Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Bijbel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Bijbel

9 minuten leestijd

De Bijbel is het beschreven Woord van God. Door ingeving van den Heiligen Geest werden de Bijbelschrijvers, profeten, evangelisten en apostelen, voor allerlei dwaling bewaard en in de waarheid der kennis Gods geleid. De schrijvers van het Oude Testament worden door Jezus zelf en Zijn apostelen aangehaald en vertrouwbaar geacht; op Mozes en de profeten wordt telkens een beroep gedaan. De schrijvers van het Nieuwe Testament zijn mannen vol ernst en godsvrucht, getuigen van Jezus Christus zeiven, die wij niet van leugens mogen verdenken.
Evenwel, afdoende grond voor het geloof, dat de H. Schrift het Woord Gods is, wordt niet in een of andere theologische redenatie gevonden, doch in het getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten. Dat getuigenis zegt ons op grond van wat God belooft in Zijn Woord, dat wij kinderen Gods zijn; het overtuigt onze harten, dat de waarheid in Jezus Christus is en het geloof in Hem ons zalig maakt. Daarom speelt de H. Schrift in het Christelijke leven ook de voornaamste rol. Zij, wordt noodzakelijk geacht tot onze zaligheid; daarbij ook genoegzaam; en op het punt der zaligheid volkomen duidelijk. Zij is met goddelijk gezag bekleed; zij heeft dus in het leven van den enkelen Christen en van heel de gemeente des Heeren het laatste woord. Zoodra des menschen rede en zijn woord zich gaat verheffen boven het Woord Gods en waagt daarover als rechter oordeel te vellen, wordt des Heeren Woord krachteloos gemaakt, het kruis van Jezus Christus verijdeld en door heel de leer der zaligheid een streep gehaald.
Dat het Woord des Heeren het hoogste gezag heeft, was dan ook de reden,waarom èn Wicleff èn Luther, toen zij gekomen waren tot het licht, zich onmiddellijk tot vertaling van den Bijbel, de een in het Engelsch, de ander in het Duitsch, neerzetten. En een van de voornaamste bezigheden van het Protestantisme is sindsdien, vooral in de negentiende eeuw, geweest den Bijbel te verspreiden. In meer dan* zevenhonderd talen wordt de Bijbel in onze dagen reeds gelezen. Hoe staat nu dè Kerk van Rome tegenover dit alles?
Wanneer kardinaal Gibbons in zijn veel verspreid Het geloof onzer Vaderen komt tot het hoofdstuk „De Kerk en de Bijbel", heeft hij geen woorden genoeg om den Bijbel te prijzen en de liefde zijner Kerk tot den Bijbel in het licht te stellen: ,,De Katholieke Kerk vijandig tegenover den Bijbel! Mijn hemel, wat monsterachtige ondank, wat vuige laster ligt er in die bewering! Vijftien eeuwen lang was de Kerk de eenige bewaarster van den Bijbel." Wat deze liefde in de dagen der Reformatie en in de eeuwen daarna in landen als Italië,- Spanje, Frankrijk en België heeft beteekend, zullen we straks nog wel zien.
Inderdaad hebben kloosterlingen, door 't steeds weer overschrijven van de oude handschriften des Bijbels, den Bijbel voor ons geslacht bewaard. Hieronymus vertaalde de H. Schrift uit den grondtekst in het Latijn. Deze vertaling, de zoogenaamde Vulgaat, is de officieele Bijbel van Rome. Wat Hieronymus evenwel in 420 tegenstond, achtte de Kerk in 1592 noodzakelijk, dat n.1. ook de Apokriefe Boeken aan de geschriften van Oud- en Nieuw- Testament werden toegevoegd. Niet zonder reden!
Weliswaar beroepen Jezus en Zijn apostelen zich nergens op deze boeken; maar het Concilie van Trente verleende er gezag aan, opdat voor onbijbelsche leerstellingen als het vagevuur en de voorspraak der heiligen een beroep kon worden gedaan op de Apokriefe Boeken. Wanneer evenwel kardinaal Gibbons de verdiensten zijner Kerk voor het bewaren der H. Schrift hemelhoog verheft, dan vergete men niet, dat hij in hetzelfde hoofdstuk ,,De Kerk en de Bijbel", de Kerk voorop zet. De Kerk is het, die aan de Bijbel goddelijk gezag verleent, die den Bijbel aanvult met de Overlevering, die tenslotte het monopolie heeft van de Bijbelverklaring, zoo leert Rome.
De Hervormers leerden dat de Bijbel duidelijk was. Zeker erkenden zij, dat in de H. Schrift duistere plaatsen voorkomen. Doch in de dingen, ons noodig om getroost te leven en te sterven, spreekt zij niet in hieroglypen. Daarom drong Christus zelf: „Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen" (Joh. 5 : 3 9 ) en getuigde de psalmdichter: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad' (Ps. 119 : 105). Maar de Kerk van Rome wil van deze duidelijkheid der H. Schrift op het stuk der zaligheid niets weten. „Hare, d.i.'de Kerk, aanstelling als onfeilbare gids was overbodig, zoo verklaart kardinaal Gib bons, indien iedereen zelf den Bijbel kon verklaren." Hij tracht te bewijzen dat èn in het Oude èn in het Nieuwe Testament de geloovigen door het leer-ambt van den priester werden geleid en niet door uitleg der Schriften op eigen gezag.
Om die reden geeft Rome den Bijbel niet licht in handen der leeken. Weliswaar schrijft kardinaal Gibbons: „Wat voor de priesters goed is, moet ook goed zijn voor de leeken. Wees ervan overtuigd, dat men u nooit verbieden zal den Bijbel te lezen, wanneer gij Katholiek wordt.", doch dat is het zoet gefluit van den vogelaar, die zich inspant om den Protestant voor zijn Kerk te winnen. De geschiedenis van vroeger en heden leert ons, dat de Roomsche Kerk den Bijbel liever niet in handen van leeken ziet. Het heeft Jacob van Liesveldt zijn leven gekost in de dagen van Filips II, dat hij den Bijbel in de landstaal had gedrukt. Hoevelen hebben onder den druk van Alva en zijn Bloedraad het bezitten, het lezen en het prediken van den Bijbel betaald met hun bloed. Nog doet de Roomsche Kerk in overwegend Roomsche landen volstrekt geen moeite om den Bijbel tot het volksboek te maken. Het tegendeel. Men staat dan ook versteld hoe onkundig men bijv. in Vlaanderen, ook in Brabant en Limburg staat tegenover het eenvoudige evangelie der genade in Jezus Christus. Allerlei heiligenlegenden en tooverpraktijken (amuletten, scapulieren) doen daar meer opgeld.
Ofschoon de joden van Berea, volgens de Handelingen der Apostelen, edeler waren dan die te Thessalonica, omdat zij de Schriften dagelijks onderzochten, dringt de priester niet aan op de lezing der H. Schrift. Het is, volgens de leer zijner Kerk, immers niet noodig. Laat men zich in blind geloof buigen voor de „onfeilbare leer der heilige Kerk", dat is genoeg. De priester zal dan wel zorgen voor den vrede en de zaligheid zijner schapen. Daarbij komt, dat de Kerk van Rome den Bijbel niet genoeg acht: „Dat het nooit in Gods bedoeling gelegen heeft, lees ik in Het geloof onzer Vaderen, den Bijbel als eenige geloofsbron aan te wijzen, afgezien van het levend gezag der Kerk", Wanneer Jezus aandringt op het onderzoek der Schriften (Joh. 5:39), dan is dit volgens Rome, alleen om te bewijzen dat Hij de Zoon van God is, maar volstrekt niet om aan te duiden, dat in de Schriften alle kennis der geopenbaarde waarheid gevonden wordt.
Rome heeft naast den Bijbel de Overlevering der Kerk noodig om allerlei leeringen te handhaven die in den Bijbel geen grond vinden, zooals het misoffer, het sacrament des huwelijks, het laatste oliesel, het vagevuur, Maria- en heiligenvereering, onfeilbaarheid van den paus enz. Ons, Protestanten, zegt echter het woord van den evangelist genoeg: „maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods en opda' gij, geloovende, het leven hebt in Zijnen naam" (Joh. 20:31). Wij kennen voor geloof en leven geen ander richtsnoer dan de Bijbel; en wij danken God, dat Hij voor die waarheid het oog van Maarten Luther heeft geopend; de man, die voor duizenden en tienduizenden het instrument in Gods hand is geweest om hen uit het duister te leiden in Gods wonder*- baar licht.
De noodzakelijkheid, de duidelijkheid en de genoegzaamheid der H. Schrift staat voor ons vast. Zij is met goddelijk gezag bekleed, niet omdat de Kerk zulks decreteert, maar de H. Geest het aan onze harten zegt. De openbaring Gods in Jezus Christus, mij in de Schriften van Oud- en Nieuw-Testament meegedeeld, wijst mij betrouwbaar en voldoende den weg der zaligheid.
In verband met het voorgaande zal men nu begrijpen, dat Bijbelverspreiding en Bijbelgenootschap een doorn in het oog der Roomsche Kerk zijn. Rome motiveert het verbod om in de moedertaal andere bijbelvertalingen te lezen dan de kerkelijk goedgekeurde op deze valsche manier, „dat dit verbod ontstond door het misbruik dat de ketters van de H. Schrift maakten die niet alleen, gelijk Wicleff en zijn volgelingen, een nieuwe vertaling uitgaven waarin zij hun dwaalleer in een helder daglicht stelden, maar ook den tekst trachtten te verwringen in den zin, die geheel en al in strijd was met de kerkelijke overlevering." „Nooit, zoo durft kardinaal Gibbons verklaren, werd een land door Bijbelgenootschappen tot Christus gebracht." Een bewering, waarover ik mij niet verbaas, wanneer ik mij herinner dat Bijbelgenootschappen in den Syllabus op één lijn zijn gerangschikt met pestziekten. Ten spijt daarvan reed in 1870, het jaar van 's pausen onfeilbaarheid, een Bijbeikar mèt de Italiaansche troepen de stad van het Vatikaan binnen.
Nog ééne vraag dien ik te beantwoorden. Zou Rome geen gelijk kunnen hebben met haar verbod, waar toch de verdeeldheid en versplintering onder de Protestanten, die zich allen op denzelfden Bijbel beroepen, zoo jammerlijk groot is? „De geschiedenis bewijst, dat die volken welke den Bijbel vrij lazen, zoolang zij dit deden, het hoogst hebben gestaan in godsdienst en zedelijkheid." Zij zijn aan de spits getreden van de beschaving. De welvaart van een land als Engeland is toch oneindig veel grooter geweest dan die van een land als Spanje, dat zich eeuwenlang aan den voet van het altaar heeft gebogen. „Nog altijd zijn trouwe Bijbellezers de beste Christenen." „De strijd tusschen de Protestanten en hunne Kerken komt niet daarvandaan, dat zij den Bijbel te veel, veeleer dat hij te weinig, vooral te wéinig bidderjd wordt gelezen." Dan treedt het eigengerechtige ik naar den voorgrond; en voor de stem des menschen moet de stemme Gods zwijgen. Ieder mensch is persoonlijk aansprakelijk bij God. Daarom komt ook tot ieder onzer het woord des Heeren: Onderzoekt de Schriften!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1938

De Klok | 4 Pagina's

De Bijbel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1938

De Klok | 4 Pagina's

PDF Bekijken