en alzoo geheel onze eeuwige toekomst te willen vergeestelijken. Zelfs de aanteekenaars op onze Statenvertaling laten in hun kantteekeningen genoegzaam doorschemeren, dat ook zij er toe neigden om in deze eenzijdige geestelijke uitlegging te vervallen. Van de nieuwe aarde, die er onder den nieuwen hemel eens komen zal, reppen ze bijna niet, en op wat reeds de Oud-Testamentische profeten over het herboren leven schreven, waarin het lam met de^wolf zou verkeeren, gaan ze niet ih. Niet genoeg kan er daarom door hen, die aan de Schrift vasthouderi, nadruk op vvorden gelegd, dat het Gode in het begin niet behaagd heeft, louter menschen te scheppen, en aan deze geestelijke menschen, evenals aan de Engelen, een louter geestelijk bestaan^te geven, maar dat de mensch in rechtstreeksch verband geschapen is met de geheele wereld, gelijk ze thans nog in een delfstoffenrijk, in een plantenrijk en in een dierenrijk bestaat.

Het verband met deze ondergeschikte rijken nu is voor de Kerk van Christus, en alzoo voor de geloovigen, van zijn volle beteekenis beroofd geworden en gebleven, zoolang de onheilige macht der wereld zich van deze terreinen heeft meester gemaakt en er meester van blijft. Er is nu scheiding, en zoolang die scheiding aanhoudt, kan er van de herboren menschheid geen macht op de overige Schepping uitgaan, en derft zij, hier pp aarde, èn het Vaderhuis èn het Paradijs, Valt daarentegen ten slotte, in de ure der Voleinding, de geheele onheilige menschenmassa weg, en blijft er op de nieuwe aarde niets over dan de herboren menschheid uit alle eeuwen die dan zullen zijn voorbijgegaan, zoo kan het niet anders of die herboren menschheid zal wederom in haar Paradijs staan, doch dan in een Paradijs, dat nimmer gedeerd kan worden, maar eeuwiglijk zijn glorie zal behouden. Het zal dan een wereld zijn, gelijk het ons in de Openbaringen geteekend wordt, niet met enkele kleine edelgesteenten en diamanten, maar met een diamanten glans die een ieder verwonderen zal. Er zal dan in de plantenwereld geen enkel giftig uitspruitsel meer gevonden worden, doch 't zal alles in nog luisterrijker boomen-en bloeménweelde schitteren-dan thans. En uit de dierenwereld zal evenzoo al wat verwilderd of van zijn adel beroofd was, wegvallen, om niet anders dan de aanminnige en majestueuse gedierten te doen overblijven.

Het--zal Godes triomf zijn, die eens een wereld schiep volstrekt niet alleen van menschen, maar een rijke wereld in veelheid van trappen, waarin de mensch de hoogste trap zou innemen. Een wereld, die God in, al deze geledingen schiep, niet om den mensch te bekoren of te dienen, doch om er Zichzelf in te verheerlijken, en alzoo tot zijn eigen glorie. Doch dan ook een wereld die juist daarom, al viel ze, niet te gronde mocht gaan, maar op den door God bestemden tijd, in nog veel rijker vorm her-, leven zou, en dan herleven zou, om duurzaam in glorie te blijven.

Van een tweeden val, of van een eindelijken ondergang van die herboren wereld, zal dan óok nimmer'sprake kunnen wezen. God schiep onze rijke wereld, met al haar geledingen, niet om onzentwil, maar ter verheerlijking van zijn eigen Naam. En daarom is het dan ook niet in te denken, dat ooit die wereld door 's menschen zonde aan God ontrukt zou worden. Ze

komt daarom terug in al haar geledingen, doch in verhoogde glorie, en het is in dit vernieuwd Paradijs dat eens al Gods kinderen, in volken en geslachten ingedeeld, hun Schepper voor eeuwig verheerlijken zullen? "

') In ons laatste Voorstuk sloop een drukfout in. In de derde kolom, regel 50 van boven, staat gedrukt: Abraham, waar geschreven was Adam. Alleen dit laatste was juist.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1919

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken