Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bekering (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De bekering (2)

6 minuten leestijd

Twee aspecten. Na de meer algemene inleiding op het onderwerp De bekering in de vorige bijdrage, denken we in deze aflevering en de volgende over twee aspecten van de bekering na. Het gaat om de tweeslag van mortificatio (afsterving) en vivificatio (levendmaking). Deze twee kunnen als elkaars keerzijde worden gezien. Het gaat om de ene beweging, waarbij we ons afwenden van onszelf en ons toewenden tot God. De tweeslag van mortificatio en vivificatio zal ons vertrouwd voorkomen vanuit Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus, waar de bekering wordt uitgelegd en uiteengelegd in de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens.

Mortificatio
Eerst enkele overwegingen over de afsterving van de oude mens als zodanig. Het gaat, kort gezegd, om wat het Doopformulier ‘het doden van de oude natuur’ noemt. Als we het iets concreter benoemen, gaat het daarbij om de werken van het vlees, zoals zelfliefde, onmatigheid en zondige begeerte. Ursinus, een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, beschrijft in zijn Schatboek deze mortificatio als: ‘… een verloochening en vernieling van de verkeerdheid van onze natuur in ons’. In de tekst van de Catechismus zelf wordt verwoord, dat het gaat om een hartelijk leedwezen dat wij met onze zonden God vertoornd hebben én het dientengevolge hoe langer hoe meer haten en laten van de zonden. Hopelijk herkent u het niet alleen, maar is het een signalement van uw eigen leven. Dat het besef dat we tegen de Heere gezondigd hebben en de verslagenheid daarover, ons aansporen tot het dienen van Hem. Daarmee zet waarachtige bekering toch in? Door Gods Geest ontdekt aan onze boosheid, weten we ons hoe langer hoe meer aangezet tot gehoorzaamheid. De Heidelberger noteert met nadruk: ‘hoe langer hoe meer’. In de vernieuwing van het leven – wat de bekering immers is – wordt de macht van de zonde gebroken; dat is echter wel een moeizame gang, een strijd die een heel leven in beslag neemt. Calvijn schrijft: ‘Wij leren dus, dat in de heiligen altijd zonde is, totdat zij het sterfelijk lichaam afleggen: want in hun vlees zetelt die slechtheid tot begeren, die tegen de rechtheid strijdt’ (Institutie, III.3.10).

Dat het een kwestie is van ‘hoe langer hoe meer’ blijkt toch ook wel hieruit, dat we de zonde steeds meer gaan haten omdat we gerechtigheid steeds meer liefkrijgen. Hoe meer liefde tot God er in ons hart is, des te sterker zal de afkeer van het kwade worden. Hoe groter de plaats wordt die Hij in ons leven inneemt, des te geringer plaats blijft er over voor de zonde. ‘Want niemand heeft ooit echt de zonde gehaat, dan wanneer hij eerst door liefde tot de gerechtigheid bevangen was’, schrijft Calvijn (Institutie, III.20). Hoe meer Hij wast, hoe minder ik word. We kunnen daarom ook wel stellen dat de afsterving van de oude mens eigenlijk ook een vorm of een gestalte is van de opstanding van de nieuwe mens! De laatste komt (ook) tot uitdrukking in de eerste. De naam van Ursinus viel al een keer. In zijn Schatboek, een verklaring van de Heidelbergse Catechismus, legt hij de mortificatio of de afsterving van de oude mens in drie delen uiteen: de erkenning van de zonde, het leedwezen over de zonde en het haten en vlieden van de zonde. Bij elk van deze drie delen of aspecten staan we in kort bestek afzonderlijk stil.

Erkennen van de zonde
Het eerste deel – Ursinus noemt het ook wel ‘trap’ – is het erkennen van de zonde. Dat spreekt voor zich. Zolang een mens zijn zonden ontkent of miskent, zal er ook geen droefheid over de zonde zijn. Tegelijk is erkennen meer dan een verstandelijk instemmen met het feit dat we zondaren zijn. Erkennen heeft alles te maken met bekennen! Het is een zaak van hartelijk belijden. Zoals David doet in zijn boetelied, als hij zingt en zucht: ‘Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen …’

Droefheid over de zonde
De zinsnede uit Psalm 51 laat al zien, hoezeer het erkennen van de zonde uitkomt in een hartelijke droefheid of leedwezen over de zonde. Ursinus wijst drie karaktertrekken van deze droefheid aan. Ze is om te beginnen oprecht. Hij wijst bij wijze van voorbeeld op Petrus, die bittere tranen liet vanwege zijn verloochening van zijn Meester. Vervolgens heeft deze droefheid niet alleen betrekking op de gevolgen van de zonde, de straf, maar ook op het feit dat wij met onze zonden God vertoornd hebben. Daarbij heeft Ursinus de verloren zoon in gedachten, die besefte en beweende dat zijn zonde tegen de vader eerst en vooral zonde tegen de hemel was. In de derde plaats wijst Ursinus erop dat deze geestelijke droefheid een mens niet tot wanhoop laat vervallen, maar dat ze hem er juist toe beweegt om de toevlucht tot Gods barmhartigheid in Christus te nemen. Het is droefheid tót God!

Het haten en laten van de zonde
De erkenning van de zonden en de droefheid over de zonden voeden en versterken het verlangen om de zonden te haten en te laten. Hoe langer hoe meer. De zonde is immers ten verderve. De zonde vertoornt God. En dát geeft hoe langer hoe meer droefheid over de zonden die nog, tegen onze wil, in ons overblijven! De droefheid over de zonde verscherpt, met dat de liefde tot de goeddoende God – tegen Wie wij in ons zondigen ingaan, tegen Wie wij in ons zondigen opstaan – verdiept. En daarom … de strijd tegen de zonde wordt hoe langer hoe heviger! ‘… maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven’ (Rom. 8:13). Wat laat het woord ‘afsterving’ (mortificatio) ons zien? Toch dat het niet zonder pijn en strijd gaat. Sterven is een pijnlijk proces. Sterven is een strijd. De afsterving van de oude mens niet minder. Immers, ‘het vlees begeert tegen den Geest …’ Het is de tweestrijd van de tweemens. De strijd die Paulus uittekent met de woorden: ‘Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden’ (Gal. 5:17,24). Echter, de zonde in de mens wordt hoe langer hoe meer vernield. Want de afsterving van de oude mens is de keerzijde van de opstanding van de nieuwe mens. Dat maakt deze strijd tot een goede strijd. De Opgestane heeft er de hand in!

Hoevelaken, dr. P.C. Hoek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 2015

Kerkblad | 24 Pagina's

De bekering (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 2015

Kerkblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken