Bekijk het origineel

„Zie, Ik, ja Ik zal naar mijne schapen vragen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Zie, Ik, ja Ik zal naar mijne schapen vragen.”

8 minuten leestijd

Want zoo zegt de Heere HKERE: Zie, Ik, ja Ik zal naar mijne schapen vragen, en zal ze opzoeken. Ezech. XXXIV: 11.

Met geheel eenigen nadruk betuigt de Heere het door Ezechiël aan zijn volk: »Zie, Ik, ja Ik zal Daar mijne schapen vragen en zal ze opzoeken c. Een profetie die ons loeklinkt als het bezielende voorspel van wat de Christus in Johannes' tiende hoofdstuk betuigde. Jezus' uitroep: »Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt zijn leven voor de schapen» klinkt ons dan ook toe als de bezielende vervulling van wat Ezechiël reeds in den naam van Jehovah aan het afgedoolde Israel toeriep. Het is metterdaad opmerkelijk, hoe breed en hoe uitvoerig zoowel in Ezechiël 34 als in ohannes 10 die eene, alles in zich saamvattende gedachte, die in de beeldspraak van den Herder schuilt, ons toekünkt.

De gedachte van den Herder met zijn schapen' wordt beideraalen zoo rijk en zoo uitvoerig ontwikkeld. In Ezechiël zijn het niet inder dan elf, vlak op elkaar volgende verzen, waarin het aangrijpende beeld van den erder met zijn schapen wordt uitgewerkt, n in Johannes X is, 't al saamgenomen, bijna

nog iets meer. Zóó breed en doortastend wordt beidemalen, èn bg Ezechiël èa bij Johannes, de rijke gedachte van den Herder uiteengezet, dat ge soms geneigd zoudt zijn, u af te vragen, of het schaap met zijn teedere eigenaardigheid niet als exempel onder het vee geschapen is, om ons deze overtuigende en aangrijpende goedertierenheid als in beeld te doen toespreken.

Nu ligt hier op zich zelf uiteraard deze verstrekkende gedachte in, dat waar God het schaap uitdacht, het schaap in zijn rijke eigenaardigheden als een beeld uit het leven voor zich riep, de straks aan , dit beeld te hechten gedachtenrijkdom er reeds in besloten lag. God vond niet ook het schaap, om alsnu aan dat gevonden schaap zij a rijke beeldspraak te ontkenen, maar zijn uitdenking en schepping sprak van 'meet af in die teedere saamhoorigheid van herder en kudde zich uit. De ééne gedachte is niet na de andere in den Alwetende opgekomen. Beide alles beheerschende denkbeelden, van dat saamvoegen der kudde ea van de beeldspraak die hierin voor den behoeftigen geloovige lag, behooren bijeen.

Ons, in ons Nederland, zou dit thans niet meer zoo pakkend, en aangrijpend toespreken, omdat de kudde bij ons uitzondering is. Zoo echter was 't in Israels volksstaat niet. Geheel de bevolking was er landelijk van aard. Stedekens waren er uiterst weinig. En in het rijke dorpsleven was de aankweeking van de kudde geen bijzaak, maar had hoofdbeduidenis. Voorzoover ook wij nog steeds kudden telen, wordt de kudde bijna geheel aan de bedienden overgelaten, die de zorg voor de schapen op zich hebben te nemen, ze uitleiden in de weide, en ze te zijnertijd weer in de kooi bijeenzamelen. In Israel daarentegen was de teelt der kudde zoo rijk en overvloedig, dat de eigenaar, de bezitter veelal zelf zijn kudde voortoog op den weg, ze des morgens uit de schaapskooi uilliet, ze bij dag omleidde en beveiligde en ze tegen het avonduur weder voorging om ze in de schaapskooi herberg te doen vinden, en tegen alle gevaar, dat ze van 't wild gedierte bedreigen kon, te doen overnachten. Bij ons kennen we dit gevaar niet. Is er onder ons een landman die er een kudde schapen op na houdt, dan is er niet anders noodig dan een gids die den weg kent, en de kudde op den rechten weg weet te houden, waar ze haar voedsel vinden kan.

Heel anders daarentegen is 't nu nog in de landen van 't verre Oosten, waar het roofgedierte rondsluipt, en eiken avond de kudde een goede en veilige herberg moet vinden, en het was van zulk een toestand dat Ezechiël sprak en dat ook de Heere Jezus blijkens Johannes X gewaagde. Het ging ia 't verre Oosten om levensbehoud en redding uit het dreigend gevaar. Vandaar dat én bij den Profeet én in Jezus' woord, op 't gevaar waarin de kudde verkeerde, gestadig gedoeld wordt.In dat bange gevaar vooral is nu die kudde bet beeld van wat de geloovigen overkomt. Ook zij dolen rond en om, en zijn bijnaaanhoudend aan wat ze verpletteren kan, blootgesteld. Ea hieruit nu is het te verklaren, dat de eigenaar, de bezitter der kudde niet aan een boerenknaap de zorge voor zijn kudde overlaat, maar telken dage van den morgen tot den avond zelf die zorge op zich neemt, met zijn kudde als meeleeft, en steeds ter plaatse is, om zijn kudde te bewaken en te verzorgen.

Juist zoo nu is 't ook met de zorge Gods, die voor de kudde zijner menschenkinderen uitgaat. Wel zijn er ook in 't gezin en daarbuiten ouders zonder nadenken die de zorge voor hun kroost aan derden overlaten, en er zich zelven nauwelijks om bekreunen, doch juist dit is dan ook de machtige levensfout, waartegen hier het protest van den Almachtige uitgaat. De kudde van schapen mogen onder ons veelal anders zijn, dan ze in het Oosten was, maar bij 't kind des menschen bestaat dit onderscheid niet. Voor wat onze jeugd, onze kinderen, en zelfs onze andere familieleden aangaat, stuiten ook wij nog gedurig op de pijnlijke ervaring, dat er geestelijk onraad om de zielen sluipt, en dat met name de jongeren nog bestendig aan 't gevaar der verleiding bloot staan.

Voor het vee moge op onze landserve veiliger toestand zijn ingetreden, maar op zedelijk en geestelijk terrein bleef 't ook bij ons zoo geheel anders, en dan wijst ook onder ons nog alles op de kudde, en met name op 't weerloos schaap. Reeds de naam, het woord schaap drukt nog altoos voor ons dat hulpelooze uit. Zich gedragen, zich aanstellen als een schaap beduidt ook onder ons nog, dat men er niet op bedacht en niet toe in staat is, het verleidelijke en booze kwaad van zich af te weren. Zooals een schaap in het Oosten, waar het wild gedierte rondsluipt, bestendig in levensgevaar kan verkeeren, zoo ook is 't nog bestendig voor ons en voor onze kinderen op zedelijk en geestelijk terrein. De kudde kan daarom niet aan zichzelf worden overgelaten, de schaapskens kunnen niet door den herder verlaten worden. Ze behoeven hun herder. Ze hebben hun herder broodnoodig. Worden ze ook maar voor een oogcnblik door hun herder verlaten en prijsgegeven, dan worden ze welhaast de prooi voor een verslinder. Ea daarom nu wordt er èa in Ezech'el èa in Johannes X op dit beeld van het schaaf en van den herder zoo alles beheerschecde nadruk gelegd. Het stond zoo gevaarlijk met de verstrooide kudde, als de wolf rondsloop, maar 't deed zich i)iet minder gevaarlijk voor, als de ziel dreigde verleid en vergiftigd te worden. Tegen die bange gevaren nu was eeniglijk bij den Almachtige beveiliging te vinden. En vandaar dat zoo-uitvoerig en ampel aandringen op 't zoeken van de zelfbescherming, die 't arme verloren schaap eeniglijk bij zijn God vinden kon.

De beeldspraak is hier zoo boeiend en zoo aantrekkelijk om 't geheel eigenaardige type, dat het op zich zelf weerloos schaap vertoont, 't Schaap der kudde bezit geen eigen verweer. Wordt het schaapken aangevallen, zoo is 't verloren en vervalt weerloos als prooi in de klauw van wie 't vernielen wil. Doch dan ook omgekeerd, mag 't schaap een machtig herder bezitten, die voorziet in zijn nooddruft, die de gevaren gist en kent, waaraan het kan zijn blootgesteld, en die, eer het schaap zelf er op bedacht is, alle gevaren afwendt, en er stille veilige rust aan verzekert, dan treedt er ook een toestand van zulk eeia rustige veiligheid in, dat 't schaap als vanzelf aan zijn herder is gebonden, en 't zijn herder willig en ongedwongen gaat volgen. Zelfs als dan het ondier aan komt sluipen, en het arme schaap in nood zou geraken, treedt de trouwe herder voor zijn kudde op, en de heerlijke uitkomst is, dat de herder het leven en den welstand van zijn schaap verzekert. Dit nu uitzien naar de hulpe Gods, dit in alles volgen van zijn God, dit nimmer zijn trouwen God verzaken, dat is 't wat hier ons op de ziel wordt gebonden. En dan mag 't ons vaak in Gods gunste gelukken, om met onveranderlijke trouw in alles achter onzen God aan te gaan, onzen God te volgen, en in zijn hoede onze rust te zoeken. En al mocht 't dan zijn, dat wij in onzen overmoed toch soms onzen God verzaken zouden, dan is 't steeds de Heere onze God, die ons weer opzoekt, en op veiliger plaats brengt. »Zie, zegt de Heere HEERE dan. Ik, ja Ik zal naar mijn schapen vragen en zal ze opzoeken", hun tot redding en tot heil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 februari 1920

De Heraut | 4 Pagina's

„Zie, Ik, ja Ik zal naar mijne schapen vragen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 februari 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken