Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Is de Hervormde Kerk een schjjnkerk?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Is de Hervormde Kerk een schjjnkerk?

11 minuten leestijd

XVII.

De vraag of men den doop in de Hervormde Kerk als een Christelijken doop kan erkennen, hangt dus niet alleen daarvan af of bij de bediening van dezen doop de forme en substantieele dingen des doops zijn onderhouden, gelijk de Synode van Dordt het uitdrukte, d. w. z. of de doop bediend is met water en met het uitspreken van de bekende Doopsformule, maar evenzeer daarvan of deze Doop bediend is in een Kerk, die men nog als Christelijke Kerk kan erkennen, en door degenen die krachtens de roeping in deze Kerk hun verleend een ambt in deze Kerk te bez|^en. Volkomen terecht merkt daarom Prof. Bavinck in zijn Dogmatiek IV blz. 589 op, dat de Gereformeerden, „wijl zij de Doopsformule niet magisch opvatten en den doop niet losmaakten van Kerk en ambt, steeds den eisch hebben gesteld, zou de doop erkend worden, dat hij bediend moest worden door een in eene Christelijke gemeente erkenden Dien'air". In de toepassing van dit beginsel mogen onze Vaderen eer te ruim dan te eng zijn geweest, waar zij ook den doop door zoogenaamde leeken bediend in de Roomsche en Luthersche Kerk erkend hebben, omdat de „leeken" in deze Kerken de macht ontvangen hadden om te doopen, maar het beginsel zelf, dat de doop alleen erkend kan Worden, wanneer deze bediend is in een Christelijke Kerk, lieten zij niet.los. Waar geen Christelijke Kerk meer is, is ook geen Christelijke doop meer. In de erkenning van den doop door de verschillende Christelijke Kerken bediend, ligt tevens de erkenning van de Catholiciteit der Christelijke Kerk, die over al deze Kerken zich uitstrekt.

Het is daarom volkomen juist, dat wanneer men ontkent, dat de Hervormde Kerk een Christelijke Kerk is en degenen, die hier als ambtsdragers optreden, een ambt bezitten, dat men dan ook den doop in deze Kerk bediend, niet als een wettigen doop erkent, zelfs al zou die doop overigens op Schriftmatige wijze bediend wezen. Evenals het omgekeerd een dwaasheid zou wezen, wanneer men den doop in de Hervormde Kerk bediend, wel als een Christelijken doop erkent, maar tegelijk verklaart, dat de Hervormde Kerk zelf niet meer als een Christelijke Kerk is te beschouwen en dat in haar van wettige ambtsdragers geen sprake meer is.

Nu is er over de wettigheid van den doop, die in de Hervormde Kerk bediend is, zeker van meet af verschil van gevoelen in onze Kerken geweest. Niet alleen omdat men niet genoegzame zekerheid had, of deze doop wel op Schriftuurlijke wijze bediend was, maar ook omdat men de Hervormde Kerk als zoodanig niet langer als een Christelijke Kerk erkende, zijn er in de vroegere Christelijk Gereformeerde Kerk enkele gemeenten geweest, die den doop in de Hervormde Kerk bediend, verwierpen, en oordeelden, dat ieder, die in deze Kerk gedoopt was, wanneer hij tot ons overkwam, opnieuw gedoopt moest worden. Maar al was dat het oordeel van enkele particuliere personen of kerken, de Christelijk Gereformeerde Kerk als geheel is met deze opvatting nooit mede gegaan; zij heeft den doop in de Hervormde Kerk bediend wel degelijk als een Christelijken doop erkend, wanneer deze' Doop maar op Schriftuurlijke wijze bediend was.

En evenzoo is geschied door de Nederduitsch Gederormeerde Kerken, die uit de beweging van 1886 zijn voortgekomen. Er is zelfs, zoover we weten, nooit ééne Kerk onder hen geweest, die de wettigheid van den doop in de Hervormde Kerk bediend als zoodanig betwijfeld heeft of degenen, die in de Hervormde Kerk gedoopt waren, weder gedoopt heeft. Men ging voort, ook nadat men het Synodale juk afgeworpen had, met den doop te erkennen, die bediend werd door hen, die onder het Synodale juk waren gebleven.

Wel gaf het natuurlijk steeds moeite, dat men bij ccn doop in de Hervormde Kerk bediend, geen genoegzame waarborgen heeft, dat deze doop bediend is met het uitspreken van de bekende formule, omdat er op dit punt allerlei misbruiken in de Hervormde Kerk zijn ingeslopen en er moderne predikanten zijn, die opzettelijk de doopsformule wijzigen, door bijv. niet te doopen in den naam van Vader, Zoon en H. Geest, maar van geloof, hoop en liefde. Maar al heeft met het oog daarop de Synode van Groningen in 1899 uitgesproken, dat het noodzakelijk was „dat de Kerken, zoo dikwijls iemand, die uit het Hervormd Kerkgenootschap overkwam, zich als gedoopt bij haar aandiende tot het afleggen van belijdenis des geloofs en tot toelating van het H. Avondmaal, onderzoeken zouden, of zulk een persoon wel wettelijk gedoopt was", van een generale uitspraak, dat de doop in de Hervormde Kerk bediend geen wettige doop is, was geen sprake. Eer het tegendeel. Juist uit het feit, dat een nader onderzoek gelast werd, .blijkt, dat de Synode den doop in de Hervormde Kerk bediend, niet als een schijndoop beschouwde. Anders had de Synode eenvoudig kunnen" besluiten, dat allen, die uit het Hervormd Kerkgenootschap tot ons overkwamen, opnieuw gedoopt moesten worden. En juist dat besloot de Synode niet. Ze gelastte een onderzoek: ze wilde keur. Maar juist uit deze keur blijkt, dat zij, al was het vertrouwen geschokt, toch de mogelijkheid aannani, dat de doop in de Hervormde Kerk bediend, nog een echte doop is.

Zoo blijkt dus uit de constante practijk onzer Kerken en uit de besluiten onzer Synodes, hoe men den doop in de Hervormde Kerk bediend, niet als een schijndoop heeft beschouwd, maar, mits deze doop met water en in den naam des Vaders en des Zoon en des Heiligen Geestes was bediend, als een wettigen en Christelijken doop erkend heeft. VVaaruit dan natuurlijk ook tevens volgt, dat onze Kerken erkennen, dat de Hervormde Kerk nog een Christelijke Kerk is. Want indien deze Kerk had opgehouden een Christelijke Kerk te zijn, zou de doop, in deze Kerk bediend, geen doop meer wezen. In een schijnkerk heeft men alleen een schijndoop. Wie de Hervormde Kerk voor een schijnkerk houdt, kan ook den doop in deze Kerk bediend, niet langer voor een Christelijken doop erkennen.

Of wil meri het vraagstuk nog dieper opvatten, wanneer Calvijn in zijn Institutie over de Roomsche Kerk spreekt en ••••'il aantoonen, dat, hoe diep het verval dezer Kerk is, toch altoos nog onder de bouwvallen een stuk van de Christelijke Kerk is overgebleven, dan wijst hij er op, hoe ook in de Roomsche Kerk het genadeverbond nog niet is afgebroken, aangezien God de Heeie in deze Kerk nog altoos het sacrament van den Doop in stand heeft gehouden en dit sacrament met de werking van Zijne genade vergezelt. De vraag, of men te doen heeft met een schijndoop of met een wettelijken doop hangt in den diepsten grond niet daarvan af, of de

formule bij dezen doop bediend wel geheel juist is en of deze doop wel in een zuivere Kerk is bediend, maar of deze doopsbediening, nu in algemeenen zin genomen, nog vergezeld gaat met de wederbarende en levendmakende werking des Heiligen Geestes. De doop is het sacrament van de afwasschmg der zonden door het bloed en den Geest van Christus, het bad der wedergeboorte, gelijk de Apostel het noemt. In een schijnkerk wordt die zaligmakende werking des Heiligen Geestes niet meer gevonden. In zulk een Kerk heerscht de geestelijke dood, omdat de Geest des Heeren van zulk een Kerk geweken is. Of men in zulk een schijnkerk nog kinderen met water besprengt en daarbij zekere woorden prevelt, doet er niet toe. Wat Calvijn noemde de kracht en werkzaamheid van den Doop wordt in die schijnkerk niet meer gevonden. Er is geen afwassching met het bloed van Christus, er is geen wedergeboorte door den Heiligen Geest. En waar die beide niet meer gevonden worden, daar is ook geen Christelijke doop meer. Maar zoolang men in een Kerk, hoe verbasterd en gedeformeerd ze ook wezen moge, nog een werking des Heiligen Geestes waarneemt, er nog zielen worden wedergeboren ten eeuwigen leven en er nog geloovigen zijn, die de verlossing in Christus bloed door het geloof aannemen en deelachtig worden, heeft men daar nog een deel van de Christelijke Kerk, en is de doop, die daar bediend wordt, nog een werkelijke doop. Want de doop is dan niet een uitwendig waterbad, maar verzegelt wat de Heilige Geest in de. harten doet.

Of wil men het anders uitgedrukt, laat Prof. Bavinck het dan aldus zeggen: „Alle Christelijke Kerken erkennen nog elkanders doop en spreken daarmede feitelijk uit, dat in haar allen nog zooveel waarheid aanwezig is, dat de mogelijkheid van zalig te worden niet is uitgesloten" (Dogmatiek IV blz. 590). Alleen dan, , wanneer alle waarheid Gods uit de Kerk geweken is, wanneer de leugen zoo de overhand heeft gekregen, dat van het Evangelie der genade niets is overgebleven en daarom de mogelijkheid van zalig te worden is buitengesloten, kan zulk een genootschap, al noemt het zich Kerk, niet langer als een Christelijke Kerk erkend worden en houdt ogk het waterbad in zulk een schijnkerk be'diend, op een Christelijke doop te zijn.

Zal nu wel niemand durven beweren, dat in de Hervormde Kerk de mogelijkheid om zalig te worden is buitengesloten, moet veeleer erkend, dat de Heilige Geest ook aan deze Kerk nog geen scheidsbrief gegeven heeft, • maar trots haar ontrouw in haar midden werken blijft en door de prediking van het Woord nog velen tot het geloof in Christus brengt, zoo volgt hieruit vanzelf, dat in deze Hervormde Kerk nog altoos wordt gevonden een stuk van de Christelijke Kerk en dat de doop, in deze Kerk bediend, daarom nog als een Christelijke doop erkend moet worden. De grond toch, waarom de doop niet herhaald mag worden, is, zooals onze Belijdenis zegt, dat men ook niet tweemaal wedergeboren kan worden. Er is maar één wedergeboorte en daarom ook maar één doop.

Toch vloeit hieruit niet voor®dat elke doop in de Hervormde Kerk bediend, reeds daarom als Christelijke doop erkend zou mogen worden. Een doop, die niet naar de instelling van Christus bediend wordt, is geen doop. En de moeilijkheid schuilt juist daarin, dat de Hervormde Kerk ons geen genoegzame zekerheid biedt, dat de doop naar de instelling van Christus bediend is. We bedoelen daarmede niet, dat in de Hervormde Kerk ambtsdragers optreden, die geheel of ten deele het Christelijk geloof hebben prijs gegeven. De wettigheid en kracht van den Doop hangt niet af van de waardigheid of het geloof van hem, die den Doop bedient; anders zou men nooit zekerheid hebben, of men wel werkelijk gedoopt was. De doop is niet het sacrament van den predikant, maar van de Kerk, of wil men nog liever van Christus, die het door zijn Kerk laat bedienen. Maar al kan het persoonlijk ongeloof van een predikant den doop niet krachteloos maken, wel zou dit het geval zijn, wanneer zulk een predikant opzettelijk de doopsformule wijzigen ging om daarmede duidelijk te toonen, dat hij niet bedoelde den Christelijken doop uit te reiken. Aan een letterlijk uitspreken van de gewone Doopsformule hangen we daarom niet. Maar wanneer ds Doop niet bediend wordt in den naam des Drieëenigen Gods is dit geen Christelijke doop. En men weet hoever in dit opzicht de willekeur van sommige moderne predikanten in de Hervormde Kerk gegaan is. Nu mag echter, ook waar men de Hervormde Kerk er een verwijt van maakt, dat aldus zelfs het sacrament van den Doop door haar niet meer heilig gehouden wordt, toch billijkheidshalve niet vergeten worden, dat de Synode der Hervormde Kerk nooit ofte nimmer aan zulke afwijkende doopsbedieningen haar zegel heeft gehecht, of verklaard heeft, dat ieder predikant den Doop mocht bedienen, zooals hij het wilde. Veeleer heeft de Synode, toen bij haar geklaagd werd, dat enkele predikanten van de Doopsformule' afweken, openlijk hare ernstige afkeuring te kennen gegeven over „elke willekeurige afwijking, welke aan den doop zijn eigenaardig karakter ontneemt" en tot de Kerkeraden een circulaire gericht om er bij hen op aan te dringen, dat „zij toe zouden zien, dat bij de Doopsbediening de woorden ontleend aan Matth. 18 : 19 werden uitgesproken." Gerust mag dan ook gezegd worden, dat thans in den regel de doop wel bediend wordt naar de instelling van Christus, en zulke afwijkingen zelden meer voorkomen. De fout van de Synode is alleen geweest, dat zij geen wettelijke bepalingen heeft wjllen rnaken om het verplicht gebruik van de Doopsformule vast "te stellen en de predikanten, die deze doopsformule niet gebruiken, daarvoor te straf fen. En de aanschrijving aan de Kerkeraden gericht, om toe te zien, dat de predikanten niet willekeurig van de doopsformule afwijken, baat al zeer weinig, wanneer zulk een kerkeraad zelf geheel modern is en er niets om geeft, hoe de Doop bediend wordt.

In geval men dus te doen heeft met iemand, die uit de Hervormde Kerk tot ons overkomt, en die vroeger gewoond heeft in een geheel moderne gemeente en daar. door een modernen predikant gedoopt is, is er zeker reden om een nader onderzoek in te stellen, voorzoover dit mogelijk is, of deze predikant wel de doopsformule aan Matth. i8 ontleend gebruikte, en indien dit niet geschiedde, behoort zulk een persoon als nog niet gedoopt den Christelijken doop te ontvangen. Maar kan desaangaande geen zekerheid verkregen worden, dan herhale men den Doop niet. Aan den Doop hangt de zaligheid niet. Een conditioneelen doop, zooals de Roomsche Kerk voor dergelijke gevallen heeft, kent de Gereformeerde Kerk niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 april 1919

De Heraut | 4 Pagina's

Is de Hervormde Kerk een schjjnkerk?

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 april 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken