Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Een wolk nam hem weg van hunne oorgen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Een wolk nam hem weg van hunne oorgen.”

19 minuten leestijd

En als hij dit gezegd had, werd hij weggenomen onderwijl zij het zagen, en eene wolk nam hem weg van hunne oogen. Hand. 1:9.

[HEMELVAART 1919.]

En als hij dit gezegd had, werd hij weggenomen onderwijl zij het zagen, en eene wolk nam hem weg van hunne oogen. Hand. 1:9.

Jezus' opvaren ten hemel is de groote gebeurtenis, die het verleden, dat er achter ligt, afscheidt van den sedert ingetreden toestand, die voortduren zal tot op het machtig oogenblik, waarop diezelfde Christus uit dien hemel weer naar deze aarde zal terugkeeren. Het groote keerpunt in de geschiedenis der eeuwen wordt meestal in het eenig schitterende Pinksterfeest gezien, maar dit mag de beteekenis van Jezus hemelvaart niet in 't minst voor ons verkleinen. Voor onze saamleving als Christenheid op aarde is zeer zeker het Pinksterwonder meer toonaangevend gebleken, maar toch lag er een tekortkoming in, dat de Hemelvaart van den Christus als van tweede, en van ondergeschikte orde, te zeer achteraf is gezet. De veertig dagen die tusschen de Hemelvaart en de Pinksterglorie inliggen, zijn wel voor ons niet doorzichtig, zoodat het ons niet mogelijk is, ons een duidelijke voorstelling te vormen van wat gedurende die veertig dagen daarboven voorviel, maar het feit zelf van Jezus hemelvaart wijst ons dan toch op den ommekeer die plaats greep in de wij ze, waarop de Christus als onze Middelaar voor deze aarde zijn heil volbracht. Achter Bethlehem liggen de eeuwen, waarin de Zone Gods, als onze Middelaar, de zaak vai on? .e behoudenis daarboven voor ons gedragen had. Tot zelfs voor de Schepping in Gods eeuwigen raad treedt de Christus als onze Middelaar op, en reeds in de dagen des Ouden Verbonds ontwaren we, hoe de Middelaar destijds reeds met de Patriarchen in verbintenis trad, en zelfs aan Abraham verscheen om het toekomende heil mogelijk te maken. Maar dit alles droeg toch eeniglijk een voorloopig karakter, en eerst met de geboorte van Maria's Kindeke te Bethlehem zette zich de nieuwe periode in. Een periode, die hierin haar eigenaardig karakter droeg, dat de Zone Gods nu als onzer één onder de kinderen der menschen optrad, met hen verkeerde, in hun levensexistentie inging, door wonder na wonder zijn heilig Zoonschap deed uitkomen, en ten slotte met het overblijfsel van Israel in zoo nauw verband, maar ook in zoo rechtstreeksche tegenstelling geraakte, dat aan het Kruis het pleit beslecht moest worden, toen het ingezonken en afgedoolde Israel hem uitwierp, - en hij in de grafstedé van Jozef van Arimathea werd uitgedragen. Dit graf werd straks de heilige stede van zijn Verrijzenis, en toen Immanuel door zijn opstanding herrees, heeft de Christus desniettemin nog veertig dagen met zijn jongeren verkeerd, en zijn Apostelen het zegel vanhun heilige roeping uitgereikt, maar het leven van den Middelaar op aarde was met zijn begrafenis dan toch aan zijn einde toegekomen. De veertig dagen van de verschijningen, die hierop volgden, werden niet meer in, doch buiten de wereld doorleefd, en deze gansch bijzondere gemeenschap hield dan ook niet meer dan ruim vijf weken, of wilt ge veertig volle dagen, stand, en toen werd de scheiding tusschen den Middelaar en deze aarde voleind. Hij was in Bethlehem tot ons nedergedaald, nadat te Nazareth reeds de vervulling der belofte was ingegaan, doch nu werd deze gemeenschap afgebroken, niet geestelijk maar lichamelijk, niet inwendjg maar uitwendig. Van die ure, waarin hij ten hemel voer, tot aan zijn nederdaling voor het laatste oordeel, zou de uitwendige, de zichtbare gemeenschap zijn afgebroken. Op den weg naar Damascus en op Pathmos mochten hierop uitzonderingen intreden, maar voor het overige was met de Hemelvaart de scheiding een feit geworden. Niet alsof de Christus van dat oogenblik af zijn gemeente hier op aarde ^f." '? .^^'' 2^1ve zou overlaten. Veeleer zou hij blijven waken, om voor ons te bidden, en zijn geheiligde gemeente op zijn hart te dragen, doch 't zou niet meer zijn zooals van Bethlehem tot den Olijfberg. Toen was het zichtbaar voor aller oog, zooals de Christus onze menschheid had aangenomen, doch van de ure van zijn Hemelvaart af trok hij zich van ons terug, zoodat ons biddend oog Hem daarboven aan de Rechterhand des-Vaders, en niet meer hier op aarde onder de kinderen der menschen te zoeken had.

Er is op die Hemelvaart voor de discipelen en discipelinnen van den Christus een tiental dagen van onzeker wachten gevolgd. Wel wist de apostelschaar, dat de Zone Gods die hen verlaten had, hen door een hemelsch levensteeken straks venassen zou. Zelf had de Christus het in de laatste ure van zijn aardsche samenzijn met hen uitgesproken: > Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jerusalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde, c De jubel van het Pinksterfeest is aan de Apostelen en de overige discipelen en discipelinnen niet onverwachts overkomen. Ze waren er op voorbereid. De stellige belofte hiervan was Jezus laatste woord tot hen geweest. En toen Jezus opvoer, zoodat ze zijn stem niet meer hooren konden, zijn de Engelen nedergedaald, die 't hun betuigden: > Deze Jezus, die van u opgevaren is naar den hemelj zal alzoo wederkomen, gelijkerwijs gij Hem ten hemel hebt zien henenvaren.c Ze waren niet in verlegenheid. De Heere had hen niet in onwetendheid gelaten. Tot 't laatste oogenblik toe was hij hun Heiland gebleven, die in hun hart inging, hun verlegenheid begreep en doorzag, en er op alle manier volledig aan tegemoet kwam. Maar ten slotte moest de scheiding dan toch intreden, en van dat oogenblik af hield Jezus op om naar gewone menschelijke wijze met hen te verkeeren. De band die-in Bethlehem onder den jubelzang der Engelen gelegd was, werd nu omgezet in een heilige verbintenis, die den opgevaren Heiland aan zijn jongeren op aarde verbond. En gelijk in Bethlehem de Engelen Gods den jubelzang hadden ingezet, zoo daalden hier nogmaals de Engelen neder, om aan de Kerk op aarde de belofte van Jezus wederkomst te brengen, en hiermede een hope te wekken, die tot met Jezus wederkomst, straks de zijnen zou kunnen bezielen.

Inmiddels is er geen sprake van, dat tot aan Jezus wederkomst de verbinding tusschen den ten hemel gevaren Heiland en zijne op aarde achtergebleven geloovigen zou verbroken zijn. Het is, ja, na Jezus opvaren ten hemel niet meer een gelijke band, als die hen aan den Man van Smarten verbond, toen zij zijn lijden met eigen oog konden waarnemen en getuigen waren van zijn Goddelijke taal en van zijn wonderwerken. Die vroegere samenhang tusschen den Heiland en zijn discipelen viel nu weg. Maar wat niet wegviel is de band waarmee de Christus, ook nu hij bij den Vader is, de zijnen omklemt. Ook nu kent de Heiland, terwijl hij aan de rechterhand des Vaders gezeten is, de zijnen, die nog op aarde verkeeren, persoonlijk en hoofd voor hoofd. Meer nog, hij kent thans, terwijl hij aan de rechterhand des Vaders is gezeten, niet alleen die ten leven geroepenen, die hem belijden kunnen, en hem lof toezingen, en voor hem nederknielen, maar even stellig ook de pasgeboren kleinen, die verkoren waren, en kort na hun geboorte, ten eeuwigen leven ingingen. Met Jezus' verscheiden van deze aarde, en met name met zijn opvaren van den Olijfberg om den hemel in stee van Palestina te heroveren, is de Christus niet in mindere, maar juist omgekeerd in veel nauwere en meer gestadige aanraking met ons gekomen, dan toen hij nog in het Heilige Land omwandelde. Zelfs had zijn verplaatsing uit Palestina naar den hemel ten doel, om hem op veel breeder schaal verbinding met de zijnen op aarde te doen aanknoopen. Zooals Jezus het vlak vóór hij ten hemel opvoer, uitsprak, zijne discipelen moesten zijn getuigen zijn, volstrekt niet alleen in het Joodsche land, maar »tot aan het uiterste der aarde< . Zijn aanwezigheid hier beneden opende slechts de mogelijkheid van gemeenschap met Jezus voor een betrekkelijk kleine schare in Galilea, Samaria en Judea, en wat in stee hi6rva.n komen moest, was een levende zielsgemeenschap tusschen den Heiland en alle uitverkorenen, die hier op de gansche aarde_ hem belijden mochten. Een aanwezigheid in één enkel land en onder één enkel volk kon daarom niet meer volstaan. De gemeenschap met den Heiland moest zich nu hier op aarde voor alle geloovigen en voor alle uitverkorenen ontsluiten, en juist daarom moest er thans een gemeenschap zich openen, die aan geen land of volk gebonden was, maar zich tot alle streken hier op aarde en tot alle volken kon uitstrekken.

Ja, zelfs hiermede is nog niet genoeg gezegd. De geslachten immers, die op aarde leefden, toen Jezus hier omwandelde, waren niet de eenigen, met wie de Heiland gemeenschap moest bewerken. De geslachten en personen, aan wie het geheel buitengewone voorrecht' ten deel viel, dat Jezus juist tijdens hun leven in Bethlehem geboren werd, en gedurende drie-en-dertig jaren zich in Palestina ophield, waren er slechts ge­ durende één menschenleeftijd, doch aan hun verschijning waren reeds eeuw na eeuw, van het Paradijs af, andere '^jdslachten voorafgegaan; en dit niet alleen, maar ook na hun sterven zijn er thans al weder bijna twintigeeuwen verloopen, waarin voor het minst genomen meer dan veertig elkander opvolgende menschengeslachten geboren zijn en wegstierven, en nog is hiermede niet gezegd, dat het einde reeds op til is, en dat óns geslacht één der laatste zal zijn. De gedachte dat Jezus niet ten hemel ware gevaren, en zijn verblijf hier op aarde ook na zijn Opstanding had voortgezet, zou ons van, die zijde nimmer bevrediging hebben kunnen schenken. Eisch was hier als vanzelf, dat de Christus, nazijnMiddelaarstaak hier op deze aarde volbracht te hebben, in zulk een toestand overging, dat zijn gemeenschap voor alle geloovigen bereikbaiar werd, geheel om 't even of ze geleefd en geleden hadden vóór de kribbe in Bethlehem het Kindeke Jezus ontving, dan wel leefden in de 33 jaren die Jezus hier op aarde vertoefde, of eerst na zijn verscheiden van deze wsreld het levenslicht zouden aanschouwen. Het kon daarom niet anders, of Jezus moest na zijn Opstanding in zulk een positie verkeeren, dat hij bereikbaar werd voor alle geloovigen uit wat eeuw het ook zijn mocht, en dat hij zijnerzijds alle geloovigen zou kunnen naderen, onverschillig of ze vóór Bethlehem geleefd hadden, met Hem op aarde hadden verkeerd, of wel pas na zijn hemelvaart hun ziel tot Hem konden opheffen.

Er is daarom geen sprake van, dat de wereld der geloovigen door Jezus opvaart ten hemel verarmd is, veeleer is ze eerst door Jezus opvaren ten hemel in het rijke, alzijdige genot van zijn duurzame gemeenschap gekomen. Ook geduren; ; ie Jezus omwandeüng op Eirde 7-ijn sry-g.-i; '; ran 7s!f spreekt, herhaaldelijk personen die zich in , 'tjeloof aan Hem gehecht hadden, gestorven. Dan gingen zij de eeuwigheid in, maar Jezus bleef vooralsnog op aarde, zoodat ze, in den hemel ingegaan, daar hun Heiland nog niet vonden. Van allen kant dringt zich daarom, hoe ook bezien, de volstrekte noodzakelijkheid op, dat Jezus, na Zijn Opstanding, hier niet kon blijven, om met de kleine schare, die hem in Palestina aanhing, op voet van heilige gemeenschap te blijven, maar dat hij van meet afin een geheel andere positie moest overgaan, en wel in zulk een positie, dat elke afscheiding door volksverschil of plaatselijken afstand wegviel, en hij, aan de rechterhand des Vaders gezeten, met al zijn verlosten in gestadige gemeenschap kon verkeeren.

Wat de apostel Paulus betuigt, dat » Jezus leeft om voor de zijnen te bidden", drukt dit zoo schilderachtig uit. Niet natuurlijk, alsof de verhoogde Heiland niet ook zelf zijn verlosten met genade verrijken zou, »Ziet, ik ben met ulieden tot aan het einde der wereld", drukt het zoo alzijdig en zoo alomvattend uit, hoe aller verlosten heil van het oogenblik van hun toebrenging af, duurzaam aan Jezus hangt. Nimmer echter mag hier ook maar een oogenblik de band die den Christus aan den Vader bindt, uit het oog worden verloren; en dit juist ligt in zoo overweldigenden zin uitgedrukt in dit zeggen van Paulus, dat Jezus alle de dagen, dat we aan hem verbonden zijn, leeft om voor ons te bidden. Hij doet 't niet maar, het is niet maar één der vele dingen, die rechtstreeks uit zijn zitten aan Gods Rechterhand voortvloeien, maar hij leeft er voor. Hij leeft niet voor zich zelf, maar voor de zijnen, en het is krachtens dit leven voor de zijnen, dat hij voor hen bidt. Er wordt alzoo niet betuigd, dat er nu of dan een enkel oogenblik is, dat Jezus ook aan ons denkt, en dan uit heilige toegenegenheid voor ons bidt. Dat > bidden voorde zijnen" is het machtige verlossingswerk, dat Jezus, na het Kruis op Golgotha, thans in den hemel voor de zijnen voortzet. Hierin ligt alzoo opgesloten allereerst, dat hij de zijnen kent, en zoo persoonlijk kent, dat hij in al hun nooden en zieisbehoeften indrong, en op elk gegeven oogenblik weet, en doorziet, welke hulpe, welken bewarenden bijstand, en welke tegemoetkoming in hun zielsworsteling ze van noode hebben, Jezus als onze verhoogde Heiland leeft niet voor zich zelf, maar leeft voor zijn verlosten, en' wijl hij allen nood der zijnen kent, draagt hij ze steeds in zijn heilige gedachte, vergeet ze nimmer, en laat ze nooit aan zich zelve over, maar leeft er voor, om hun nooden te doorzien, in te gaan in wat hen redden kan, en deze genadige hulpmiddelen gestadig voor hen af te bidden van den Vader.

Voor ons is hierbij dit het ondoorgrondelijke, hoe de Christus de zijnen hier op aarde allen persoonlijk kent, kent in hun innerlijk zielsbestaan en zoo kent in al hun nooden en behoeften, dat er nimmer een oogenblik van geestelijk gevaar voor ons kan aanbreken, of Jezus weet 't en Jezus bidt voor ons. En zulks niet als iets, dat bij andere heilige bezigheden bijkomt, neen maar aldus, dat de Christus er voor leeft, ja, dat zijn leven er in opgaat, en dat zijn leven hiermede ten doel heeft, om de zijnen te redden van de doodelijke zielsgevaren, die hen gedurig bedreigen. En natuurlijk vervalt deze gemeenschap van den verhoogden Heiland met de zijnen allerminst, als ze zelven den dood ingaan. Niet alleen toch, dat de Christus hun ook in dit sterven zelf nabij is met zijn biddende genade, doch ook als de dood volstreden is, en zij de eeuwigheid ingaan, treedt er in het minst geen scheiding in. Ook als de gezaligden, die in Jezus sterven, de poorten van het Vaderhuis binnentreden, blijft in dit Vaderhuis de Christus hun behoeder, tot ten leste de ure komen zal, dat de Christus terugkeert naar deze aarde, en het oordeel volgt, en op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel, als er geen verlossing meer van noode is, God Drieëenig zijn getrouwen in het herstelde Paradijs zal binnenleiden.

Het vreemd aandoende hierbij bestaat vooral hieriti, dat de geloovigen, na hun sterven in het Vaderhuis ingegaan, hun lichaam, dat ze op hun sterfbed "achter-Heten, derven moeten. Eens komt de ure, dat ze hUn lichaam terug-erlangen, en dan in verheerlijkten staat; iets waarvan wij ons ternauwernood een voorstelling kunnen maken. Alleen maar feitelijk treedt dan toch eerst de toestand in, dat de geloovigen na hun sterven hun Heiland in zijn verheerlijkte gedaante aanschouwen zullen, terwijl zij zelven de uitwendige gedaante zullen derven. Wel heeft m^n er ? < > h '-onral jn 'ater dagen aan gewaagd, om ingang te geven aan de voorstelling, alsof de gezaligden, na hun sterven, dan nog wel niet hun volle lichaamsgestalte terug zouden erlangen, maar dan toch in een waarneembare gedaante zouden verschijnen, doch al zulk beweren wordt door de H. Schrift rechtstreeks weersproken, en kan niet aanvaard worden. Hiermede is niet gezegd, dat de geloovigen in het Vaderhuis in Engelengestalte verschijnen. Er ligt heel anders in, dat gelijk wij hier op aarde met het innerlijk wezen van wat ons lief is, tot zelfs in den droom gemeenschap kunnen hebben, er zoo ook een menschelijke zielsgemeenschap bestaan kan en bestaan zal, die geheel buiten het lichaam omgaat, of beter nog gezegd, die zonder medewerking van het lichaam plaats grijpt, en toch realiteit bezit. Voeg hier nu bij dat de geloovigen, die in het Vaderhuis ingingen, bewustzijn zullen hebben van Jezus lichamelijk optreden, dan verstaat ge hieruit tevens, hoe het verlangen naar de wederopstanding der dooden van zelf in hen werken moest. Het is daarom ook zoo onjuist, om zich het tijdelijk inwonen in het Vaderhuis voor te stellen als het genieten van een volstrekte en volkomene gelukzaligheid, die niets te wenschen of te begeeren over zou laten. Juist in het Vaderhuis zal steeds diep uit de ziel de bede gefluisterd worden, of het Koninkrijk komen, en alzoo de wederopstanding der dooden naderen mocht, die ook de zalige dooden weer, even als de Christus, in lichamelijke gedaante zal doen optreden. Toen de Christus aan Mozes en Elia op den Thabor verscheen, werd hij «veranderd van gedaante, en blonk zijn aangezicht als de zon", en het is soortgelijke volmaking, die in de lichamelijke wederverschijning evenzoo de gezaligden bij hun wederopstanding wacht.

Elke voorstelling, alsof de ruste, die in het Vaderhuis wordt genoten, reeds de voleinde genade ware, moet daarom stelliglijk worden afgewezen. De zalige inwoning in het Vaderhuis is een tusschentoestand, die begrensd wordt eenerzijds door de ure van het sterven en anderzijds door de wederopstanding des vleesches. De uitspraken van den Christus en van zijn Apostelen ten deze zijn zoo stellig, dat ze elke andere voorstelling volstrekt uitsluiten. Dit neemt echter niet weg, dat bij maar al te velen, die toch anders zeer beslist op geloofsstandpunt staan, de tegenovergestelde voorstelling zoo vaak overwegend werd, dat ze aan de wederopstanding ter nauwernood denken, en zich om de nieuwe aarde die ons eenmaal onder den nieuwen hemel zal inwachten, nauwelijks bekommeren, en zich schier niet anders dan in de geestelijke weelde van het Vaderhuis verliezen. Niet alsof ze daarom de wederopstanding uit de dooden zouden loochenen. Immers Jezus uitspraken daarover zijn veel te stellig. Alleen maar, ze verschuiven in hun voorstelling, tengevolge van hun zich vastklemmen aan het Chiliasme, het einde der dingen zooverre in hun gedachten, dat 't hun ten slotte geheel ontglipt, en ze zich in de weelde van het Vaderhuis zoo geheel verloren, dat de verwachting als zou hun tenslotte nèg rijker geluk beschoren zijn, niet meer in hen opkomt, en althans geen beslag meer op hen legt.

Niet ’t minst'draagt hiertoe bij, dat ze in" hun leven hier op aarde zich zoo veelszins door hun lichamelijke gestalte leed zagen veroorzaakt, dat het verlost worden en verlost blijven van hun uitwendige gestalte, niet zelden iets heeft dat bekoort. In tweeërlei verhouding gaat dit door. Vooral op ouderen leeftijd kwelt de heugenis niet zelden van allerlei lichaamsgebrek en krankheid. Bij de meer behoeftigen komt hier dan vaak bij, dat ze vaak de genoegzame voorziening in hun nooddruft misten, zoo dat het lichaam, ook in dit opzicht, hun dikwijls meer tot een hinder dan tot een voordeel werd. Als ze in het nachtelijk uur zich in hun droom tot op zekere hoogte van hun lichaam kunnen losdroomen, gevoelen ze. zich vrijer en gelukkiger, en als ze bij het ontwaken weer den last van 't lichaam over zich voelen komen, benauwt dit hen vaak. Het kan daarom geen verwondering wekken, dat velen, bij het indenken van hun staat na hun sterven, er zich in verheugen kunnen, dat alsdan de jammer, het lijden en de hinder van het lichaam van hen zal zijn weggenomen. De gedachte van na hun sterven van alle pijn en krankheid, van alle hinder en deernis, die uit het lichaam opkomt, verlost te zijn, lacht hun toe, en de voorstelling van ten slotte dan toch weer met het vaak zoo lastige en hinderlijke lichaam aaneengeschakeld te vvordeji, , kan hen zelfs zekeren schrik inboezemen, indien 't hun faalt aan een juiste voorstelling van wat het verheerlijkte lichaam eens voor hen zijn zal. En is zoo reeds uit dien hoofde de neiging te verstaan, om zich aangetrokken te gevoelen tot een enkel-geestelijk zielsbestaan in het Vaderhuis, hier komt dan in de tweede plaats, en zulks dikwijls in nog ernstiger zin, bij, dat het Uchaam vaak zoo droef verleidend en vergiftigend op geheel hun aardsche leven kon inwerken. Denk slechts aan de verleiding die in het gebruik van alcoholische dranken lag, aan de ijdeltuiterij waartoe lichamelijke pronkzucht verleidde, en vooral aan de schandelijke zonden, waartoe ergerlijke geslachtsdrift op allerlei manier verlokken kon. De hartstochten van het lichaam en de vele verleiding die dit met zich bracht, kunnen er dan zoo geheel natuurlijk toe leiden, om zich geen zaligheid te kunnen indenken, waarbij niet eens en voorgoed met alle lichaam zou zijn afgerekend. Juist bij dieperen ernst kan de tegenzin tegen wat 't lichaam vaak aan onze ziel bedierf, zoo overheerschend worden, dat de begeerte om 't gevaarlijke lichaam terug te erlangen, alle vat op 't hart verliest, en 't geestelijk met God Drieëenig in het Vaderhuis saam zijn, het hooge ideaal wordt, waarboven zich geen rijkere weelde denken laat.

Doch ook deze geestelijke dwaling wordt ten slotte door de herdenking van Jezus' Hemelvaart"geheel en principieel overwonnen. Dit zou niet zoo zijn, indien we geen andere mededeeling uit de Evangeliën ons zagen toekomen, dan dat Jezus ten slotte verdween en onwaarneembaar geworden was. Doch juist hierop gaan de Evangeliën, zoo beslist als 't slechts kan, in, zóó dat niemand zich onttrekken kan aan de zekerheid dat Jezus lichamelijk ten hemel opvoer, en dat we ons Hem ook aan de Rechterhand des Vaders niet anders dan in verheerlijkte, lichaamsgestalte denken kunnen, Zoolang we nu, na ons sterven, louter geestelijk inwonen in het Vaderhuis en wel den Christus daar in lichamelijke gestalte kennen, maar zóó dat de gezaligden in het Vaderhuis van alle lichamelijke gemeenschap met hem zijn afgesloten, blijft er voor hen een gemis, een leemte, een onvoldaanheid heerschen, die er vanzelf hun verlangen op richt, om ook zelf eens weer in lichamelijke gestalte te kunnen optreden, en alzoo met den Middelaar die volle, rijke gemeenschap te mogen genieten die in ons menschzijn en in zijn Menschwording gewaarborgd ligt als het ideaal, dat eenmaal verwezenlijkt zal worden. Van eenig gebrek in het lichaam zal dan geen sprake meer kunnen zijn; van zonde, waartoe het lichaam zou kunnen verleiden, zal dan zelfs het schijnsel niet meer kunnen voorkomen. Het zal dan de terugslag op de Hemelvaart wezen. Op den Olijfberg was het voor Jezus een verlaten van deze zondige wereld om voor de zijnen plaats te bereiden in het Vaderhuis, maar in zijn wederkomst tot deze aarde zal 't zijn een indragen van de vol-

strekte heerlijkheid en volkomenheid ia 't leven gelijk God 't ons in de Schepping had toebedeeld. Hij verliet in zijn Hemelvaart een onheilige wereld, die voor hem onbewoonbaar was, doch hij keert straks terug tot een nieuwe aarde onder een nieuwen hemel, die in alles zijn heilig stempel dragen zal. d v e a

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1919

De Heraut | 4 Pagina's

„Een wolk nam hem weg van hunne oorgen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken