Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Johannes’ brieven (109)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Johannes’ brieven (109)

Deel 2

1 minuut leestijd

Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet. Want die tot hem zegt: Zijt gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken.
2 Johannes 10-11

Gezin en kerk
Wanneer de apostel concrete voorschriften geeft, zijn ook de adressanten te beschouwen. Zij zijn genoemd met ‘ulieden’, en hun plaats waar de dwaalleraars niet welkom zijn, heet ‘huis’. Al aan het begin van de behandeling van deze tweede brief van Johannes is opgemerkt dat de brief aan een vrouw persoonlijk kan zijn geschreven. In haar hoedanigheid als moeder blijven hierbij de kinderen niet buiten beeld. Dus een gelovige moeder met haar kinderen. De brief kan echter evengoed als een schrijven aan een gemeente worden beschouwd, waarbij de gemeente als vrouw is bestempeld. Is de gemeente als vrouw voorgesteld, dan zijn de gemeenteleden de kinderen. De betekenis van Johannes’ eis om met dwaalleraars korte metten te maken, bezien we zowel in het ene als in het andere geval. We besluiten met de reden waarom zelfs niet gegroet mag worden. Bij een en ander klinkt er deels een herhaling van het grote gevaar van de dwaalleraars, hetgeen niet te vermijden is. De kracht van de herhaling ook met het oog op de kerkelijke praktijk!

Gezinsvoorschrift: ulieden en uw huis
Zoveel is inmiddels duidelijk: De vrouw en haar kinderen – in deze verklaring beschouwd als een gelovig huisgezin – kunnen erop rekenen dat er aan de poortdeur gerammeld wordt. Rondreizende predikers zoeken onderdak, voor opvang kloppen ze aan de huisdeur. Johannes roept op tot concrete maatregelen: de deur niet opendoen! Met de beste wil, met de goede zin van Christus moeten de huisbewoners diegenen die een valse leer verkondigen niet binnenlaten. Het gezin zou verontreinigd worden. De binnenkomst zou zeer schadelijke gevolgen hebben: groot verlies, geen loon en zonder God (vers 8 en 9). Er is geen contact te leggen, nog minder te onderhouden. Ze moeten niet worden binnengelaten en zelfs niet worden gegroet. Houd ze vooral buiten de deur en groet ze evenmin. Een totaal verbod op gemeenschap. De kwestie van ‘gemeenschap’ lijkt hoog te worden opgevat. Het geven van een vinger aan de antichristen is geen neutrale aangelegenheid. Zoals hierna nog zal blijken, houdt het niets anders in dan dat ze zich medeschuldig maken aan de dwaling. Ze worden medeplichtig. Scherp gesteld: de huisbewoners zouden met het in-huis-halen van de dwaalleraars de leugen binnenhalen en de Waarheid de deur wijzen. De leugen over de Heere Jezus zou welkom worden geheten ten koste van de waarheid over Hem. Paulus maakt de jonge Timótheüs ook attent op gevaarlijke insluipers. In de laatste tijden sluipen personen die een gedaante van godzaligheid hebben de huizen binnen.

De gevolgen daarvan zijn verschrikkelijk en vreselijk. De insluipers verzetten zich tegen de waarheid en zijn alleszins verwerpelijk (2 Tim. 3:5-8). Het is daarom goed voorstelbaar dat Johannes met de concrete gezinssituatie van de vrouw rekent en daaraan hier denkt. Johannes meldt zich als trouwe bewaker van de woning van de uitverkoren vrouw. Ze moet met het oog op zichzelf en met het oog op haar geliefde kinderen rigoureus optreden. Laat ze buitensluiten wat zich als christelijk presenteert maar ondertussen heel gemeen en vals Jezus in Zijn geopenbaarde hoedanigheid loochent. Onder het mom van godsdienstigheid dreigen moeder en kinderen ten dode te worden gegrepen. Om over na te denken. Ook vandaag de dag. De verziekende boze geesten verslaan er graag velen. Dwaalleraars staan niet altijd meer in levenden lijve aan de bel. Achteloos zijn de dwaalgeesten soms al binnengelaten. De ontkenning van Jezus als de Christus sluipt ongemerkt de gezinnen binnen met de lectuur, uit de geluidsapparatuur, in de beeldcultuur waarvan de boze gretig gebruikmaakt als internet en de blackberry gebruikt worden. Het kwaad sluipt veelal geruisloos binnen …

Gemeentevoorschrift: ulieden en Zijn huis
Het huis van God, de kerk, kan Johannes bedoeld hebben. De dwaalleraars dienen niet toegelaten te worden in de gemeentelijke samenkomsten. Als de kerkdeur opengaat, lijken daarna de scharnieren van de kanseldeur voor de dwaalleraars te moeten kraken. De gemeenteleden kwamen op diverse plaatsen samen. Er zijn de ontmoetingen in de synagogen, maar ook komt de gemeente samen in de huizen van de gemeenteleden. De laatsten stelden hun huis voor de goede zaak, voor het bevrijdende Evangelie graag open. Een huisgemeente in de zin dat de gemeente dankbaar door een gelovige in huis werd gehaald (Rom. 16:5; 1 Kor. 16:19; Kol. 4:15; Filemon 2). De dwaalleraars mogen echter daarbinnen niet komen. Ze zijn onbetrouwbaar, ze krijgen geen aanbeveling, ze hebben geen geloofsbrieven. Als gemene indringers zijn ze ongewenst. De groet moet zelfs in hun richting niet gedaan worden. Er mag geen vermenging van het goede met het kwade zijn. Er is een doorgetrokken streep tussen waarheid en leugen. De leugen is ontoelaatbaar. Van samengaan kan geen sprake zijn. Het meervoud ‘ulieden’ pleit ervoor dat de zaak uit de privésfeer getrokken wordt en in de sfeer van het gemeenteleven gelegen is. De ‘uitverkoren vrouw’ in het enkelvoud blijkt uit meer personen te bestaan. De meervoudsvorm kan als argument worden gebruikt om voor de term ‘uitverkoren vrouwe’ de betekenis te kiezen van een gemeente. Een gemeente moet op haar hoede zijn waar het gaat om allerhande dwalingen. Gemeenteleden kunnen niet alert genoeg zijn op lieden die de gemeente met leugens en gedragingen op de kop zetten. Evenzo waarschuwt de apostel Paulus de gemeente van Thessalonica: ‘En wij bevelen u, broeders, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt’ (2 Thess. 3:6). In zijn commentaar haalt De Jonge hiervan sprekende voorbeelden uit de kerkgeschiedenis aan, er wordt ernstig gewaarschuwd. Ignatius laat zich namelijk in felle bewoordingen uit over de dwaalleraren die de gemeenten bedreigen: ‘Ik probeer u van tevoren te bewaren voor de wilde dieren in mensengedaante, die u niet alleen moet ontvangen, maar als het mogelijk is zelfs niet ontmoeten; bidt alleen voor hen, of zij zich misschien zullen bekeren – wat moeilijk is, maar Jezus Christus, ons waarachtig leven, heeft daar macht over.’ Irenaeus wordt geciteerd die in zijn verhalen over de apostel Johannes vertelt dat hij meteen het badhuis in Efeze verliet toen hij zag dat Cerinthus, de vijand van de waarheid, daarbinnen was. De woorden van Johannes zijn woorden voor de gemeentelijke praktijk: dwaalleraars mogen in de gemeente op geen enkele manier verwelkomd worden, want het zou ertoe kunnen leiden dat ze tot oneer van Hem en tot schade van de gemeente het woord zouden voeren.

De groet
‘Chairein’, zo is de bekende groet. Het is het gedag zeggen van ‘wees gegroet’ of ‘wees welkom’. Een dergelijke hartelijkheid en mensvriendelijke behandeling van de dwaalleraars is niet te tonen en te doen. Er moeten geen verwachtingen worden gewekt bij de dwaalleraars. Iedere vorm van bemoediging moet vermeden worden. Met de groet lijkt de helpende hand te worden uitgestoken. Nee, zelfs geen groet. Waarom eigenlijk niet? Omdat degenen die de verleiders en antichristen groeten, daarmee deel hebben aan hun boze werken. De groet is een tastbaar teken van verbondenheid. Van de groet, waarmee het eerste contact wordt gelegd, is daarom geheel en al af te zien. De briefschrijver geeft een heldere uitleg waarom zelfs de groet aan de rondreizende dwaalleraars achterwege moet blijven. Misschien geeft Johannes een verklaring voor dit zeer besliste gedrag van harde afwijzing omdat onder de Griekssprekende gemeenteleden de betekenis van de groet niet erg duidelijk was. Misschien was de groet in hun ogen van weinig betekenis en was een bewustwording en bewustmaking op dit punt geen overbodige luxe. Of misschien is de uitleg over de groet juist ingegeven opdat ieder zich verantwoordt over de in de gemeenten bekende en gangbare manier van groeten die allesbehalve neutraal is.

De groet ging niet zelden gepaard met een hartelijke omhelzing en een liefdevolle kus. Het elkaar groeten met een heilige kus is een bekend gegeven als Paulus bijvoorbeeld de Romeinen en de Korinthiërs een brief schrijft (Rom. 16:16a; 1 Kor. 16:20b; 2 Kor. 13:12a). Daarmee is zeker niet gedacht aan de Judaskus, waarmee de Zoon des mensen verraden werd, maar beslist aan het liefdevolle teken van innige geloofsgemeenschap. Wie een dwaalleraar groet, legt dus in zekere zin contact met hem, zoekt gemeenschap met hem. Er ontstaat daarmee gemeenschap aan zijn boze werken. Terwijl die handelingen van de dwaalleraars verwerpelijk zijn, terwijl hun leer eveneens te verfoeien is. De dwaalleer, die – we herhalen de zaken nog maar eens – de vleeswording van het Woord loochent, is zwaar te veroordelen. Dat is en blijft de kern vormen waarom de dwaalleraars voor een dichte deur staan: ze ontkennen metterdaad dat Jezus als Gods Zoon werkelijk mens geworden is, ze leren precies het tegenovergestelde en bestrijden Zijn vleeswording.

Radicaal afstand houden dus. Geen enkele vorm van toenadering en sympathie. Er zijn bijzaken waarover verschillen kunnen bestaan, maar over de Hoofdzaak, over het Hoofd van het lichaam, over de Persoon van Jezus Christus is eenduidigheid nodig. De gelovige met het hart bij het Hoofd, zal een hard hoofd hebben als de dolksteek op het hart van de prediking is gericht. De bekende Duitse uitlegger Boor raakt in zijn commentaar een gevoelige snaar als het gaat om de kerken en het gemeenteleven. In onze tijd nog beslist actueel. Hij schrijft namelijk dat wij van de kerk een verwarrende gehoorzaal van tegenstrijdige meningen maken. Dat is geheel in strijd met de bedoeling van de Heere. Want de gemeente van de Heere Jezus Christus heeft het recht en de plicht, het is haar dure en hoge roeping de dwaalleer te weren. Daartegen moet zij strijd voeren. Het gaat om niets minder dan de gelovige gemeenschap met Christus en de gemeenschap tussen de gelovigen onderling. Die de vleeswording van Gods Zoon niet predikt en niet wenst te prediken, die kan wegblijven, die moet buiten blijven en die kan weer vertrekken. Om Christus’ wil.

Vragen
1. Waarom is het weren van de valse leer noodzakelijk? Waarom is dat niet liefdeloos, maar getuigt het juist van echte liefde?
2. Johannes geeft voorschriften die voor zowel gezin als gemeente belangrijk zijn. Hoe staat het met de toepassing van die voorschriften en wat zou er moeten veranderen in gezin en kerk?
3. Johannes beveelt, de dwaalleraren niet te groeten. De Heere Jezus beveelt ook de vijanden lief te hebben en te groeten (lees: Matth. 5:43-48). Waarom zijn deze beide woorden toch niet met elkaar in strijd?

Dit artikel werd u aangeboden door: Hersteld Hervormde Kerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 2011

Kerkblad | 16 Pagina's

Johannes’ brieven (109)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 2011

Kerkblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken