Bekijk het origineel

„Gij zijt menschen”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Gij zijt menschen”.

8 minuten leestijd

Gij nu, o mijne schapen, schapen mijner weide, gij zijt menschen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE. Ezechiël XXXIV : 31.

Dat we menschen zijn, is de rijkste eere in naam en wezen, die ons van Godszij de kon gegeven worden. Ook de eeretitel van i Kinderen Gods», is aangrijpend bezielend, maar toch de kenschetsing als menschen drukt nog voller en in nog bezielder toon den aard van ons menschelijk wezen uit. Dat we, zoo 't geloof

ons beheerscht en heiligt, kinderen Gods mogen genaamd worden, drukt de verhouding uit waarin we alsdan tot onzen God staan, niaar daarom nog niet ons wezen. Hoe diep afhankelijk wé ook van den Heilige zijn mogen, we zijn in onderscheiding van onzen God toch, als we ons zoo mogen uitdrukken, iets eigens, iets waar ons eigen wezen zich in uitdrukt, iets dat ons van God onderscheidt, en tegelijk uitdrukt wat we in onze afhankelijkheid van onzen God reeds zijn, of althans wezen kunnen. Dat eigen wezen nu, dat eigendommelijke, dat ons verrijkende en hoog stellende is, dat we menschen zijn. En al moet nu beleden, dat we, tengevolge van den val, aan dat mensch-ziin de eere ontroofd hebben, en thans niet dan door wondere genade in dit ons tnensch-ii]n de eere en den rijken schat van ons wezen terug kunnen ontvangen, het feit blijft toch onveranderlijk, dat we als ntensch een eigen natuur en een bijzondere bestaanswijze van onzen God ontvangen hebben, en dat het er altijd weer op aankomt, of dat hooge, dat edele wezensbestaan, dat ons als ntensch onderscheidt en zoo boog boven alle andere schepselen plaatst, in ons gered, geheiligd en bezield kon blijven, zoodat we als mensch weer uitkomen, de eere van ons bestaan als mensch weer ndar buiten doen treden, en opnieuw, na verzoend te zijn, weer, als tot de hoogste creatuur behoorende, in de glorie van onzen God schitteren kunnen. Er valt daarom zoo rijke nadruk op, als de Almachtige zelf ons in die hoedanigheid als mensch nogmaals opzoekt en terugvindt, en ons als zijn kinderen, en daarom als menschen. in de oorspronkelijke eere herstelt.

Zeer zeker is ook de nog onbekeerde zondaar nog altijd > mensch." Evenals de Satan een engel blijft, ook al viel hij zoo jammerlijk diep, om nimmer tot zijn God terug te keeren. Maar in den gevallen mensch is de eere van het mensch-t^ix toch gekrenkt, en ten slotte geheel ondergaande. Juist daarom echter is in den gevallen en onbekeerden mensch niet hetcr^«/««; '-zijn, maar juist het mensch-nya. gekrenkt en van zijn eere beroofd. Onder de vele soorten van bezielde wezens blijft ook de mensch niet alleen meetellen, maar staat ook, bij den diepsten val, de mensch steeds vooraan. Zelfs moogt ge er niet aan denken om den Engel, in soort en wezen, boven den mensch te stellen; en hoe hoog ook de Engel Gods ons toeschitteren moge, en hoe klaar 't moge uitkomen, dat de gevallen mensch in glqrie en heerlijkheid door den Engel Gods overtroffen wordt, in soort en naar den aard van het wezen is en blijft toch de mensch boven alle creatuur, en zoo ook boven den Engel, ja boven den rijkstbegaafden en heerlijksten Engel uitgaan. De Engel kan geroepen worden, om den mensch te dienen, doch nooit komt de mensch als dienstknecht van den Engel uit. Dat met den val aangrijpende wijziging intrad en de Engel vaak in rang en Ijeerlijkheid het van den mensch won, is niet twijfelachtig, doch dit kon nooit anders dan tijdelijk zijn, een dienst dien de Engel naar Gods bestel in het groote werk der verlossing moet volbrengen, maar 't wezenssoort ondergaat noch bij den mensch door zijn val, noch bij den Engei; door zijn heilige verlossingsdiensten een principieele verandering; De Engel hoe hoog ook geplaatst kan nooit anders dan Engel worden, als Engel dienst doen, en als Engel in heilige vreugde verkeeren, doch nimmer zal de Engel de hooge positie kunnen innemen die in de ure der Schepping door God Almachtig aan den mensch beschoren is. God schiep en Engel en Mensch voor een bepaald doel, plaatste daarna beiden in een geheel eigenaardige positie, en hoe ze nu ook beiden, zoo Mensch als Engel, uitglijden en in onnatuur vervallen konden, toch bleven ze elk in hun eigen soort voortbestaan. Satan, hoe ontzettend diep ook gevallen, bleef in zijn wezen wat God in den Engel schiep. En zoo ook de mensch, hoe diep hij ook in den noodlottigen val aan zijn God ontzonk, bleef niettemin naar zijn aard en wezen mensch. Een < 7»-mensch mogen we niet zeggen, omdat onze taal dat woord aan een bepaald soort van natuurbederf heeft toebeschikt, maar afgezien van de - wijze van uitdrukking is het nü feitelijk niet anders, dan dat de diep gevallen en onbekeerde mensch^ wel mensch bij zijn val bleef, maar in zijn bedorven wezen de natuur van zijn wezen ten slotte in haar tegendeel omzet.

Deze eenig hooge positie van den mensch onder alle creaturen wordt in het Scheppingsverhaal, eer er nog van zonde sprake was, zoo klaar en zoo beslist mogelijk betuigd. In het aangrijpend Scheppingsverhaal neemt de mensch, als creatuur, niet alleen de meest omvattende, maar ook de hoogste positie in. Er is geen sprake van, dat de overige natuur op zichzelf zou drijven en met den Almachtige niet van doen zou hebben, zóodat dan ten slotte alleen de mensch als een eigen Goddelijke creatuur te voorschijn zou treden. Heel de Schepping van 't paar in Adam en Eva tot in Maria die moeder van den Christus mocht zijn, wijst terug op God als Bron en Oorzaak. Het is God Almachtig in wien het gewone dier zijn oorsprong vindt; iets wat volstrekt niet enkel van 't lam en van den leeuw geldt, maar van alle dieren. In de orde dei schepping erlangt alle creatuur zijn beurt, en van soort na soort wordt altoos opnieuw betuigd dat 't de scheppende Almacht Gods is, die zich in het optreden van dit nieuwe wezen verheerlijkt. Dit geldt volstrekt niet alleen van den bezielden zanger onder de vogels en onder de aantrekkelijke en ons nog altijd boeiende dieren in huis en veld. Er spreekt in het dier dat den last van den wagen voor ons trekt of den ruiter dragen mag, iets aantrekkelijks dat boeit. Doch ook dit is niet onze vinding. Ook dit is iets watGod in de schepping van het dier had ingelegd, en nog altijd in zijn creatuur verheerlijkt. Wanneer nu nog een enkele hengst verkocht wordt voor een prijs die alle schatting te boven gaat, zoo komt dit ook hier op uit een eenig hooge eigenschap, die het Gode beliefd had in - "liet geslacht van dit dier in te leggen. Het alles beheerschende onderscheid tusschen wat God in alle overige schepping en in ons wrocht, ligt dan ook eeniglijk daarin, dat God den mensch schiep maar zijn beeld en gelijkenis." Toen 't alles voleind was, en nu nog eeniglijk de heer en meester over heel deze Schepping ontbrak, toen was het dat God Drieëenig in zichzelven sprak: •> \/is.\.fyciSmenschen maken^tmv\\i.% wel naar ons beeld en naar onze gelijkenis, en dat deze menschen .de heerschappij hebben over al wat in de zichtbare en hoorbare Schepping ten leven uitging*.

Juist echter omdat de mensch het wonderbare wezen was, dat 't laatst geschapen werd, om al 't geschapene te beheerschen, was de schending van zijn natuur het smadelijkst en schandelijkst wat in Gods Schepping kon gewaagd en ondernomen worden. Er lag van de ure van den val af zonde en misdaad in alle aanranding van de Schepping Gods in de natuur, in plant en in dier, maar toch openbaarde het gruwelijke pogen der zonde zich het schrilst en het scherpst in de aanranding en vergiftiging van het menschelijk wezen. De mensch was in de Schepping het hoogste. Zou er dus ooit een heilig pogen van Gods zijde uitgaan, om de gevallen Schepping tot haar staat van eere te doen wederkeeren, dan ging het hierbij vóór alle dingen en in de eerste plaats om den mensch. Niet om den mensch, gelijk hij zich zelf in valschen trots tot hoofd der Schepping, ja tot beschikker over de geheele Schepping verheven had, maar wel om den mensch als het hoogste Kunstproduct Gods, als de drager van Zijn Beeld, als de vertolker van Zijn Goddelijk denken, en als bezieler van geheel de overige Schepping. De gevallen mensch kon zich zelf niet redden, en daarom is dit het hooge woord, dat er van Godswege tot het gevallen Israel uitgaat: *Gij zijt menschen., maar Ik ben uw God, spreekt de Heere Heeret. Zoo wordt 't ten slotte weder, gelijk het bij de Schepping in het Paradijs was ingezet. De mensch als naar Gods Beeld geschapen stond 't hoogst. De mensch als God verzakende valt 't diepst. Maar ook de in Christus herboren mensch is de rijkste verfchijning in Gods Schepping die Zijn Naam verheerlijkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1920

De Heraut | 4 Pagina's

„Gij zijt menschen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken