Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Johannes’ brieven (116)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Johannes’ brieven (116)

1 minuut leestijd

Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen. Wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid.
3 Johannes 7-8

Uitgegaan voor Zijn Naam
Dé ouderling heeft het zijn geliefde Gajus fijntjes op het hart gedrukt: help verder, wanneer broeders in de nabije toekomst aan de deur staan. Nieuwe reizigers zijn in aantocht, waarschijnlijk ook de bezorgers van de brief. Warm aanbevolen voor een goede ontvangst. De daad van toekomstige gastvrijheid ligt in handen van Gajus, het is aan zijn persoonlijke vrijheid overgelaten. Johannes doet dat met een gerust hart, want gebleken is dat het Gajus’ gewoonte is om vreemdelingen met van Boven ontvangen liefde te verzorgen. Hoewel de briefschrijver hem dus niet dwingt tot ‘geleide doen’ of ‘voorthelpen’ van de broeders, dringt hij er wel bij hem op aan. De vrijheid is er één in gebondenheid. Gajus krijgt op de keper beschouwd weinig speelruimte. Met het ‘Gode waardig’ (vers 6) blijft er feitelijk maar één mogelijkheid open: gastvrije behulpzaamheid. Er is geen misverstand of Gajus leest dat hij er goed aan doet om met bezige handen de broeders te verzorgen, zowel tijdens hun verblijf in zijn opengestelde logeerhuis als bij hun vertrek om de reis te vervolgen. Johannes gaat over tot het geven van argumenten hiervoor, waarom het wenselijk is dat Gajus hand- en spandiensten verricht.
Een zwaarwegend argument is: zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan. Hier is aan de verkondigers te denken. De Heilige Geest stuwt het Evangelie de wereld door, Zijn getuigen gaan uit: ‘Gij zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde’ (Hand. 1:8). Het is een gedreven uitgaan. De verkondiging van het Evangelie is volgens de getuigen een kwestie van leiding en lading: de liefde van Christus dringt (2 Kor. 5:14) en de nood is opgelegd (1 Kor. 9:16). Mozes kon er ook al niet onderuit (Ex. 3), Jeremía was ertoe verkoren (Jer. 1:5-8) en kon er evenmin van loskomen (Jer. 20:7-9), Ezechiël werd tot een wachter over het huis van Israël aangesteld (Ez. 3). Uitgaan is een zaak van opdracht en gehoorzaamheid (Rom. 10:15). Als verkondigers van het Evangelie gaan de broeders de wereld in. Ze houden de Naam hoog, ze doen de Naam horen, opdat de Naam des Heeren tot zaligheid zal worden aangeroepen (Rom. 10:13-15). Het ‘uitgaan’ is dus te verstaan in de betekenis van erop uittrekken om het Evangelie te prediken, zoals daarvan Bárnabas en Saulus in Handelingen 13 een voorbeeld zijn. Dit verdient in de hele samenhang van de brief veruit de voorkeur boven de vluchtgedachte. Broeders zouden dan op de vlucht zijn, ze moesten in allerijl hun woonplaats en vaderland verlaten omwille van hun belijden van de Naam. Dan zouden ze dus door vervolging vanwege hun belijdenis bij Gajus op stoep hebben gestaan. Omdat deze laatste verklaring eigenlijk niet goed past in de gehele context van de brief, hebben de Kanttekenaren geschreven dat de waarschijnlijkste situatie is ‘dat deze broeders uit hun vaderland zijn gegaan in vreemde landen om daar het Evangelie te prediken onder de heidenen’. Zekere broeders die huis en haard hebben verlaten om overal van de Naam te getuigen verdienen een gastvrij onthaal door Gajus.

Uitgegaan voor Zijn Naam
De reis wordt gemaakt voor de verkondiging van Zijn Naam. Er is verschil van mening over het antwoord op de vraag Wie Johannes met ‘Zijn Naam’ bedoelt. Twee betekenissen verdienen overweging. De eerste is die van de bekende Godsnaam HEERE. Het is bekend dat de Joden de Naam ‘JHWH’, door ons gewoonlijk vertaald met HEERE, de Godsnaam met allemaal hoofdletters, niet in de mond namen. Zij is te heilig. Het is grote eerbied en heilig ontzag die tot die omgang bracht. Er was geduchte vrees. De vrees om de Naam ijdel te gebruiken zat er zo diep in dat de Naam helemaal niet werd gebruikt. Het spreken van ‘de Naam’ was al voldoende en sprak voor zich.

De andere, meer aannemelijke verklaring is dat met ‘Zijn Naam’ een verwijzing naar Christus Jezus plaatsheeft. De Schrift bezit hiervan heel wat bewijsplaatsen, zij ondersteunen deze betekenis. Zo zegt Petrus, die vervuld is met de Heilige Geest, in zijn verantwoording aan de oversten van het volk en de ouderlingen van Israël dat de opgestane man die al vanaf zijn geboorte kreupel was, door de Naam van Jezus Christus de Nazaréner gezond is (Hand. 4:10). In dezelfde verantwoording getuigt Petrus dat de zaligheid in geen ander is, ‘want er is ook onder de hemel geen andere Naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden’ (Hand. 4:12). Petrus en de anderen spreken in de Naam van Jezus (Hand. 5:40), zij kunnen over die Naam niet zwijgen en zij zijn verblijd ‘dat zij waren waardig geacht geweest om Zijns Naams wil smaadheid te lijden’ (Hand. 5:41). Paulus is tot het apostelschap geroepen door Jezus Christus, de Heere, en hij heeft het apostelschap gekregen voor Zijn Naam (Rom. 1:1-5). Die Naam werd aangeroepen (Hand. 9:21) en vrijmoedig is door hem in de Naam van Jezus gesproken (Hand. 9:27, 29).
Maar is het de briefschrijver ook zelf niet die in zijn eerste brief meer dan eens bij het opschrijven van ‘Zijn Naam’ aan Christus Jezus heeft gedacht (1 Joh. 2:12; 3:23 en 5:13)? Op basis van het nieuwtestamentische spraakgebruik is het toch wel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de briefschrijver de Heere Jezus Christus bedoelde toen hij Gajus berichtte dat broeders voor ‘Zijn Naam’ waren uitgegaan. Het lijkt veeleer erg gezocht om aan iemand anders te denken dan de persoon van de Heere Jezus Christus Die Zich als ‘Ik ben de Waarheid’ heeft geopenbaard en Die de inhoud van de Evangelieverkondiging is. Er zijn dus dienaren van Christus uitgegaan die weten geroepen te zijn om Christus Jezus te verkondigen. Ze komen naar alle waarschijnlijkheid de richting van Gajus uit en ze verdienen om Christus’ wil een warm onthaal.

Geweigerde inkomsten
Een tweede argument voor de behulpzaamheid volgt. Degenen die voor de verkonding van het Evangelie op reis zijn gegaan, nemen van de heidenen niets aan. Dat is wel geschreven van de praktijk van alledag. Een bijzondere opmerking, zo lijkt het. De manier van doen schijnt rechtstreeks terug te gaan op een gebod van de Heere Jezus Zelf. Hij zond de apostelen onder de kinderen van Israël uit met het bevel niets mee te nemen, want zij zouden in Zijn dienst wel voedsel ontvangen (Matth. 10:8-10). Lukas beschrijft ook hoe de Heere Zijn arbeiders uitzond. Hij sprak: ‘Gaat heen; Ik zend u als lammeren in het midden der wolven. Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen, en groet niemand op de weg. En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize! En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren. En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig’ (Luk. 10:3-7; zie ook Luk. 9:3-4). Wanneer deze opmerking van Johannes inderdaad verband houdt met Jezus’ stelregel voor uitgaande dienstknechten, dan moet wel aangenomen worden dat ‘Zijn Naam’, zoals hierboven verklaard is, inderdaad ziet op de Heere Jezus Christus.

Wanneer Johannes schrijft dat de Naamvaste predikers niets van de heidenen in ontvangst nemen, zegt hij daarmee dat zij van niet-christenen of ongelovigen niets aannemen. De weigering moet echter niet als een belediging worden opgevat. Evangelieverkondigers moeten zich niet afhankelijk maken van ongelovige mensen, terwijl dat evenzogoed geldt van gemeenten. In de wereld luidt het gezegde: ‘Voor geld is alles te koop’. Het gaat voor het Evangelie niet op. Simon de tovenaar maakte er ontluisterend kennis mee toen hij voor de macht die de apostelen bezaten wel diep in zijn buidel wilde tasten (Hand. 8:18-20). De Evangelieverkondiging is geen zaak van koophandel. De afwijzende opstelling om voor het Evangelie gelden te innen of bezittingen te verwerven heeft alles met het genadekarakter van de boodschap te maken. Het gevolg zal echter niet zijn dat de predikers tekort komen, want de Heere Zelf zal ervoor zorgen dat zij zullen krijgen wat zij nodig hebben. Onderweg zullen ze worden onderhouden. De Heere beval, aldus Paulus, dat degenen die het Evangelie verkondigen, van het Evangelie zullen leven (1 Kor. 9:14). Het Evangelie moet worden verkondigd en gebracht, maar niet voor geld. Paulus wees zelfs het minste nog van de hand. Hij mocht met een gerust hart, naar Jezus’ woord, leven van het Evangelie, maar hij maakte er geen gebruik van (1 Kor. 9:15; 1 Thess. 2:9). Hij wilde graag niemand lastigvallen (Hand. 20:33-35). Goddank! Paulus ervoer namelijk hoe een geheel dienende opstelling in de zin van het Woord winstgevend was. Gedurende zijn verblijf in Korinthe had hij zich niet geschaamd om met hard werken de kost te verdienen en met zijn handenarbeid als tentenmaker zichzelf in zijn levensonderhoud te voorzien (Hand. 18:3). Hij tekende er naderhand de grote winst van op: ‘daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen’ (1 Kor. 9:19).

De manier van doen van de broeders is in de tijd waarin Johannes leeft, meer dan opvallend en zeer eigen-aardig te noemen. Juist in die tijd lieten anderen, als bijvoorbeeld magiërs, van wie de al genoemde Simon de tovenaar een sprekend voorbeeld is, zich graag ruim belonen. Rondreizende filosofen schaamden zich ook niet voor het vragen van grote sommen geld. Er bestaan verhalen van schaamteloze priesters en lieden van andere godsdiensten die zich zonder schroom goed lieten betalen. Haaks daarop staan degenen die voor Zijn Naam op reis zijn, zij zijn niet onderweg om hun eigen zakken te vullen. Het is zelfs ten strengste verboden. Ze incasseren ook niet voor hun God. Dienstknechten zullen het Evangelie niet gebruiken om er een slaatje uit de slaan (2 Kor. 2:17; Titus 1:7; 1 Tim. 4:3).

De selectie voor de ontvangst
De plicht om de rondreizende Naambezorgers steeds weer op te vangen ligt bij de gelovigen van de bezochte gemeenten. De broeders komen, naar Johannes’ zeggen, duidelijk niet voor rekening van de buitenstaanders maar slechts alleen voor die van ‘insiders’ oftewel medegelovigen! Genade is niet te koop! Genade maakt wel mededeelzaam (1 Tim. 6:17-19). Wanneer Johannes het Gajus als een daadwerkelijke plicht gaat voorstellen, sluit hij zichzelf er ineens bij in: wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen. ‘Wij’ staan hierin tegenover de ‘heidenen’ uit het zevende vers, dan wel de ongelovigen. Niet zij, maar wij! Voor ons is er schuldige plicht. Aan de Heere zijn wij verplicht. Er bestaat gastrecht, recht op reisbijstand van de broeders. Broeders mogen zich de goede zorg laten welgevallen en tijdelijk op één logeerplek verblijven (Mar. 6:10; Matth. 10:11; Luk. 10:7,8).

Johannes selecteert blijkbaar. Want Gajus en hij hebben hun verplichtingen uitdrukkelijk tegenover de ‘zodanigen’ of ‘dezulken’. De ‘zodanigen’ is sterk met ‘Zijn Naam’ verbonden. Paulus beveelt de gemeente te Rome alzo Fébe aan voor een goede ontvangst in de Heere, zoals het de heiligen betaamt (Rom. 16:1)! In de grond van de zaak gaat het Christus Zelf aan (Joh. 13:20). De gelovige mag en kan Hem niet buiten de deur houden. Dat geldt evenwel niet degenen die van Hem niets moeten hebben en Hem Zijn plaats ontzeggen. In de tweede brief van de apostel was dit aan de orde: die de leer van Christus niet brengt is toegang te weigeren (2 Joh.10). Dat is ook plicht tegenover Christus. Het liefdesgebod is blijkbaar niet onbeperkt en grenzeloos, het gaat de gelovige niet aan om kritiekloos binnen te laten. Gastvrijheid aan ‘Naamsbekenden’, broeders in de Heere is een gebod, het welkom heten van valse predikers is juist een verbod. In de gemeenten gelden de ‘Huisregels van de Meester’.

Medearbeiders der waarheid
Nog een argument. Die huis en geld delen, die broeders een plaats aan tafel wijzen, verkrijgen daarmee een bijzondere naam: medearbeiders der waarheid. We zagen dat de gastvrijheid aan de broeders zeer klemde door het gebruik van het ‘wij’ aan het begin van de zin: wij zijn schuldig. Door reizende broeders te herbergen worden we verwaardigd, aldus de briefschrijver, tot medewerkers van de waarheid. Er zijn nogal wat medearbeiders in de Bijbel te vinden: Paulus rekent Priscilla, Aquila en Urbánus ertoe (Rom. 16:3, 9). Aan Filémon somt hij, naast Filémon zelf (Filémon1), een viertal op: Markus, Aristárchus, Démas en Lukas (Filémon 24). Titus (2 Kor. 8:23), Epafrodítus (Fil. 2:25), Timótheüs (1 Thess. 3:2), ook Justus (Kol. 4:10-11), stuk voor stuk zijn het allemaal Paulus’ medearbeiders.

Het begrip ‘medearbeider’ is nog een graad dieper, zoals uit nieuwtestamentische brieven blijkt. In de eerste Korinthebrief trekt Paulus ten strijde tegen iedere vorm van persoonsverheerlijking en zet hij Apollos en zichzelf feitelijk ‘weg’, niet meer en niet minder, als ‘Gods medearbeiders’ (1 Kor. 3:9). Het schrijven van Johannes ‘medearbeiders der waarheid’ komt tamelijk sterk overeen met deze laatste Paulus’ woorden. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de dikwijls veel-zijdige schrijver Johannes ook hier het begrip ‘de waarheid’ meerduidig gebruikt. De lezer moet voor de betekenis van ‘de waarheid’ aan twee betekenissen denken. ‘De waarheid’ is niet alleen de Evangelieverkondiging van Jezus Christus, Gods Zoon. ‘De Waarheid’ is ook Iemand, een Persoon, dat is Jezus Christus Zelf Die Zichzelf als ‘de Waarheid’ openbaarde (Joh. 14:6; zie ook 1 Joh. 5:20). Beide betekenissen lijken hier van toepassing.

Het is een kostelijke kwalificatie: ‘Gajus, wanneer we onze woning openstellen voor “Naamdragers”, in dienst van Zijn Naamsbekendheid, zullen we medearbeiders van de waarheid zijn. We bewijzen de voortgang van de Evangelieverkondiging een dienst. We bewijzen Hem diensten Die ons tot dienst geroepen heeft.’ Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid, van Hem gekregen en met Hem gedeeld. Geweldig zoals ‘thuishelpers’ te goeder Naam bekend zullen staan. Deelhebben en bijdragen aan het verbreiden van Zijn Naam. Martha’s en Maria’s zitten samen aan Zijn voeten en zijn op Zijn tijd ook samen in de keuken (Luk. 10:38-42).

Het blijkt maar weer eens hoe geestelijk het hele leven is. Iedereen is geen prediker. ‘Thuishelpers’ zijn er ook. Allen doen geestelijk werk. In de daden wordt het geloof beproefd en getoetst (Pred. 12:14; Matth. 25:31-46; 2 Kor. 5:10). Zijn ‘frontsoldaten’ moeten onderweg een ‘thuis’ hebben, een thuisfront voor het werk op het Evangelieslagveld. Zendingswerkers en evangelisten zijn hulpbehoevend. Het gaat om verschillende en allerhande medewerking en ondersteuning. Gajus is op meer voorbereid. Werk aan de winkel: met inkopen de voorraad op peil houden, de logeerkamer in orde en gebruiksklaar, kortom: op plotseling aankloppende broeders moet hij altijd berekend zijn (vgl. Luk. 11:5-8). In voluit Bijbelse zin zijn allen tezamen ‘Naamziek’ (Hoogl. 5:8) en zij hebben écht ‘wat’ met elkaar. Ja, in Hem en in Zijn woord zijn zij verenigd!

Vragen
1. Welke argumenten voert Johannes aan voor de gastvrijheid aan de broeders? Hoe kijkt u tegen elk argument aan en zet het u misschien ook aan het denken?
2. Uit Johannes’ betoog is af te leiden dat het zendingswerk en de evangelisatie in ons eigen land aandacht en ondersteuning verdienen. Heeft het dat onder ons? Welke consequenties heeft het antwoord op deze vraag voor de hedendaagse praktijk in de gemeente waarvan we deel uitmaken?
3. Bespreek de kwalificatie ‘medearbeider der waarheid’ en breng onder woorden wat die typering bij u oproept.

Dit artikel werd u aangeboden door: Hersteld Hervormde Kerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 2011

Kerkblad | 16 Pagina's

Johannes’ brieven (116)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 2011

Kerkblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken