Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een onmogelijke opdracht aan een jonge dienstknecht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een onmogelijke opdracht aan een jonge dienstknecht

1 minuut leestijd

Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken en af te breken en te verderven en te verstoren, ook om te bouwen en te planten.
Jeremia 1:10

In de woorden van onze overdenking wordt de taak omschreven die Jeremia van Godswege mocht ontvangen. Hij zal zo rond de twintig jaar zijn geweest, toen de Heere hem riep tot het ambt van profeet. Jeremia was niet alleen jong, maar hij was ook een gevoelsmens. Hij had het volk van Juda zo lief. Hij heeft hun dodelijke dag niet begeerd. En juist hij moest de ondergang van Juda aanzeggen. Daarbij komt nog, dat hij door zijn oordeelsprofetie in een voortdurend conflict komt met zijn volksgenoten en dan in het bijzonder de valse profeten, die steeds maar spraken van vrede, vrede, en geen gevaar. Helemaal onmogelijk maakt Jeremia het voor zichzelf als hij het volk van Juda de raad geeft om zich bij het beleg van Jeruzalem aan Nebukadnezar over te geven. Want overgave aan de vijand zou redding betekenen, maar blijvend verzet zou de ondergang van het volk zijn. Om die raad werd Jeremia gescholden voor een laffe landverrader. Daarom werd hij door zijn eigen volk, dat hij toch zo liefhad en waar hij het beste mee voorhad, miskend en gehaat. Ze hebben hem daarom zelfs naar het leven gestaan. Dat alles heeft strijd gegeven in het leven van Jeremia. Niet alleen persoonlijk maar ook ambtelijk is het zo nodig om onze eigen wil te leren verzaken. Als dat wordt gemist, dan wordt het voornaamste gemist. Dan zijn wij geen dienaren van het Woord, maar dienaren van mensen. Dan gaat de zaligheid van de mens vóór de eer van God. Dan staan wij niet aan Gods kant. En dat is nu juist de worsteling in het leven van Gods ware dienstknechten: om ook in hun ambtelijk leven de wil des Heeren te mogen volbrengen.

Als dat wordt beseft, dan is het ambtelijke werk voor ons vlees niet zo begeerlijk. Want wie wil er nu van nature het werk doen dat aan de profeet Jeremia wordt opgedragen? Dat wil toch niemand! Hij moet immers in de allereerste plaats uitrukken, afbreken, verderven en verstoren. Daar moet hij mee beginnen. Maar dat maakt een prediker niet geliefd. Om een geliefd prediker te zijn bij de mensen is het nodig om op een andere wijze te werk te gaan. Dan moet er begonnen worden met te bouwen en te planten. Dan moeten die eerste vier woordjes in de taakomschrijving van Jeremia worden geschrapt. Als zo de ambtelijke opdracht wordt vervuld, dan krijg je de mensen aan de kant. Toch krijg je dan niet alle mensen aan je kant. Weet u wie je dan tegen krijgt? Wel, die mensen, die door Gods genade eerlijk behandeld willen worden. Maar wat nog veel erger is: dan krijgen wij God niet aan onze kant. Dan krijgen wij God tegen.

Gods knechten zijn ook mensen, ze hebben Gods Woord te verkondigen. En daarbij hebben ze met twee woorden te spreken, namelijk: zonde en genade. Dat moest Jeremia ook. Hoewel de oordeelsprediking overheerste, dat blijkt wel uit de opdracht. Vier woorden die spreken van oordeel en twee woorden die spreken van genade. De woorden van oordeel zijn hier in de meerderheid. Maar juist door dat oordeel heen bewijst God Zijn genade. Jeremia werd geroepen om Gods Woord te verkondigen en dat Woord is aan geen tijd of plaats gebonden. Dat blijkt heel duidelijk uit hetgeen voorafgaat aan de woorden van onze overdenking: ‘Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken.’ Gods Woord heeft gezag over deze wereld. Of dat gezag nu wordt erkend of niet. Straks zal blijken dat Gods Woord het laatste woord heeft en niet het woord van mensen of wat mensen zo graag horen verkondigen.

Hoe noodzakelijk is het toch dat wij leren buigen voor Gods Woord. Gods Woord is het zaad der wedergeboorte. Als dat zaad door Gods genade in ons hart mag vallen, dan krijgt Gods Woord het voor het zeggen in ons leven. Dan gaan wij leren buigen onder het oordeel. Dan wordt door de verkondiging van Gods Woord alle plant uitgerukt, die geen plant des geloofs is. Dan wordt het fundament afgebroken dat voor God niet kan bestaan. Dan wordt de valse verwachting en de valse rust verdorven en verstoord. Dat is de onmogelijke opdracht die de Heere aan Zijn knechten geeft. Daarna mogen, ja, moeten zij ook planten en bouwen. Ook dat laatste mag niet achterwege blijven. Dan mogen ze als een wijs bouwmeester het fundament leggen. En dat fundament is Christus Zelf. Dat is tot wasdom van Gods gemeente en tot opbouw in het allerheiligst geloof. Hebben wij door genade al kennis gekregen aan dat uitrukkende, afbrekende, verdervende en verstorende, maar ook aan dat bouwende en plantende werk van de Heilige Geest?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 2008

Kerkblad | 12 Pagina's

Een onmogelijke opdracht aan een jonge dienstknecht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 2008

Kerkblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken