Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Om Gods verhevenheid en Zijn nabijheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Om Gods verhevenheid en Zijn nabijheid

1 minuut leestijd

Vergelijkingen
Heel boeiend is het vierde hoofdstuk waarin dr. Baars een aantal vergelijkingen maakt met andere theologen: Gregorius van Nazianze, Augustinus, Erasmus, Luther, Melanchthon en Zwingli. In een dergelijk hoofdstuk komt het eigene van Calvijn nog meer tot uiting dan wanneer het onderzoek zich alleen richt op het denken van Calvijn zelf. Calvijn herkent zich in de uitspraak van Gregorius van Nazianze: ‘Ik kan niet denken over de eenheid of ik word onmiddellijk omringd door de glans van de Drie en ik kan ook de Drie niet onderscheiden of ik word meteen teruggebracht tot de eenheid.’ Hoewel er meer raakvlakken met deze kerkvader zijn, lijkt het niet waarschijnlijk dat Calvijn rechtstreeks door deze kerkvader beïnvloed is in zijn leer van de Drie-eenheid. Ook bij Augustinus zijn er vele fundamentele overeenkomsten aan te wijzen. Nochtans zijn er ook verschillen in de uitwerking zichtbaar. Calvijn neemt zondermeer afstand van de allegorische methode van Augustinus. Calvijn spreekt veel minder over de Drie-eenheid in verband met Gods Wezen. Augustinus kan daar hele preken over houden, maar Calvijn richt zich vooral op de praktische en geestelijke kant van de Drie-eenheid in verband met het heil voor de zondaar.

Calvijn moet ook niet zoveel hebben van de zoektocht naar sporen van de Drie-eenheid in de schepping en in de ziel van de mens. Het laatste is bij Augustinus ingegeven door de overweging dat de mens is geschapen naar Gods beeld. De rijpste analogie van Augustinus is die van herinnering-verstand-wil. Deze drie geestelijke vermogens zijn toch één denkende geest. Volgens Calvijn moet de leer van het beeld van God op hechtere grondslagen worden gefundeerd dan op dergelijke speculaties. Wanneer Erasmus voor het voetlicht wordt gehaald, werpt dat niet alleen een licht op zijn leer van de Drie-eenheid, maar ook van zijn theologisch en geestelijk denken in het algemeen. Erasmus komt tot de opzienbarende overtuiging dat de leer van de Drie-eenheid niet tot de kernen van het christelijk geloof behoort. We moeten God niet definiëren, maar de vrucht van de Geest vertonen. Dogmatiek dient het vrome leven niet. Mensen kunnen uiteindelijk niet zeggen wie God is.

Vooral omdat deze geluiden in onze tijd niet vreemd zijn, is het goed het grote contrast met het theologische denken van Calvijn op te merken. Het denken van Erasmus is al te spiritualiserend en hecht te weinig belang aan de geloofskennis van God. De vergelijking met Luther is ook uitermate boeiend, vooral omdat hij samen met Calvijn een front heeft gevormd tegen de roomse leer. Opvallend is Luthers opmerking dat er in de triniteitsleer geen verschil met Rome is. Opmerkelijk is ook dat hij wel analogieën in het geschapene wil zien. Wel is er dit verschil met Augustinus dat Luther deze alleen een plaats geeft binnen het leven van het geloof en niet als een middel om de Triniteit te leren kennen. Luther gaat ook verder dan Calvijn in zijn waardering voor allegorie. Allegorie mag achteraf de leer van de Triniteit illustreren, bijvoorbeeld in Genesis 18. Allegorie kan de leer van de Drie-eenheid echter nooit funderen. Ook in de triniteitsleer blijkt dat Luther de dingen vaak persoonlijker en bevindelijker verwoordt dan Calvijn. Het viel mij op dat Baars die zo terughoudend is om zijn eigen persoonlijkheid in de studie in te brengen, het niet na kan laten om het woord ‘prachtig’ te gebruiken bij het volgende citaat van Luther: ‘De Vader geeft Zich aan ons met de hemel en de aarde en alle schepselen, opdat ze ons zouden dienen en wij ze zouden gebruiken (...) Daarom heeft daarna ook de Zoon Zichzelf aan ons gegeven, heel Zijn werk, Zijn lijden, Zijn wijsheid en gerechtigheid geschonken en ons met de Vader verzoend, opdat wij weer levend en rechtvaardig zouden zijn en ook de Vader met Zijn gaven zouden erkennen en bezitten. (...) Daarom komt de Heilige Geest en geeft Zich ook geheel en al aan ons. Hij leert ons deze weldaad van Christus die ons bewezen is kennen, helpt om haar te ontvangen en te behouden, om haar op een nuttige manier te gebruiken en uit te delen en om haar te vermeerderen en te versterken.’

Grondstructuren
In het vijfde hoofdstuk komen de lijnen uit het voorgaande hoofdstuk samen. Als verschil met de middeleeuwse Godsleer en de gereformeerde orthodoxie legt Baars er de vinger bij dat er bij Calvijn geen uitgewerkte aandacht is voor de eigenschappen van God. De triniteitsleer gaat bij Calvijn vóór de eigenschappen, hetgeen geen onbeduidend verschil is met de genoemde tradities. Exegetisch komt er in dit hoofdstuk ook een opmerkelijk detail aan de orde. Terwijl Baars in de noten regelmatig aangeeft dat de modernere exegese Calvijn vaak gelijk geeft in zijn voorzichtige beroep op teksten als schriftbewijs voor de leer van de Drie-eenheid, zijn er ook voorbeelden dat de modernere exegese verder gaat dan Calvijn en de reformator te voorzichtig acht. In de uitleg van Joh. 10:30 ziet Calvijn geen verwijzing naar Gods Wezen, terwijl er gegronde redenen zijn om dat wel zo te zien. Ook Calvijns omgang met 1 Kor. 12:4-6 is te voorzichtig. Van hieruit lopen wel lijnen naar het dogma van de Drie-eenheid. Baars wijst er in dit hoofdstuk op dat het verwarrend kan zijn dat Calvijn de Zoon zo vaak aanduidt als de wijsheid van God. De uitdrukking ‘Gods wijsheid’ kan uiteraard ook slaan op de wijsheid als eigenschap van de drie-enige God. Dan ziet het niet op een Persoon. Bovendien kan het ook slaan op de wijsheid die een zondaar in Christus ontvangt. Bij Calvijn is er geen bezinning op deze problematiek te vinden. Als zodanig zou de uitdrukking ‘de wijsheid van God’ voor de Zoon op een modalistische tendens in de godsleer kunnen wijzen. Dat wil zeggen dat de Persoon van de Zoon niet een ander is dan de Vader, maar een ‘gezicht’ van de Vader. Met deze kritiek wordt aan Calvijn geen recht gedaan, maar er zijn uitdrukkingen die dit vermoeden op kunnen roepen. In dit concluderende hoofdstuk wordt nogmaals onderstreept dat Calvijns nadruk op de leer van Gods Drie-eenheid altijd in het kader staat van de zaligheid van zondaren. De Drie-eenheid wordt in de Schrift geleerd en in het geloof ervaren. Calvijn is wars van speculatie over de Drie-eenheid, maar wijst op de geestelijke ervaring. De ervaring is geen aparte manier om God buiten de Schrift om te leren kennen, maar door het geloof in het Woord is er de ervaring van de kracht van het Woord in het hart. Over deze ervaring schrijft Calvijn dat ‘het vrome hart God in Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid ontdekt en Hem bijna aanraakt, wanneer het ondervindt dat het levend gemaakt, verlicht, zalig gemaakt, gerechtvaardigd en geheiligd wordt’.

Naar aanleiding van het proefschrift van de hand van dr. A. Baars, Om Gods verhevenheid en Zijn nabijheid. De Drie-eenheid bij Calvijn. Een uitgave van Kok, Kampen, 751 blz., _ 42,50.

Dit artikel werd u aangeboden door: Hersteld Hervormde Kerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 2004

Kerkblad | 12 Pagina's

Om Gods verhevenheid en Zijn nabijheid

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 2004

Kerkblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken