Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Communie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Communie

7 minuten leestijd

Gaarne noemt de Kerk van Rome dit Sacrament van het H. Avondmaal „het allerheiligste Sacrament des Altaars". En opvallend is het, dat kardinaal Gibbons omtrent dit Sacrament schrijft: „Onder de verschillende leerstukken der Katholieke Kerk is er geen dat zóó duidelijk in de H. Schrift wordt aangegeven als de leer over de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Sacrament des Altaars." Het is alsof hij een zucht van verlichting slaakt. Het valt den Roomschen godgeleerde dan ook wel zwaar om met de H. Schrift in handen klaar te maken, dat bijv. Vormsel, Biecht en Huwelijk Sacramenten zijn, gegrond in de H. Schrift. Hier evenwel staan aan den kardinaal tallooze teksten ten dienste; en ruimschoots maakt hij er gebruik van. Natuurlijk naar zijn Roomsche exegese! De Roomsche Kerk heeft verschillende namen voor het Sacrament van het H. Avondmaal.

Zij spreekt van Communie, d.i. gemeenschap, natuurlijk met Christus en Zijn zoenoffer; communiceeren js dan: gemeenschap oefenen, het Sacrament des Altaars gebruiken. Zij spreekt al verder van de Eucharistie. Een naam, tegenwoordig populair geworden in verband met de Eucharistische wereldcongressen, waarvan het laatste in Boedapest is gehouden. Eucharistie is feitelijk het dankgebed, dat over de gaven van brood en wijn in het H. Avondmaal uitgesproken wordt.

Eindelijk spreekt zij van de Mis. Oorspronkelijk is dit een verkorting van het Latijnsche Missa, dat: weggezonden beteekent. In de oude Christelijke Kerk vierde men n.1. het H. Avondmaal nadat de gewone godsdienstoefening afgeloopen was. Aan het einde dier godsdienstpefening nu riep de priester de nog-nietgedoopte kerkgangers, die geen recht op het sacrament hadden toe: „Ite, missa est concio", d.i. Gaat heen, de vergadering is afgeloopen. Dit woord missa vatte de volksmond op als de naam van de nu volgende Avondmaalsviering.

Van het Misoffer gewaagt de Roomsche Kerk. Immers, het kruisoffer, door Christus eenmaal op Golgotha gebracht, wordt op onbloedige wijze door den priester herhaald, wanneer hij het brood breekt, dat volgens de Roomsche leer der transsubstantiatie door den zegen van den priester geen brood meer, maar het eigen lichaam van Christus, waarmede Hij hing aan het kruis, is geworden. Zoo is de Misviering Misoffer. Hier zijn wij gekomen tot den kern der Roonv-che geloofsleer: de transsubstantiatie.

Door de consecratie d.i. de inzegening des priesters is de heilige ouwel (hostie) op het altaar „ons lieve Heer" geworden. Nu vatten wij, dat voor den Roomsche het kerkgebouw heel wat anders is dan voor den Protestant. Voor den laatste is het de plaats der samenkomst, waar de gemeente van Christus zich schaart onder de prediking des Woords en den Heere aanbidt in gebed en lied. Maar de kerk is voor den Roomsche het heiligdom waar Christus woont en zetelt op het hoogaltaar. Vandaar dat hij de macht van den priester ook zóó hoog schat; het wordt hem telkens voorgehouden, dat de priester door iedere consecratie Christus voortbrengt; en dus nog machtiger is dan Christus zelf. Daarom zult gij ook gedurig opmerken hoe de Roomsche zijn hoed licht wanneer hij een van zijn kerken passeert; dit doet hij niet voor dat gebouw als zoodanig; neen, „ons lieve Heer" woont daar op het altaar, in de gestalte van den heiligen ouwel.

Deze leer der transsubstantiatie, die belijdt, dat het brood en de wijn des Avondinaals in het wezenlijke lichaam en bloed van Christus veranderen, werd in 1215 vastgesteld, ofschoon reeds eeuwen tevoren sommige kerkleeraren dit leerstuk verdedigden. Men klemde zich daarbij angstvallig vast aan de instellingswoorden van Christus: „Neemt, eet, dat is Mijn lichaam", (Mattheus 26 : 26). 't Staat er dan toch maar, hoezeer het waar is, dat Christus' lichaam wanneer Hij het H. Avondmaal met deze woorden instelt, achter de tafel staat, zoodat op dat oogenblik volgens de Roomsche leer twee lichamen in de opperzaal aanwezig waren. Letterlijk neemt de Roomsche Kerk deze uitspraak, ofschoon ieder terstond vat, dat Christus hier in overdrachtelijken zin sprak. Hij zei toch ook: „Ik ben de deur"; en niemand denkt eraan dit woord in letterlijken zin te duiden. Rome's Kerk nu bouwt hierop het leerstuk van de transsubstantiatie, dat men gerust het zwaartepunt in heel de Roomsche dogmatiek noemen kan.

En wanneer Christus daar dan bijvoegt: „Doet dat tot Mijne gedachtenis", is dit woord voor Rome geen aanwijzing om herhaaldelijk het H. Avondmaal te vieren, maar dit offer door den priester telkens opnieuw te brengen.

Geen wonder, dat de Hervormers, ook Luther, zich op grond der H. Schrift, niet hebben kunnen vereenigen met deze leer der transsubstantiatie. Maar de Roomsche Kerk gaat op den eenmaal ingeslagen weg voort. De priester maakt met zijn wijdingsformule van den heiligen ouwel God; Jezus lijdt en sterft opnieuw. Zijn offer wordt herhaald. En het Concilie van Trente vervloekt, wie aan deze afgodische leer durft te twijfelen.

Bij de Communie ontvangt de leek geen brood en wijn, zooals toch de instelling van het H. Avondmaal in de opperzaal te Jeruzalem aanwijst. Het gewone brood werd in verband met het leerstuk der wezensverandering vervangen door den ouwel, want het brood mocht eens afkruimelen en vertreden worden; dat ware toch heiligschennis, wanneer het brood inderdaad in het vleesch van Christus veranderd was. Zoo ontvangt de leek alleen de hostie. De wijn wordt hem daarbij onthouden uit vrees dat van „het bloed des Heeren" iets gestort kon worden. „In het lichaam is toch al het bloed aanwezig", zoo redeneert men dan; en om er een tekst bij te halen, wijst men er op, dat in de Handelingen der Apostelen het H. Avondmaal toch ook „de breking des broods" wordt geheeten, alsof het niet meer dan duidelijk is, dat deze zegswijze een verkorte uitdrukking is voor de Avondmaalsviering.

De zegen van de Misvoering nu is daarin gelegen, dat den communicant volgens de Roomsche leer Gods genade, die in de hostie is, geschonken wordt en dus een bijzondere kracht tegen de verleiding der zonde. Ook zelfs zonder voorbereiding tot de Misviering gebeurt dit; slechts moet men vrij zijn van doodzonde en nuchter.

Ook voor de dooden en voor zieken worden Missen opgedragen. Derhalve, 't is niet strikt noodzakelijk, dat men persoonlijk tegenwoordig zij om in den zegen der Misviering te deelen. Het Misoffer werkt immers als „opus operatum", d.w.z. afgedacht van hem die het gebruikt, wordt de genade, in het Sacrament aanwezig, ontvangen.

Zoo is verklaarbaar dat het opdragen van zielmissen voor de zielen in het vagevuur een belangrijk handelsartikel in de Roomsche Kerk is geworden; indien ergens, dan blijkt hier hoe men voor geld zijn zaligheid koopen kan.

Is het wonder, dat ons voorgeslacht, door Rome in bloed en goed getroffen om den wille van hun Schriftuurlijk geloof, zich juist in zake het H. Avondmaal het felst tegen Rome's dwaalleer heeft uitgedrukt en met Ursinus en Olevianus in hun onvergankelijk leerboek, de Heidelbergsche Catechismus, de Mis „in den grond niet anders achtte dan een verloochening der eenige offerande en des lijdens van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij"?

De algenoegzaamheid van het ééne offer, door Christus aan het kruis gebracht, wordt door het Misoffer ontkend, „Het is volbracht", heeft Christus uitgeroepen. Neen, zegt de priester, nog dagelijks volbreng ik het in het Misoffer. „Want met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden", zoo zegt de H. Schrift (Hebreen 10:14); doch de pauselijke Kerk zet haar eigenwilligen weg voort en laat op die „ééne offerande" talloos andere offers volgen.

Derhalve kunnen wij besluiten met te zeggen, dat het H. Avondmaal in het Roomsche Misoffer is verbasterd en verdwenen. De leer der transsubstantiatie is een uitvinding van spitsvondige theologen en kerkleeraren; en de aanbidding van den heiligen ouwel op het altaar doet te kort aan de eere die den gekruisten en nu verhoogden Christus toekomt, omdat hier in de plaats van den levenden Zaligmaker het doode beeld, door men - schelijke verzinselen omkranst, wordt gezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1940

De Klok | 4 Pagina's

Communie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1940

De Klok | 4 Pagina's

PDF Bekijken