Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de Kerk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de Kerk.

18 minuten leestijd

XXII.

Voorwaar ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat alle deze dingen zullen geschied zijn. Matth, XXIV : 34.

Van de Apostolische openbaring moet thans op de Profetische worden teruggegaan, daar in het Nieuwe Testament deze laatste terugkeert, doch in zichtbaar gewijzigden vorm. Bij drie onderscheidene elementen, die zich hier aandienen, zal afzonderlijk zijn stil te staan. Ook in het Nieuwe Testament worden we verrijkt met nieuwe profetische gegevens, die voor zoover ze door den Christus zelf, vooral in zijn aankondiging van de Voleinding, vervat zijn, met name een zoo hoog karakter dragen, als dit zelfs bij Jesaia niet gevonden wordt. Doch hier blijft het niet bij. Met name in den brief van Paulus aan de Kerk van Corinthe, ontvangen we een aankondiging van profetische werkingen, die een geheel, ander karakter dragen dan de profetie welke het Oude Testament ons bracht, en waarin het Profetische wezen zich voleindde. En dan in de derde plaats biedt het Nieuwe Testament ons een voorstelling van de stellige uitwerking van het gebed, die een volstrekt profetisch karakter draagt. Er is een bidden ook van de geloovigen dat op gemeenschapsoefening met onzen God en op smeeking in onze nooden neerkomt, doch afgescheiden hiervan vernemen we hier ook van een bidden, dat van stellige verhooring verzekerd is, en in zooverre een profetische gestalte in zich draagt. Immers de bidder toont in dit profetische gebed als vooruit te voelen, wat straks te komen en te gebeuren staat.

Wenden we ons 'dan nu in de eerste plaats tot de profetiën van het Oude Testament, die er toch altoos op neerkwamen, om de komst van den Messias aan te kondigen. Er moge in deze Oud-Testamentische profetiën, die op den Christus doelden, verschil van vorm en van voorstelling worden aangetroffen, maar toch is en blijft steeds hoofdzaak, om aan Israel kond te doen, wat bij de komst van den Messias te gebeuren stond. Hierbij echter moet van meet af op de hiernaast loopende voorzeggingsmanie van de Heidensche volkeren gewezen worden, ten einde tweeërlei doel te. bereiken, in de eerste plaats dat de werkelijkheid van dit Heidensche vooruit ingrijpen in wat te komen stond, niet geloochend worde, en ten andere • dat, hoezeer de realiteit van deze voorgevoelende wetenschap niet te loochenen valt, toch haar gebrekkig karakter niet uit het oog worde verloren, en er van verre niet aan gedacht worde, om deze voorzeggingskunst der Heidensche volken met wat bij Israel de Profetie was op één lijn te stellen.

Bij ons volk, dat een noardelijk land bewoont, is het inwerken van het gevoel op wat ons omringt en te gebeuren staat, bijna nimmer overwegend, en nauwelijks medetellend, zoo ge het vergelijkt met wat in het Oosterland, en met name in het hart van Azië zich aandient. Wat we van Swedenborg, die uit het hooge Noorden van Europa was, vernemen, is en blijft een hooge uitzondering, zoo zelfs dat er geen tweede voorbeeld van zoo vergaand ingrijpen in wat te gebeuren staat, te vinden is. Doch zien we van deze tot in kleinere bijzonderheden afdalende voorzeggingsgave af, dan kennen ook wij toch de gegevens die van louter physisphen of psycho-physischen aard, u niet^ gissen, maar bijna doorzien doen wat in iemands wezen schuilt, en al is 't nu dat de gevevens die ons langs dezen weg toekomen, een nadere wetenschappelijke uitlegging toelaten, die 't inzicht verheldert, ontkend kan toch niet, dat reeds deze uitwendige gegevens waarde bezitten. Denk bijvoorbeeld aan Lavater, en aan de in zijn school opgekomen .vindingrijkheid, om iemands karakter en aard gedeeltelijk naar den vorm van den schedel vast te stellen. Zelfs instituten zijn er opgericht, om deze Lavatersche methode toe te passen. Te Londen wordt hiervan met name op groote schaal werk gemaakt. En hoezeer ook hier zeer stellig overdrijving en eenzijdigheid bij in het spel komt, toch valt niet te ontkennen, dat ouders die er hun kinderen onderzoeken lieten, om te weten te komen voor welk soort beroep hun kroost de beste gaven bezat, er een goede keuze vaak aan dankten, ' en zulks niettegenstaande de onderzoeker, die zulk een oordeel ten beste gaf, zulk een kind slechts met de beide handen om den schedel mocht bevoelen, zonder het te onderzoeken kroost ook maar zijdelings gezien te hebben. Er liggen hier mysteriën, die uiterst belangrijk kunnen zijn, en die toch eeniglijk uit wat de uitwendige vorm is gekend worden. Iets waar te minder met hoog wetenschappelijke minachting op mag worden nedergezien, omdat zelfs in de dierenwereld zich analogische verschijnselen voordoen. Zie maar op wat wondere wijze het aan de politie vaak gelukt is, een schuldige op het spoor te komen door een hond van fijnen reuk. Ook in de dierenwereld schuilen zoo vaak diep mysterieuse verschijnselen. De beteekenis van het reukorgaan kan bij het dier zoo veel fijner werken dan bij ons menschen. Ook wat de aap vertoont is meer dan schijn. In de vogelenwereld is vooral bij die soorten die zomers en 's winters geheel andere wereldstreken bewonen, de kunst onverklaarbaar, waarmede deze trekvogels, zonder af te dolen, keer op keer hun halve wereldreis volbrengen.

Niet minder belangrijk is wat men meende bij ons menschen uit het temperament te kunnen opmaken. Vooral op vierderlei onderscheid werd hier nadruk gelegd. Sanguinisch noemde men het temperament van wie geacht wordt te veel bloed in zijn aderengestel mee om te dragen, en hierdoor iets vroolijks en luchthartigs in zijn aard vertoonde. Tegenover deze zouden dan de Cholerische temperamenten staan, wier bloed zich iets te traag bewoog. Als derde groep kwam hier dan bij de Phlegmatische van aard, wiens slijm hem deerde. En ten slotte als vierde soort diende zich dan de Melancholicus aan, ' wiens te donkere gal zijn levensvreugde heette te verdonkeren. Weer van geheel andere zijde ging vaak licht op uit de plooien die de hand vertoonde, en dit heette dan de Cheiromancie. Gedurig bleek op nieuw, dat de rimpels of plooien in de hand zeer uiteenliepen. Bij den één slechts zwak waarneembaar, vertoonden ze bij anderen vaak een geheel weefsel van plooien, en telkens bleek van achteren, dat bij his torische figuren van hooge beteekenis die weefsels van de handplooien zeer fijn uitgewerkt waren geweest. ' Nu beeldde men zich vaak in, de beteekenis van deze plooien en lijnen op zoo vaste wijze met den aard van iemands karakter in overeenstemming te kunnen brengen, dat het soms zelf raadselachtig aandeed, zoo klaar en duide lijk als zulk een Cheiromantist den aard, het karakter en het talent wist weer te geven van een persoon dien men voor 't eerst ontmoette. Er is dan ook geen sprake van dat alle deze pogingen om uit wat stoffe lijk viel waar te nemen iets omtrent den persoon te ontdekken, op louter be drog zouden berusten. Waarheid school er zeer zeker ten deele in. Alleen maar ontbrak het aan de genoegzame verklaring van het verschijnsel, en bleek telkens weer dat men om interessant te zijn verzinsel bij waarheid mengde. Of wat we van Simon Magus in de Handelingen en van Bileam in het Oude Testament lezen, hiermede in rechtstreeksch verband stond, zij nu in 't midden gelaten, maar toch ook uit deze verschijningen blijkt dan toch duidelijk genoeg, dat zich ook in de Heidenwereld gissingen, vermoedens en waarnemingen voordeden die een niet onverschillige, mystieke beduidenis hadden.

Gaat men nu op de historie der Heidenwereld in, dan bespeurt men al spoedig, dat bij bijna niet één Heidensch volk elk gegeven van dien aard ontbreekt. Steeds weet men onder deze volken te verhalen van een ver achter zich liggende oudheid, waarin wondere verschijnselen plaats grepen waarvan de heugenis in een soort heilige traditie naleeft. Ware zulks nu eeniglijk bij de minst bekende volken van het Oosten voorgekomen, zoo zou men hierbij nog enkel aan priesterlijk bedrog hebben kunnen denken. Maar, en dit treft 't meest, ook bij de hoogststaande Volken, bij de Perzen, bij de Babyloniërs, en zelfs bij de Grieken en Romeinen, stuit men op dezelfde verschijnselen. Ge behoeft den naam van Delphi slechts te noemen, om u een wonderwereld van voorzeggingen voor den geest _ te roepen, die eeuw na eeuw bij_ dit zoo hoogstaande volk der oudheid den gang van het leven beheerscht hebben. En wat ten deele nog meer verbaast, al moge het zijn dat de Grieken hierin naam maakten, niet minder toch is het van de practiache Romeinen bekend, hoe ook zij op vogelvlucht acht gaven, en op allerlei uitwendige verschijnselen nauwkeurig pleegden te letten, om uit deze gegevens de toekomst af te leiden. Ook de droomen telden onder deze belangrijke verschijnselen meê. En waren Plato en Cicero twee namen, die uit Athene en Rome met hoogen roep door de wereld zijn gegaan, en nog steeds ook in de moderne wereld in hooge eere si 'an, er worde dan toch ook op gelet, hoe 'in deze Grieksche wijsgeer én deze Romeinsche orator, beiden aan al zulke geheimzinnige 'verschijnselen een ver van onbeduidende beteekenis hebben toegekend. Ook de heugenis van de Sibyllen telt hier mede.

Hieruit volgt nu in 't minst niet, dat in de Heidenwereld gelijke prophetische krachten werkten, als onder Israel zoo hotige vlucht namen. Veeleer blijkt telkens opnieuw bij nauwkeurige studie, dat. de voorzeggingsmanie van de Heidenwereld en de Prophetic in Israel geheel andersoortig waren, en in niets gelijk mogen worden gesteld. Niemand heeft uiteraard beter dan Mozes in Egj'pte de ook in dit land zoover zich uitstrekkende waarzeggerij van nabij gekend. Ook in het land Gosen, waarin Israël verblijf hield, waren deze afgodische denkbeelden uit Egypteland doorgedrongen. Tegen het gevaar dat hierin school, liet de Heere Israël dan ook ten ernstigste waarschuwen. De wetten en de voorschriften, die het volk onder Mozes ontving, wijzen dan ook telkens met nadruk op de gevaarlijke elementen, die Israels gedachten wereld vergiftigen konden. Reeds bij de oprichting en het ten toon stellen van het gouden kalf in de woestijn, kwam dit op onrustbarende wijze uit. En al is toen voor een oogenblik 'het kwaad bezworen, toch leert ons heel Israels verdere historie, hoe gedurig weer de afgodische vorm van eeredienst en de hiermede saamhangende waarzeggerij, eerst in Israël en gtraks ook in Juda terugkeerde, zóó zelfs dat ten slotte heel de Tempeldienst moest worden te niet gedaan, en de ballingschap over heel Israel het hardste lot brengt, waaronder het bezweek. Zoo derhalve .^•> ts duidelijk uit Israels historie blijkt, dan is 't wel dit, dat de heilige profetie nimmer eindigen kon, eer de Messias verschenen was, maar dan ook tevens, hoe juist om de komst van den Messias voor te bereiden, de voorzeggingsmanie van Heidenschen oorsprong, die onder Israel voortwoekerde, in niet één enkel opzicht de heilige profetie bevorderd heeft, maar geheel omgekeerd steeds bestraft en bestreden moest worden, om de komst van den Messias door de echte, heilige, van Godswege aan Israel toekomende profetie in te leiden.

Natuurlijk bestond er tusschen deze waarzeggerij en de echte profetie in zooverre zekere verwantschap, dat in beide de weetgierigheid van den mensch bevrediging zocht, en dat ten andere vooral in het Oosten de aard en de natuur des menschen zóó weetgierig, zóó zoekend en zóó naar het vreemde gissend was aangelegd, dat men, op wat manier dan ook, bevrediging zocht voor zijn dorst naar kennis van de verborgenheden, en het is hierop, dat ook in onze kringen veelszins te weinig is gelet. Er bestaan tusschen ons innerlijk leven en de geestelijke wereld, die ons omringt en van alle zijden op ons aandringt, verbindingen en rapporten, die vooral in het Oosten zich zeer sterk gevoelen deden. Het is uit deze ontvankelijkheid van zin voor het verborgene, dat alom in het Oosten het bijgeloof en de aloude traditie is opgekomen. Het verleden drong steeds deze overleveringen op het nakomende geslacht over. De verlegen-zoekende geest was er steeds op uit, om zich met deze traditiën te verrijken. Nergens ontbraken de priesters, die deze overleveringen voedden en sterkten en van geslacht tot geslacht overbrachten. Hoe star en geïsoleerd in het hooge Noorden enkele volken hun bestaan ook konden voortplanten, in Azië, en vooral in het midden van Azië, waar ons menschelijk geslacht zijn oorsprong nam, kon van zulk een onverschilligheid geen sprake zijn. Verzinsel en overlevering wedijveren met elkaar, wie op 't sterkst de geesten beheerschen zou, en waar men dan ook kwam, en onder welk volk men zijn onderzoek ook instelde, op alle manier kwam telkens weer uit, dat het meedragen van zulke overleveringenen erzich aan hechten, levensbehoefte was, en dat uit deze levensbehoefte vanzelf de neiging bij de volksleiders opkwam, om door het voldoen aan deze neiging eigen invloed te verhoogen. Juist daarom, nu is het noodzakelijk, ook bij Israel het bestaan van zulk een behoefte duidelijk te doen uitkomen, en in de tweede plaats te doen zien, dat het volk als Volk de voldoening aan deze behoefte juist daar zocht waar ook de heidensche bevolkingen uit de omgeving deze bevrediging vonden, en hoe juist daarom de echte Profetie in Israel niet aan deze Heidensche manie verwant kon zijn, véél min er uit kon zijn opgekomen, doch veel meer in elk opzicht er vlak tegenover moest staan. Eerst waar dit uidelijk vast staat, erlangt de Profetie ie van Godswege onder Israel uitging, haar ooge en rijke beteekenis. "Eerst zoo gevoelt en dat deze Profetie een geheel op zich elf staand verschijnsel van hooger oorprong was. En eerst in dit verband spreekt e aloude, echte Profetie van Israel ook ns nog toe als lijnrecht tegen alle menscheijke vinding overstaande.

Juist het feit, dat er ook in Israel valsche rofeten optraden, verheldert hier het inicht. Van zulk optreden is nooit anders sprake, dan met de bedoeling om te doen uitkomen, hoe een deel van het volk aan deze valsche profetie gehoor gaf. Doch hieruit volgde dan ook tevens, dat het overige volk er geen gehoor aan schonk, en alzoo het geestelijke talent bleek te bezitten, om de echte van de valsche profetie te onderscheiden. Nergens stuit ge dan ook op aarzeling. Wie eenmaal als profeet optreedt, kent, belijdt en verstaat zijn roeping, en de aarzeling komt alleen op bij het volk, dat tenslotte zoover afdoolt, dat het den echten Profeet verwerpt, en zich door den valschen profeet misleiden laat. Het echte en het valsche spreekt alzoo gelijktijdig èn in den profeet zelf èn bij wie hem hooren. Er is geen aarzeling, er is geen weifeling, er is geen half-half slag ziener. Of de man die spreekt en getuigt, een Profeet van Jehova of een verzinnend ziener uit het volk is, beslist zich terstond. Zoo als het getuigen begint, weet èn de man die spreekt èn de volksgroep die hem aanhoort, of er een zendeling van Jehovah aan het woord komt, dan wel of de onheilige volksgeest de overhand krijgt. En dit nu hing rechtstreeks saam met de ontvankelijkheid voor inspiratie, die in 't algemeen in 't Oosten, en zoo ook met name onder Abrahams nageslacht, veel meer dan bij de lieden in het Westen en het Noorden gevonden wordt.

De echte profeet gevoelde zich niet als een gewoon denker, maar-als een poëtische natuur. Die poëtisch aangelegde natuur nu brengt van zelf mede, dat hij zich als ge-» dragen en bezield gevoelt door een hooger motief, dat zich meester maakt van zijn persoon. Natuurlijk geldt dit bij de dichters in zeer verscheiden mate. Niet weinige dichters zyn veel te prozaïsch en aarzelen om ooit volbloed dichter te worden. Doch hiervan afgezien, kan dan toch gezegd, dat dichteraard ons los van ons eigen ik maakt, en al meer doet afdrijven met een zuiging die zich meester maakt van onzen persoon. Dit algemeen dichterlijk karakter nu was ook het eigendommelijke van den echten profeet. Hij gevoelde dat een dichterlijke bezieling hem dreef, dat hij aan deze dichterlijke aandrift geen weerstand kon bieden, en dat in die aandrijving een stemme Gods tot hem uitging, hem aangreep, hem vervulde, en hem het aangrijpende woord op de lippen legde. Nu was ook hier onderscheid. Gelijk er dichters zijn van volle zestig graden, maar ook anderen wier talent op tien en twintig graden staan bleef, zoo ook was het onder de profeten. Jesaja en Amos verschillen zoo ontzaglijk, juist zooals het in de Psalmen voorkomt, daar de zangen van Psalm 103, en van 't »Hoe zalig is het volk!" u aanstonds overmeesteren, terwijl - andere psalmen nauwelijks een toon doen uitgaan, dié uw hart raakt. Om nu het wezen van de poëzie naar juisten maatstaf te beoordeelen, moet ge natuurlijk niet Ter Haar, maar Bilderdijk nemen, en zoo ook om hét wezen der Profeten te doorzien, moet niet Amos noch Habakuk, maar moet een Jesaja, Jeremia of Ezechiël u het beeld geven. Niet dat ook bij de overige Profeten niet hetzelfde beginsel en uitgangspunt van hooger bezieling aanwezig was, maar het verschil is zeer sterk in graad, en dit had van zelf ten gevolge, dat het zelfbewustzijn bij Jesaja veel duidelijker sprak dan bij een profeet van mindere orde. Telkens bespeurt men dit graadverschil in het leven. Een muzikaal gestemde maagd gaat heel anders met haar kanarie om, dan een plompe spitter. En zoo ook is het hier. Een geest als die van Jesaja was tot in zijn diepsten oorsprong poëtisch en profetisch aangelegd. In zijn ontvangenis en geboorte had zich die profetische geest reeds ingeprent, en hoe vroeger zijn rijkbegaafde geest in zijn eigen wezen in kon dringen en Gods zorge aan zijn innerlijk weze^ kon bevroeden, des te eerder kwam hij onder de profetische indrukken, die heel zijn wezen aangrepen, en hem straks in staat stelden, met de rijkste zekerheid, zijn getuigenis te doen uitgaan. En hiertoe nu werkte de Oostersche volksaard, die de zijne was, op zeer merkbare wijze mede.

Reeds vroeger wezen we er daarom op, hoe 't Gode beliefd heeft zijn volk Israel niet bij Tigris of Eufraat, noch ook in het Noorden en Westen van Europa te doen wonen, maar aan de kust van de Middellandsche Zee, en zulks naar het Zuiden toe. Hier toch heerschte niet alleen bij het volk zelf de rijpere mentale ontvankelijkheid voor inspiratie, maar bood zich tegelijk als van zelf de gelegenheid aan, om den schat der Openbaringen over zee naar heel Europa uit te dragen. Het is vooral de oude wereldzee die hier aangewezen was, om het middel van gemeenschap tusschen de oude en de nieuwe wereld te vormen. Ook op de geaardheid en het karakter van de Abrahamiden kan hier gewezen worden, om te doen uitkomen, hoe de Jood taai in het vasthouden aan zijn overlevering is, en de zelfbeheersching bezit, ' om, ook waar hij in geheel nieuwe landen optreedt, toch zijn aard en zijn nationalen zin niet af te leggen. Maar hoofdzaak voor de Profetie is en blijft toch, dat de aard van het Oosten, en met name de geaardheid van Israel, zoo op alle wijze geschikt was, om een gemeene beschouwing in de heilige beschikking van het werk Gods, zooals die in den Christus zich openbaren zou, in het licht te doen treden. Het kwam er voor de Profetie toch op aan, dat de Profeet zich geheel los wist te maken van de om hem heen heerschende voorstelling, wist over te gaan in een geheel hiervan afwijkende voorstelling, en zoo ook uit zijn heden wist over te glijden in verre toekomst, om te genieten in wat het na eeuwen eens zijn zou, en er tevens zóó diep in te leven, alsof die heilige toekomst nu reeds in zijn woning binnendrong.

Het kwam er voor den Profeet op aan, zich te verplaatsen. Wel moest de aansluiting aan het heden niet voor hem te loor gaan, doch zijn inneriijke voorstelling, die hem als deed kleven aan de hoogere leiding zijns Gods, moest toch ver over het heden uitstrijken, om te grijpen naar verre toekomst, en in die toekomst zich thuis te gevoelen. Juist dit bracht dan met zich, dat de Profeet, bij het spreken tot zijn volk, vaak zoo weinig gehoor vond. Gelijk later de Christus het betuigd heeft, .dat hij tot het toenmalige Israël sprak door gelijkenissen opdat ze ziende niet .zien, en hoorende niet verstaan zouden, zoo was het tot op zekere hoogte ook reeds onder de oude Profeten. Hadden ook zij steeds gepoogd tot het volk af te dalen om zich voor het volk verstaanbaar te maken, zoo zouden ze aan zich zelf ontvallen, en ongemerkt in een geheel andere gedachtenwereld zijn overgegleden. En dit nu wilden ze niet, en mochten ze niet. Gelijk ze voor hun eigen persoon rustten in de verkiezing en de roeping huns Gods, zoo ervoeren zij en gevoelden ze ook, dat het Jehovah was die onder hun gehoor dezulken verkoor en als aanwees, die aan zijn roepstem gehoor zouden geven. Eer zulk een nieuwe openbaring tot het volk uitging, stond het van meet af vast, wie naar Gods bestel gehoor aan die roepstem zou geven, en wie koud en onverschillig straks zou afdruipen. En nu juist was dit het bezielende, dat zij niet alleen zelven zich als instrumenten in Gods hand gevoelden, maar ook doorzagen, hoe 't diezelfde God was, die uit duizend mannen en vrouwen die hen aanhoorden, de honderd of nog minder verkorenen voorbereid had, om de Profetische getuigenis ingang in hun hart te doen vinden.. En juist daarom mochten zij zich niet schikken naar hun hoorders, maar hadden ze als profetische instrumenten, die door Jehovah bespeeld werden, zich geheel ter beschikking van hun God te stellen. Het was telkens als de Profeet optrad, een heilig, van God verordend tafereel. Het was God die den Profeet deed optreden, hem 't woord gaf en hem bezielde, maar 't was steeds diezelfde God, die de hoorders aanbracht, aan wie Hij 't luisterend oor schonk, en zoo waren sprekers en hoorders de van God verkoren instrumenten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1919

De Heraut | 4 Pagina's

Van de Kerk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 juni 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken