Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

UIT HET OOSTEN.

VI.

De Vygeboom.

> Waar zijn nu uw twijgen. Wier keure van vijgen Eens lafenis bood? "

Zoö wordt gezegd in het schoone lied, »de boomen Kanaans», dat vele lezers wel zullen kennen. Het antwoord op de vraag moet, helaas, luiden: verdwenen!

Maar zoo was het vroeger in Israels land niet. Toen was het boomenrijk en daartoe droegen het allermeest de vijgenboomen veel bij. Wijnstok en vijgenboom worden als 't ware saamgevoegd in de Schrift. Als er gesproken wordt van een tijd, waarin vrede, rust en welvaart heerschen, dan heet het: »Een ieder zat onder zijn wijnstok en vijgeboom".

De vijgeboomen groeiden in het Joodsche land overal. Men trof ze in het wild aan, maar ook werden zij gekweekt en gaven sieraad en schaduw aan de wegen en stroomen langs welke zij geplant waren. Ia een warm land waar het maar op bepaalde tijden regende, was het van groot belang dat de boomen stonden in waterlij ke streken. Dat leert ons ook recht verstaan de vergelijking van den vrome met zulk een boom, zooals die gevonden wordt in Ps. 1 vs. 2:

Want hij zal zijn gelijk een frissche boom, IQ vetten grond geplant bij eenen stroom. Die op zijn tijd met vruchten is beladen, En sierlijk pronkt met on verwelkte bladen; Hij groeit zelfs op in ramp en tegenspoed; Het gaat hem wel; 't gelukt hem, wat hij doet.

De vijgeboom was niet alleen nuttig maar sierde ook het land. Hij kon twintig voet hoog worden, ja bij goede kweeking wel dertig. Daarbij had hij vele takken en twijgen met mooie, groofe groene bladeren, die een verkwikkende schaduw gaven.

De vrucht zelf was zeer gezocht, en gelukkig gemakkelijk te verkrijgen. Wij hier in Nederland zien de vijgen zelden anders dan ingelegd in suiker. Zoo worden zij in het verre Oosten toebereid, en van daar naar Oost en West verzonden. Za zien geel-bruin wijl het frissche sap verdroogd is.

Zulke gedroogde vijgen waren ook in Kanaan niet onbekend, ' en dienden tot voedsel. Men noemde de saamgepakte vruchten »klompen vijgenc, een benaming die de lezers zeker wel kennen.

De vijg, zooals hij van den boom geplukt wordt, ziet groen en is zoo groot als een peer. Versch gegeten is de vrucht heel sappig en natuurlijk minder zoet dan de ingelegde, maar werd toch veel gebruikt. Zulke versche vijgen komen bij ons alleen in de broeikassen voor. Ons land is te koud en heeft te weinig zon om vijgen te doen rijpen. Dat kan alleen in warmer streken zooals de landen rondom de Middel-Jandsche Zee.

Nu heb ik wel eens iemand hooren zeggen: > Ik begrijp niet, dat men in het Oosten zoo op vijgen gesteld was, want het zijn toch waterige, fliuwe vruchten en niet bijzonder zoet ook". Doch wie zoo spreekt, vergeet, dat er wel eenig onderscheid is tusschen de versche vijg uit onze broeikassen en de Oostersche die in de warme, viije lucht rijpt. Maar daar komt nog iets bij. Wij Nederlanders hebben in den regel getn gebrek aan water, ja soms te veel er van. In het Oosten is het juist andersom. In de Schrift lezen we dikwijls van droogte in het land, en wordt overvloed van water als een groote zegen beschouwd. Ia zulk een land, zijn nu saprijke vruchten hoog te schatten. Zij voorzien in de behoefte als er geen water is om te drinken, en geven verkoeling, lafenis en verkwikking, terwijl zij den dorst stillen.

Zulke vochtrijke vruchten groeien hier niet en zouden ook onnoodig zijn. De wijsheid des Heeren heeft ze gegeven, waar zij tot zegen kunnen wezen. En dat is niet gering. IQ mijn jongen tijd kwam ik eens bij iemand, die juist etn groote watermeloen ten geschenke ontvangen had uit de Levant. Dat zijn de landen rondom den Griekschen Archipel. Wij gingen toen de vrucht, een reusachtig groote, uit den kelder halen. Twee man waren noodig om haar te dragen. Toen het vrachtje aan de koffietafel werd opengesneden kwamen er verscheiden kannen water uit. Ik meen vijf. Ook was er veel sappig vruchtvleesch. Toch moesten allen erkennen, dat het water uit onze waterleiding frisscher en koeler was, en dat een sappige HoUandsche peer ons beter smaakte dan een Grieksche watermeloen. Maar wij begrepen ook welk een zegen zulke vruchten zijn in een dor, heet en waterloos land.

De vijg werd dan ook veel als voedsel gebruikt, en dat kon, wijl de vijgeboom wel driemaal in het jaar vruchten droeg; den eersten keer in Juni, dan had men de beste vijgen; de latere waren minder van gehalte. Natuurlijk waren er wel smakelijker spijzen, doch wie behoefte had kon althans gemakkelijk in zijn nood voorzien. Maar niet alleen tot spijs diende de vijg, ook tot geneesmiddel gelijk ook nog thans bij ons. De lezer kent zeker wel uit den Bijbel het verhaal, dat ons spreekt van het gebruik van vijgen ter genezing. Zoo iets kwam meer voor. De vrucht van den wijnstok, de wijn, diende ter genezing van wonden; de olijf leverde kostelijke olie die ook door de geneesmeesters bij de zieken werd aangewend, 't Is haast onnoodig nog te zeggen, waar in de Schrift van olie en wijn wordt gesproken bij heeling van wonden. Zoo was dan de vijg een vrucht die in geheel Palestina gevonden werd, en daar overal zeer gezocht was. Geen wonder dus, dat in de Schrift zoo vaak van vijgeboomen of van hun vrucht gesproken wordt. Reeds op de eerste bladzijden van het eerste boek des Bijbels komt de vijg voor. Helaas die eerste vermelding is tegelijk een droeve herinnering aan de eerste zonde onzer eerste voorouders Adam en Eva. Na de overtreding van des Heeren gebod maakten zij zich schorten van vijgebladeren, die daartoe uitnemend geschikt waren, om hun naaktheid te dekken. Vandaar dat wij nog soms voorwendsels of ontschuldigingen vijgebiaderen noemen. Wij zagen reeds vroeger, hoe de verspieders door Jozua uitgezonden naar Kanaan bij hun terugkeer van daar ook vruchten meebrachten. Tot deze behoorden ook de vijgen als bewijs van wat het land opbracht.

Heel den Bijbel door wordt van de vijg nu en dan gesproken, soms zinnebeeldig, soms naar werkelijkheid. Telkens blijkt, hoe groot de hoeveelheid van vijgen er moet geweest zijn. In de laatste tijden van zijn verblijf in het Zuiden van Kanaan, kort vóór hij koning werd te Hebron, was David bekend geworden met een rijken veehouder, Nabal geheeten, wiens kudden hij beschermde. Toen nu Nabal eens een feest gaf, beloonde hij David met grooten ondank door te weigeren hem ook maar eenig deel in het feestmaal te geven. Maar de gevolgen bleven niet uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juni 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 juni 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken