Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een kerkrechtelijk geschil.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een kerkrechtelijk geschil.

4 minuten leestijd

Ds. Lindeboom meent in de Noord-Hollandsche Kerkbode, dat er een misverstand in het spel is. Een aanval op wat we in de Heraut schreven, bedoelde hij niet. Hij wilde alleen uiteenzetten, waarom hij op het stuk van het vrouwenkiesrecht het niet met Voetius eens was. En daarom verwonderde het hem, dat de Heraut hem juist weer naar Voetius verwees. Ea wat meer zegt, de Heraut zelf zou in dit afwijken van Voetius' gevoelen hem zijn voorgegaan, want Dr. A. Kuyper zou in de Heraut van 23 Januari 1898 Voetius' autoriteit op dit gebied gewraakt hebben en voor het stemrecht der vrouw het pleit hebben opgenomen op dezelfde gronden, die Ds. Lindeboom aanvoerde, nl. dat het deelnemen aan de kerkelijke verkiezing geen daad van kerkregeering is, maar alleen een aanbeveling van den Kerkeraad, terwijl de benoeming door den Kerkeraad zou geschieden.

Natuurlijk nemen we gaarne nota van de verklaring van Ds. Lindeboom, dat zijn artikel geen »aanval < bedoelde. Het woord was door ons ook niet in on vriendelij ken zin bedoeld. Alleen meenden we, dat waar niet de vraag van het vrouwenkiesrecht, maar alleen die of aaa. de vrouw als gezinshoofd het kiesrecht mocht toegekend worden, aan de orde was, het betoog van Ds. Lindeboom voor het vrouwenkiesrecht er een beetje »met de haren bijgesleept wasc, om deze ietwat populaire uitdrukking te gebruiken. Ook Ds. Lindeboom zal het wel met ons eens zijn, dat hoe men over het vrouwenkiesrecht op zich zelf denken moge, in geen geval er sprake van kan wezen, dat het gezinshoofdenkiesrecht in de kerk ingang mag vinden. Dat zou een verwarring wezen van het politieke en het kerkelijke leven.

En wat de verwijzing naar Voetius betreft, heeft Ds. Lindeboom blijkbaar niet begrepen, wat we bedoelden. Natuurlijk verwezen we hem niet naar wat Voetius over het deelnemen van de vrouw aan de verkiezing schreef, want dat was reeds in ons eerste artikel geschied, maar wel naar hetgeen Voetivs schrijft over de potestas ecclesiastica of de kerkelijke macht, die niet alleen aan de ambtdragers, maar aan de gemeente als haar geheel toekomt en waarbij Voetius met name ook noemt de verkiezing van de ambtdragers door de gemeenteleden. De geheele beschouwing, die Ds. Lindeboom van de rechten der gemeenteleden bij de verkiezing gaf, scheen ons daarmede in strijd.

Dat Dr. Kuyper nu, wat deze principieele beschouwing betreft, het geheel met Voetius eens is, behoeft wel geen betoog. In het Tractaat der Reformatie van Dr. A. Kuyper wordt Voetius' betoog over dit punt schier letterlijk overgenomen en uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tusschen de kerkelijke macht, die aan de gemeente in haar geheel, en die welke aan de ambtsdragers toekomt. Wat de eerste betreft, wordt gezegd, dat de kerkelijke macht der geloovigen is, om de personen aan te wijzen 'voor het ambt; wat het tweede betreft, dat de ambtsdragers aan nieuwverkozen personen, die daartoe aar gewezen zijn, het ambt verleenen en hen daarin bevestigen (blz. 55).

Van een bloote »aanbeveling* is derhalve bij de verkiezing door de gemeente geen sprake. Er vindt een aanwijzing door de gemeenteleden plaats. En deze aanwijzing dient niet maar om de aandacht van den Kerkeraad op zekere personen te vestigen, maar heeft een (^^J/ZJ^^WÏ^ karakter. Art. 22 onzer Kerkenorde zegt dit uitdrukkelijk. De Kerkeraad kan aan de gemeente een dubbelgetal voorstellen, maar is dan v& r-^\\Qh.x.h& 1 door de gemeent gekozen halve deel in den dienst te bevestigen. Het is daarom ook niet jufkt, wanneer Ds. Lindeboom meent, dat volgens het Gereformeerd Kerkrecht de verkiezing geschieden moet door deq Kerkeraad en aan de gemeente alleen het recht van approbatie zou toekomen. Calvijn, wiens gezag zeker door Ds. Lindeboom niet ontkend zal worden, drukt zich in zijn Institutie geheel anders uit. ÏZOO zien wij dan, zegt hij, dat de beroeping eens Dienaars volgens Gods Woord wettig is, wanneer diegenen, die bekwaam bevonden zijn, door de eenstemmigheid en goedkeuring des volks verkozen worden. En dat de andere Herders de verkiezing leiden en besturen moeten”.

De verkiezing behoort dus bij de gemeente, de leiding aan den Kerkeraad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 februari 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Een kerkrechtelijk geschil.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 februari 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken