Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Religieus Eklekticisme.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Religieus Eklekticisme.

9 minuten leestijd

Het zou mijn geachten mederedacteur, die op zoo uitnemende wijzeonze leestafel verzorgt, wel ietwat moeilijk vallen, een recensie te leveren van de rede, die de afgetreden Rector Magnificus van de Vrije Universiteit, bij de overdracht van de r'ectorale waardigheid, den 20sten October j.l. hield. En al sla ik niet gaarne den sikkel in zijn oogst, hij zelf zal het mij niet euvel duiden, dat ik ditmaal de taak overneem. waar het de aankondiging van zijn eigen geesteskindeke geldt.

Het onderwerp, dat Prof. Geesink in deze rectorale oratie behandelde, die nu bij den uitgever H. A. van Bottenburg het licht zag onder den titel: Religieus Eklekticisme, heeft zeker de verdienste van aktueel te zijn. Het was er hem toch om te doen, het beeld te teekenen van de religieusiteit van de intellectueelen der jongere generatie, waartoe hij niet alleen de rijpere jeugd, maar ook mannen en vrouwen van meer gevorderden leeftijd rekent, niet alleen om een historische bijdrage te leveren voor de kennis van het religieuse leven van onzen tijd, maar vooral om op de gevaren te wijzen, die naar zijn inzicht deze religieusiteit der ïjongeren* aankleeft. Hij meent toch als het eigenaardig kenmerk van deze religieusiteit te moeten stellen het religieus eklekticisme — vandaar de titel van zijn oratie — terwijl dit eklekticisme aan het probabilisme zijn ontstaan te danken heeft.

Wat Prof. Geesink met deze vreemde woorden, die men aan een philosoof van professie niet euvel duiden mag, waar het gaat om bepaalde denkrichtingen te karakteriseeren, bedoelt, is dit. Prof. Geesink ziet tusschen de religieusiteit van het ouder en jonger geslacht een verschil. Dat verschil bestaat niet daarin, zooals men van de zijde dezer jongeren wel eens beweren hoort, dat het hun tedoen is om ireligieuse beleving" (alsof dit bij de oudere generatie ontbrak!) maar in hun wijze van denken omtrent God. Had de oudere generatie daaromtrent eekerheid, de jongeren komt hier niet verder dan waarschijnlijkheid. Die relatieve of betrekkelijke zekerheid nu noemt Prof.' Geesink probabilisme. En daaruit verklaart hij, dat deze jongere generatie de waarheid zoekt door uit elkaarweersprekendestelsels enkele daarin als waarheid geldende stellingen uit te kiezen, om ze dan, hoe weinig ook bij elkaar passend deze stellingen mogen zijn, te verbinden en te vermengen. En dit saamlezen van een bouquet uit zoo in den grond verschillende tuinen noemt Prof. Geesink het eklekticisme.

Intusschen heeft Prof. Geesink zelf wel gevoeld, dat het niet voldoende was dit te beweren, maar dat het ook bewezen moest worden. Vandaar dat hij in het eerste en breedst uitgewerkte deel dit bewijs leveren gaat. Hij doet dit door in de eerste plaats te wijzen op de gemeenschapskringen, waarin deze religieusiteit der jongere generatie zich belichaamt. Het eigenaardige kenmerk toch van deze jongere generatie is, dat ze wel religieus wil zijn, maar niet kerkelijk. Toch heeft deze religieusiteit behoefte aan gemeenschap en vandaar dat zij zich belichaamt in buitenkerkelijke kringen. Zulke anti-of buitenkerkelijke kringen heeft men in»^ons land in de Federatie van vrije religieuze groepen en organisaties, in de vereeniging de Middaghoogte, in de vereeniging de Woodbrookers, in de Nederlandsche Christen-Studentenvereeniging en in den Vrijzinnjg-Christelijkeu Studentenbond. Het karakter van al deze vereenigingen wordt dan kort aan gegeven: het bestaat daarin, , dat ze heterogene elementen willen vereenigen. En reeds daaruit blijkt het eklekticisme. Om dit nog nader aan te toonen, neemt Prof. Geesink dan den spiegel der historie in de'hand en laat zien, hoe eenzelfde verschil in denkrichting als thans op religieus gebied zich afteekent tussche de oudere en de jongere generatie, ookop philosophisch gebied zich telkens voorgedaan heeft, zoo bijv. in de eerste eeuw voor Christus, toen, nadat de groote philosophen Plato, Aristoteles, Zeno en Epicurus elk hun eigen stelsel ontwikkeld en hun scholen gesticht hadden, daarna een jongere generatie opkwam, die de tegenstellingen, door een vroegere generatie zoo scherp gesteld, vertroebelde en in eklekticisme kracht zocht.

Ditzelfde verschijnsel nu doet zich in onze dagen op religieus gebied voor. Onder de oudere generatie had men drie scherp gescheiden groepen: de vrijdenkers, die met alles, dus ook met de Christelijke religie, hadden gebroken ; de Vrijzinnigen, die los waren van Bijbel-en Kerkgeloof, en de Rechtzinnigen, die meer of minder sterk zich aan Schrift en Bijbel gebonden achtten. Elk dezer hoofdgroepen valt dan weer in onderdeelen uiteen. Zoo de Vrijzinnigen in de groepen van Opzoomer, Scholten en Hoekstra. En zoo de Rechtzinnigen in de Bijbelsche, de Ethische en de Gereformeerde groep. Nadat ook elk dezer richtingen of groepen op rake wijze is gekarakteriseerd, toont Prof Geesink dan aan, hoe bij de jongere generatie in elk dezer drie groepen een verschuiving van denkbeelden plaats heeft gevonden. Een verschuiving, die deels van rechts naar links en deels van links naar rechts doorgaat. De zonen en dochteren uit het huis der »Vrije Gedachte*, gelijk Prof. Geesink ze noemt, zijn aan de suggestie van het materialisme ontkomen, zoeken weer naar het Absolute, naar God, maar zoeken het antwoord bij Ocïcultismè, Theosophie, Wijsbegeerte en Religie, en wat ze vinden, voegen ze bijeen, ook al past het "niet. Een gelijke verschuivingvaltevenzeerwaarte nemen bij de intellectueele zonen en dochteren van Vrijzinnigen iuize, bij wie veel meer dan bij de oudere generatie, het zonde-gevoel ontwaakt is, die naar verlossing zijn gaan zoeken, en dié verlossing ook in verband brengen met Christus, al is dit meer een Christusverdichting dan de werkelijke Christus der Schrift. Valt er zoo bij de modernen een zekere toenadering te bespeuren tot de Rechtzinnigheid, aan de andere zijde vindt men evenzeer, vooral bij ethischen, een toenadering tot de modernen vooral op het punt der Schriftcritiek en wederom evenzoo bij de jongere generatie der Gereformeerden tot de ethische orthodoxie, met name tot de drie adagia der ethischen, dat »het leven voorafgaat aan de leer*: dat shet karakter der waarheid ethisch is« en dat het > geloof der gemeente*, of wil men het subjectieve religieuze leven, de bron is van onze kennis aangaande God. En om het bewijs, dat men hier metterdaad eklekticisme heeft, nog afdoender te maken, toont Prof. Geesink in de laatste plaats aan, hoe deze religieusiteit onzer jongeren opkomt uit het probabilisme, waarvan ook op wijsgeerig gebied het eklekticisme een onbedriegelijk symptoom is. Ook hier, evenals in het tweede gedeelte van zijn betoog, leidt Prof. Geesink ons eerst terug naar Athene, om daar ons te doen zien, hoe het eklecticisme uit het probabilisme is voortgekomen, dat weer een kind was van het scepticisme en pragmatisme. Gaf voor de oudere generatie het oordeel der groote philosophen omtrent het Absolute een volstrekte zekerheid, bij een volgend geslacht kwam de twijfelzucht op; men kon niet tot zekerheid komen ; het kon evengoed zus als zoo zijn; en waar men met deze twijfelzucht practisch in het leven niet uitkwam, waar de mensch toch handelen moest, kwam men er toe de waarde der voorstellingen of oordeelen af te gaan meten naar hun practische nuttigheid en zoo graden van waarschijnlijkheid aan "te nemen, d. w. z. men ging uit het scepticisme over tot het probabiHsme en dat bereidde den weg voor het eklecticisme. Hetzelfde ziet men ook nu weer. Omdat de jongeren meenen, dat volstrekte zekerheid omtrent de waarheid onbereikbaar is, kiezen ze wat de meeste practische waarde heeft in hun oog voor hun religieuze beleving, en dit leidt hen van zelf tot hun eklecticisch saamlezen van al wat zij bruikbaar achten voor dit doel, al steekt het zoo schril tegen elkaar af, dat men niet recht meer weet wat men ziet.

Ten slotte geeft Prof. Geesink dan zijn oordeel over dit religieus eklecticisme.Eenerzijds toont Prof. Geesink een open oog te hebben voor het vele goede dat in deze religieuze opleving wordt gevonden, vooral zooals ze onder de studenten is gewekt. »Ik zie Jn dit alles, zei bij, eeii werk van Gods ontferming over ons volk, een betooning zoowel van Zijn particuliere genade als van Zijn gemeene gratie, en het doet denken aan het: Verderf ze niet, want er is een zegen in". Maar aan de andere zijde spaart hij toch evenmin de critiek. Hij wijst er in de eerste plaats op, hoe bij deze jongere generatie de vastheid en zekerheid ontbreekt en dit hen tot een waarschijnlijkheidsrekening brengt, die in > ^trijd is met wat de Apostel zegt, dat het geloof een vaste grond is der dingen die men hoopt. In de tweede plaats, hoe dit eklecticisme maakt, dat zij stellingen of oordeelen, die in van elkaar verschillende religies of ook in van elkaar verschillende richtingen in eenzelfde religie als waarheid gelden, uit hun verband rukken en wat contradictoir is saamvoegen. In de derde plaats wordt dan gewezen op de onkerkelijkheid dezer jongere generatie en haar afkeer van wat onder haar dogmatische formuleering heet. Terwijl ten slotte ook aan de > critiek der jongeren" nog een woord gewijd wordt, om aan te toonen, wat daarin juist en wat onjuist is.

Met deze ietwat breede weergave van deze oratie meenen we reeds genoeg tot haar aanbeveling te hebben gezegd. Gesneden brood voor eenvoudigen is ze zeker niet. Maar ze is dan ook een rectorale oratie en ze richt zich tot de intellectueelen onder de jongeren. En voor hen kan ze zeker tot grooten zegen zijn. Prof. Geesink geeft in deze oratie, die in druk 58 bladzijden beslaat, een rijkdom van gedachten, die bewondering wekt. De paralel door hem getrokken tusschen het wijsgeerig en religieus eklecticisme, biedt hem de gelegenheid.om niet alleenzijn rijke kennis van dè geschiedenis der philosophie uit te stallen, maar ook zijn scherpen blik op het religieus leven onzer dagen. Hoe weet hij niet met enkele woorden elke richting te typeeren en haar eigenaardig karaker scherp te doen uitkomen. Ook de literaire vorm — wie zou het anders verwachten van Prof. Geesink — is keurig verzorgd. De beschrijving van de Philosophische scholen te Athene is een meesterstukje, en hoe wordt niet telkens het zwaarwichtig betoog gekruid dooreen treffend beeld of een leuke anecdote. Maar meer nog dan om dien schat van kennis, die hier geboden wordt, en om den schoonen vorm, waarin deze stof is gegoten, heeft deze oratie voor ons beteekenis, omdat Prof. Geesink zoo beslist en principieel zijn oordeel uitspreekt over hetgeen hij het religieus eklecticisme der jongeren noemt. Hij doet dit met wijze bedachtzaamheid. Hij heeft waardeering voor het goede, dat onder deze jongeren gevonden wordt. Waar hij critiek oefent, maakt hij toch onderscheid tusschen wat verder afdoolde en dichter bij huis bleef. Maar tegen al wat strekt om de vastheid van Gods Woord, de zekerheid van ons geloof, de heerlijkheid onzer Gereformeerde belijdenis te verzwakken, biedt hij met alle kracht tegenstand. En daarvoor zijn we hem van harte dankbaar. Hij heeft, zooals hij zelf aan het slot zijner oratie memoreert, klaar en duidelijk uiteengezet, wat Dr. Kuyper eens een principieele gedachte der Heilige Schriftuur noemde, »dat ook onder menschen wat andersoortig is, niet duurzaam kan hechten, zoomin als ijzer duurzaam hecht aan leem."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 december 1919

De Heraut | 4 Pagina's

Religieus Eklekticisme.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 december 1919

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken