Bekijk het origineel

Nu het rapport

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nu het rapport

6 minuten leestijd

Amsterdam, 2 Juli 1920.

Nu het rapport over de echtscheiding aan de Kerken is rondgezonden, nnioge hier een enkel woord over dit rapport gezegd worden.

Zooals men zich herinneren zal, was op de Synode van Rotterdam de vraag ingekomen van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Noord-Amerika, hoe de Kerk tucht had te oefenen over degenen, die na ongeoorloofde echtscheiding tot een nieuw huwelijk overgingen. In Amerika zelf waren de meeningen hierover verdeeld. Wel stelde men zich wederzijds op het standpunt, dat overspel alleen als wettige grond van echtscheiding volgens de Schrift mocht erkend worden, maar terwijl een deel der broederen meende, dat wanneer de Overheid wegens andere gronden echtscheiding uitsprak, de Kerk zulk een echtscheiding niet mocht erkennen en dus ook aan degenen, die na zulk een ongeoorloofde echtscheiding tot een nieuw huwelijk I overgingen, den eisch moest stellen, dat zij 'gescheiden moesten leven, oordeelden an-5 deren, dat j i. de j O /-^ verheidsbeslissing, u - j u i-• ook i al was zij zondig, als feit moest erkend worden en aan de aldus gehuwden alleen als eisch kon gesteld worden, dat zij berouw toonden over hun zondige daad.

Deputaten door de Generale Synode benoemd om onze Synode voor te lichten, hebben hun taak breeder opgevat, ook omdat ditzelfde vraagstuk in ons vaderland telkens voorkomt en het gewenscht was onze Kerken_ in te lichten, hoe in zulke gevallen gehandeld moest worden. Ze hebben eerst onderzocht welke gegevens de Heilige Schrift in Oud-en Nieuw Testament voor dit vraagstuk biedt; in de tweede plaats, hoe door de Christelijke Kerk in het algemeen en inzonderheid door de Gereformeerde Kerk over dit vraagstuk is geoordeeld; terwijl zij in de derde plaats de conclusies gaven, waartoe zij op grond van het exegetisch en historisch onderzoek zijn gekomen.

Wat nu deze conclusies aangaat, gaan deputaten in de eerste plaats na, op welke gronden naar Gods Woord echtscheiding geoorloofd is, en komen dan tot de volgende conclusies:

Ie dat elke willekeurige en lichtvaardige echtscheiding zondig is en door de Schrift veroordeeld wordt, 2e dat naar de Schrift echtscheiding alleen geoorloofd is, wanneer door een der echtgenooten een zoodanige zonde gepleegd waardoor de huwelijkstrouw wordt geschonden (overspel) of de huwelijksgemeenschap feitelijk wordt verbroken (kwaadwillige verlating), omdat in deze beide gevallen het fundament van het huwelijk zelf wordt aangetast

In de tweede plaats gaan zij na welke roeping de Overheid ten opzichte van de echtscheiding heeft en vatten hun gevoelen in deze conclusies s^am:

Ie. Dat de Overheid als Dienaresse Gods gebonden is aan de ordinantiëo Gods ook voor het huwelijksleven en daarom deze ordinantiën Gods zooveel mogelijk ook bij hare wetgeving tot richtsnoer heeft te nemen.

2e. Dat echter de taak de Overheid te dezen opzichte een andere is dan de taak van de Kerk, omdat, terwijj de Kerk den absoluten eisch van Gods Wet voor de conscientiën heeft te handhaven, de - Overheid rekening heeft te houden met de bestaande toestanden onder het volk.

3e. Dat een algemeene regel in welke gevallen de Overheid echtscheiding mag toestaan, derhalve niet kan gegeven worden, aangezien dit afhangt van den zedelijken toestand van het volk, waarover de O/erheid regeert. 4e. Dat de Overheid, gelijk het voorbeeld van Mozes toont, niet gezegd kan worden een zondige daad te verrichten, wanneer zij om erger kwaad te voorkomen of den zwakke te beschermen, echtscheiding toelaat in gevallen, waarin de Kerk naar Goddelijk recht dit voor ongeoorloofd acht.

4e. Dat de Overheid, al moet zij soms het kwaad dulden, dit echter door hare wetgeving nooit in de hand mag werken en daarom zondigen zou, wanneer zij door hare wetgeving de Christelijke grondslagen van het huwelijk ondermijnde, door geheel willekeurige echtscheiding toe te staan of te sanctionneeren. 6e. Dat degene, die van deze wetgeving der Overheid gebruik maakt, om op andere gronden dan de Schrift veroorlooft, zijn huwelijk te doen ontbinden, naar Goddelijk recht en in foro conscientia schuldig blijft staan aan echtbreuk,

In de derde plaats onderzoeken zij hoe de Kerken zich tegenover dit echtscheidingsrecht der Overheid hebben te verhouden, waarbij zij tot de volgende conclusies komen:

Ie. dat aan de Kerk het recht toekomt om een zelfstandig oordeel te hebben over de gevallen, waarin naar Goddelijk recht alleen echtscheiding geoorloofd en dat zij geroepen is den eisch van Gods Woord in dezen te brengen èa tot de gemeenteleden èn tot de Overheid; 2e. dat het echtscheidingsrecht der Overheid wel in den regel door de Kerk moet geëerbiedigd worden, voor zoover dit de rechtelijke gevolgen betreft, maar dat, wanneer dit echtscheidingsrecht geheel met de Christelijke grondslagen van het huwelijk breken zou, de Kerk uit gehoorzaamheid aan Gods Woord genoodzaakt kan worden om dit echtscheidingsrecht voor haar terrein niet meer te erkennen;

3e. dat echter met het oog op de ontzettende gevolgen, die hieruit voor de saamleving zouden voortvloeien, de Kerk hiertoe niet mag over gaan, dan wanneer Gods Woord dit gebiedend eischt en dat zij in dit geval, na eerst bij de Overheid publiek te hebben geprotesteerd, daarvan een openlijke verklaring heeft af te leggen, opdat elk gemeentelid wete, dat de Kerk dit echtscheidingsrecht verwerpt;

4e. dat voorzoover de Overheid nog in het algemeen de Christelijke grondslagen van het huwelijk handhaaft, de Kerk, ook al zou zij oordeekn, dat in een bepaald geval geen genoegzame grond voor echtscheiding aanwezig was, zich bij het feit der echtscheiding heeft neer te leggen;

5e. dat, wanneer na zulk een volgens de Kerk ongeoorloofde echtscheiding, de Overheid een nieuw huwelijk toestaat, de Kerk zulk een huwelijk als een zondige daad heeft te veroordeelen en daartoe op geenerlei wijze hare medewerking heeft te verkenen;

6e. maar dat de eisch, dat de aldus gehuwden zich dan van elke huwelijksgemeenschap hebben te onthouden, in de Schrift ^een genoegzamen grond vindt, aan de conscientiën een te zwaren last zou opleggen en de deur zou openzetten voor andere en nog veel zwaardere zonden.

En in de vierde plaats onderzoeken zij, hoe de Kerk tucht heeft te oefenen óver degenen, die na ongeoorloofde echtscheiding tot een tweede huwelijk overgaan, waarbij zij tot deze conclusies komen:

1. dat de Kerk zeer zeker geroepen is om, wanneer leden der gemeente op ongeoorloofde wijze of onder leugenachtige voorwendselen echtscheiding verkrijgen, en evenzoo, wanneer zij daarna tot een nieuw huwelijk overgaan, tucht tegen hen te oefenen;

2. maar dat, wanneer na het begaan van deze zonde berouw wordt betoond en de schuldigen tot de gemeenschap' der Kerk willen terugkeeren, de Kerk — gelijk dit bij elke zonde het geval is — alleen als eisch kan stellen, dat de zonde beleden en berouw over deze zondige daad getoond worde;

3. dat er dan alleen reden zou wezen voor de Kerk om aan de oprechtheid van zulk een berouw te twijfelen, wanneer dezelfde zonde van lichtvaardige echtscheiding en hertrouw daarna herhaald werd.

We bepalen er ons toe, alleen deze conclusies mede te deelen. Het lijvig rapport zelf geeft de uitvoerige uiteenzetting van de gronden, waarop deze conclusies rusten. En men zal, ook al is men het wellicht met elke conclusie niet eens, zeker niet kunnen klagen, dat deputaten hun taak niet ernstig genoeg hebben opgevat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1920

De Heraut | 4 Pagina's

Nu het rapport

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 juli 1920

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken