Bekijk het origineel

Johannes’ brieven (104)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Johannes’ brieven (104)

Dat wij elkander liefhebben

1 minuut leestijd

En nu bid ik u, uitverkoren vrouwe, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben.
2 Johannes 5

Kinderen blijken, zoals we in de vorige Bijbelstudie hebben gezien, hun hemelse Vader te gehoorzamen. Er is dus reden tot dankbaarheid. Het verblijdt dan ook het hart van een rechtgeaarde dienstknecht. Het is als kan de apostel zijn vreugde niet op: hij is zéér verblijd. Na deze apostolische uiting van blijdschap over het feit dat kinderen in kinderlijke gehoorzaamheid in de waarheid wandelen, volgt een vraag, een terechte vraag: ‘En nu bid ik u, vrouw, (…) dat wij elkander liefhebben.’ De briefschrijver spreekt de ‘vrouw’ direct aan. Op haar persoon komen we, na hetgeen reeds in eerdere Bijbelstudies geschreven is, in de loop van het briefonderzoek nog terug. Hier stelt de apostel een uiterst concrete vraag aan haar adres. Het woordje ‘uitverkoren’, dat in de Statenvertaling staat, nemen we hierbij niet over, omdat het in de handschriften niet te vinden is. De Statenvertalers hebben dat ook gezien, het woordje ‘uitverkoren’ is daarom en dus niet voor niets schuin gedrukt. Met de cursieve schrijfstijl moet het de lezer meteen duidelijk zijn dat het woord ‘uitverkoren’ in de grondtekst niet staat, maar door vertalers in de vertaling toegevoegd is. De verklaring voor deze toevoeging ligt voor de hand en lijkt niet moeilijk te geven: in het eerste vers is namelijk die combinatie van ‘uitverkoren vrouw’ door de apostel als adres gebruikt. Het is niet onmogelijk en zeer aannemelijk dat onze Statenvertalers met een fijn gevoel voor Gods werk en een diep besef van Gods redding als púre genade het toch nog even terloops noemen om te onderstrepen en te benadrukken: Johannes schrijft beslist niet aan een willekeurige vrouw; neen, hij richt zich tot een speciale vrouw, een zeer bevoorrechte vrouw, een uitverkoren vrouw. Al laten wij getrouw aan de grondtekst het woord ‘uitverkoren’ achterwege, we doen het evenwel niet zonder hártelijke instemming dat de geadresseerde van de brief, dat is de vrouw, een be-gúnst-igde is! Het mag best gezegd en herhaald verklaard worden: de vrouw is wat zij is omdat de Heere Zijn oog op haar heeft laten vallen. Gelovigen weten zich altijd gezien. Geloofd zij de Heere!

Een apostolisch verzoek
Johannes die even een blik achterom wierp en daarbij de kinderen zag wandelen, keert zich in vers 5 naar het heden: En nu vraag ik u. Met het kleine woord ‘nu’ komt Johannes tot de actualiteit. Zijn vraag zal binnen het kader van het samenleven van de vrouw en haar kinderen naderhand nog hoogst actueel blijken te zijn. Al lezend zullen we daarachter komen. Zijn verzoek is aan de orde van de dag. Het woordje ‘nu’ is verbonden met het verleden, het staat zeker niet los van het voorafgaande. Gezegd zou kunnen worden dat de apostel met het oog op dat verleden alle vertrouwen heeft in de positieve beantwoording van zijn vraag. Hij mag rekenen op een gunstige reactie op zijn verzoek. Van degenen die in de waarheid wandelen is toch zondermeer te verwachten dat zij alleszins begrip tonen voor Johannes’ bede en dat voor hen de apostolische vraag allesbehalve vreemd overkomt. Sommige vertalers vertalen ‘maar nu’ in plaats van ‘en nu’. Waarom? Omdat zij menen dat een tegenstelling met het verleden te vrezen is. Met het woordje ‘maar’ komt naar voren dat de briefschrijver een waarschuwende vinger opheft, hij slaat een vermanende toon aan. Hij waarschuwt de vrouw en haar kinderen. Hun situatie zou onder spanning staan. Heel kort gezegd zou het gevaar aanwezig zijn dat de liefde verkilt.

“Liefde komt van de Vader,
is geopenbaard in de Zoon
en is mogelijk gemaakt door
de levengevende Geest.”

De uitdrukking ‘ik bid u’ is opmerkelijk. Wie het zo vertaalt, biedt meer dan een letterlijke vertaling. Een vertaler probeert daarmee de intentie van het verzoek onder woorden te brengen. Het Griekse werkwoord dat met ‘bidden’ vertaald is, wordt normaal en gewoonlijk weergegeven met het woord ‘vragen’. Dus luidt de zin op grond van het gebruikte werkwoord: ik vraag u. De vertaling ‘bidden’, door de Statenvertalers gegeven, lijkt te zijn ingegeven door wat volgt. De schrijver maakt immers in het vervolg duidelijk dat het geen nieuw gebod is dat hij schrijft. Het is wel een gebod. Een bekend gebod, waarover straks meer. De vráág om de naleving van een gebód zou als een dringend verzoek, dat wil zeggen als een klemmende bede uitgelegd kunnen worden.

Wat is zijn verzoek? Dat wij elkander liefhebben. Het liefdesgebod is altijd actueel. Telkens te herhalen. De liefde wordt altijd bedreigd door haat en nijd, door liefdeloosheid en egoïsme, door hoogmoed en eigendunk, door zelfverheffing en zelfhandhaving, door trots en ellebogenwerk. De erkenning dat de menselijke natuur geneigd is God en de naaste te haten, onderstreept hoe noodzakelijk het is de vinger aan de pols te houden als het om onderlinge liefde gaat. De vrucht der liefde groeit alleen aan de Boom Die Christus is. Geen discussie van Wie Gods kinderen afhankelijk zijn. Voor wat betreft de gave van de liefde formuleert dr. L. Floor scherpzinnig: ‘Liefde komt van de Vader (1 Joh. 4:7), is geopenbaard in de Zoon (1 Joh. 3:16) en is mogelijk gemaakt door de levengevende Geest (1 Joh. 4:13-16).’

Geen nieuw gebod
Ik schijf u geen nieuw gebod, maar ‘hetgeen wij gehad hebben van de beginne’. Johannes is ervan overtuigd geen nieuwe dingen te zeggen. In 1 Johannes 2:7 beschrijft de apostel ook al dat zijn lezers geen nieuw gebod ontvangen hebben. Het is de oude boodschap. Deze aloude boodschap schijnt met name belangrijk te zijn als het om verleiders gaat. Uit het vervolg van de brief, vooral vers 10, blijkt dat er personen binnendringen die andere dingen zeggen, die een andere leer brengen. De bekende en vertrouwde boodschap is volgens de briefschrijver er één die hij met de vrouw en haar kinderen deelt. ‘Wij hebben die van de beginne gehad’. De opdracht ligt er allang. Op grond van deze woorden is te zeggen dat Johannes zich op dit punt met de vrouw en de kinderen in de leerschool van de Heilige Geest zet. Als leerlingen hebben zij diepe verwantschap. Hij verklaart het gebod met haar van de beginne ontvangen te hebben en hij heeft al eerder gezegd dat hij met de vrouw een gebod van de Vader ontvangen heeft (vs. 4). Wandelen naar de geboden van de Vader. Liefhebben is de grondregel van het Vaderhuis. Bekend is het aloude voorschrift om naar het eerste liefdesgebod te leven: ‘de HEERE lief te hebben met heel het hart, met geheel het verstand, met heel de ziel en met alle krachten.’ En in één adem volgt het tweede liefdesgebod: ‘om de naaste lief te hebben als onszelf.’

Zien we naar de Voleinder van het geloof: Jezus (Hebr. 12:2). Het geloof werkt door de liefde. Hij heeft liefgehad tot het einde. Het gebod elkaar lief te hebben is er al vanaf het begin van de christelijke gemeente. Waar het Evangelie klinkt, is er de kennismaking met het gebod der liefde. De boodschap om elkaar lief te hebben komt uit Jezus’ mond. Voor deze kwestie is slechts Johannes’ beschrijving van de Heere Jezus met een omgorde schort aan te halen, de gebeurtenis is illustratief en veelzeggend. Hij zegt later: ‘Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander’ (Joh. 13:34-35). De woorden ‘gelijk Ik’ zijn diep en gaan tot het uiterste. Hij heeft namelijk liefgehad tot het einde (Joh. 13:1slot). Hij heeft hét voorbeeld gegeven. Toen Hij wist dat Hij tot God heenging, stond Hij op. Hij legde Zijn klederen af, nam een linnen doek en omgordde zich. Hij deed water in een waterbekken en boog Zich om de voeten van de discipelen te wassen en met de schort die Hij had omgedaan te drogen. Na Zijn daad stelt Hij de wezenlijke vraag: ‘Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?’ (Joh. 13:12) Ze hebben kunnen zien wat hun Heere en Meester gedaan heeft. Als Hij dit gedaan heeft, hoeveel te meer moeten zij dan dienend bezig zijn. Ze zijn elkaar alles verschuldigd. Ze moeten elkaar niet de oren wassen, maar als elkaars dienstknechten elkaar de voeten wassen. ‘Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet’ (Joh. 13:15). Jezus’ veelzeggende manier van doen kraakt alle hoogmoed. Zijn dienen, Zijn buigen, Zijn verootmoedigen en Zijn Zelfverloochenend dienen spreken van goddelijke liefde. Een nieuw gebod: ‘Gelijk Ik, alzo u!’ Met de vrouw en haar kinderen moet Johannes de geleerde les opzeggen en blijven herhalen: ‘We hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad’ (1 Joh. 4:19).

Vragen
1. Lees van de Heidelbergse Catechismus Zondag 21, vraag en antwoord 55. Ziet u een verband tussen 2 Johannes 4 en deze vraag en haar antwoord?
2. De Heere Jezus heeft naar de woorden uit de Heilige Schrift een voorbeeld nagelaten. U kunt het lezen in teksten als Johannes 13:15 en 1 Petrus 2:21. Wat wil het zeggen dat Hij een ‘voorbeeld’ is?
3. Soms worden deze teksten van ‘Jezus Die het voorbeeld geeft’ losgemaakt van Jezus’ betekenis als Borg en Zaligmaker. Hij is immers ‘een Verzoening voor onze zonden’ (1 Joh. 2:2). Waarom mag het eerste niet van het tweede losgemaakt worden? Wat zijn de gevolgen als dat toch gebeurt?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 2011

Kerkblad | 16 Pagina's

Johannes’ brieven (104)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 2011

Kerkblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken