Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Zijn aangezicht bleef gekeerd naar de synode’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘Zijn aangezicht bleef gekeerd naar de synode’

28 minuten leestijd

H. Hille

Uit het leven van ds. Alphonse Pierre Antoine du Cloux (1808-1890)

Toen eens aan de negentiende eeuwse theoloog en dichter, dr. Nicolaas Beets, gevraagd werd wat hij dacht van de toestand in de Nederlandse Hervormde Kerk, antwoordde hij: 'Ze gaat tussen twee spijkers door.' Met de ene spijker bedoelde Beets de Amsterdamse predikant H.J. Spijker, wiens moderne gedachten de gemoederen in zijn tijd sterk beroerden, met de andere doelde hij op de predikant van het dorp Spijk in Groningen, A.P.A. du Cloux (het Franse woord clou betekent: spijker), die door vriend en vijand als een van de rechtzinnigste predikanten in de Nederlandse Hervormde Kerk werd beschouwd.

Laatstgenoemde was gedurende zijn ambtsbediening echter sterk veranderd. Als jong predikant had hij in 1833 een en ander maal een klacht tegen ds. Hendrik de Cock ingediend, waardoor de kerkelijke procedure tegen de predikant van Ulrum in werking was getreden, die uiteindelijk diens schorsing en afzetting tot gevolg heeft gehad. De Afscheiding zette toen in.

In afgescheiden kring heeft men de houding van ds. Du Cloux tegen ds. De Cock nooit kunnen vergeten. Bijna honderd jaar later schreef de gerefor­ meerde kerkhistoricus dr. G. Keizer nog vrij cynisch: 'Welke verandering er in dezen man ook moge hebben plaatsgevonden zijn afkeer van de gezonde gereformeerde leer, die hem dreef een aanklacht in te dienen tegen den trouwen verdediger daar­ van, is hem bijgebleven. ... zijn aangezicht bleef gekeerd naar de Synode, zijn rug naar de Christelijke Gere formeerde Kerk.'

Over de levensloop van deze markante predikant en over zijn Betekenis voor zowel zijn tijdgenoten als voor latere generaties, handelt onderstaand artikel.

Afkomst

Alphonse Pierre Antoine du Cloux stamde, zoals zijn naam doet vermoeden, uit een hugenotengeslacht. Toen in 1685 het Edict van Nantes, waarbij de protestanten in Frankrijk vrijheid van godsdienst verkregen hadden, herroepen werd, bevond zich onder degenen die het land verlieten, een zekere Jacques du Cloux uit Sedan. Deze vestigde zich als apotheker in Leiden, en sloot zich aan bij de plaatselijke Waalse gemeente. De familie Du Cloux behoorde tot de gegoede stand, en had in het verleden diverse juristen, artsen en predikanten voortgebracht; een traditie die zich in Nederland voortzette.

Een van Jacques du Cloux' nazaten was Alphonse Pierre Antoine du Cloux, die op 25 maart 1808 in Den Haag werd geboren. Hij was het achtste kind van Paul Philippe du Cloux (1771-1829) en Anna Lincklaen (1773-1854). Vader Paul Philippe was jurist. Van l8o2 tot 1809 was hij griffier van het Hoog Militaire Gerechtshof te Den Haag. Daarna werd hij griffier van de rechtbank te Appingedam.

Geen onbezorgde jeugd

Alphonse was twee jaar oud toen het gezin Du Cloux naar Groningen vertrok. Hij had daar geen onbezorgde jeugd. Er vonden diverse sterfgevallen in de familie plaats, en ook zijn vader overleed voordat Alphonse aan de Groningse universiteit zou afstuderen. Regnerus Tjaarda Mees (1790-1867), lid van de Gedeputeerde Staten van Groningen en later zijn zwager, verzorgde hem toen als zijn eigen kind. Alphonse voltooide zijn studie TTieologie te Groningen en werd op 4 augustus 1830 door het provinciaal kerkbestuur van Drenthe toege­ laten tot de Evangeliebediening. Enkele dagen daarvoor had hij reeds een benoeming gekregen tot predikant in Oost-Indië, 'maar', zo vertelde hij later in de herdenkingspreek ter gelegenheid van zijn 25~jarig ambtsjubileum, 'de Heere heeft het verhinderd. Door de Belgische opstand werd mijn vertrek derwaarts uitgesteld en ik trok mede uit onder de verdedigers des vaderlands.' Zoals zoveel stu­ denten in die tijd nam hij deel aan het vrijwilligersleger dat de Belgische opstand moest onderdrukken.

Een blinde leidsman

Du Cloux kreeg na zijn ontslag uit militaire dienst, ondanks het grote kandidatenoverschot, dadelijk een beroep van de combinatie Vierhuizen-Zoutkamp. Collator van deze gemeente was niemand minder dan zijn vroegere voogd R.T. Mees. De gemeente Vierhuizen-Zoutkamp telde in die tijd ongeveer 640 zielen en was daarmee een gemeente van middelmatige grootte. Op 13 mei 1832 werd Du Cloux te Vierhuizen tot predikant bevestigd door zijn vriend G. Palmer Houwerzijl (1806-1868), predikant tejukwerd. Aan de handoplegging nam ook consulent Hendrik de Cock uit het naburige Ulrum deel, die tevens de inzegening voor zijn rekening nam. Ds. Du Cloux deed intrede met een preek over Galaten 6:14a: Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus.' Met schaamte erkende Du Cloux later: Ik was vervreemd van het leven Gods; door de onwetendheid die in mij was, verduisterd in mijn verstand kende

ik het leven niet, was ik met het leven niet verenigd, maar koos ik in mijn blindheid de dood en het verderf boven het leven. Verenigd met de wereld sprak ik van de wereld, diende ik haar volop, en werd ik van de wereld geprezen. Geheel en al onbekend met datgene wat er gekend moet worden om getroost te leven en eenmaal zalig te sterven leefde ik voor mijzelven zorgeloos en gerust zonder God en Christus, hoewel ik die dienst anderen aanprees. O! Indien God mij toen had doen sterven, ik ware de eeuvnge rampzalige dood gestorven.'

Toch was de prediking van ds. Du Gloux in zeker opzicht nog rechtzinnig. 'Ik moge geen openbare verloochenaar van de dierbare leer onzer kerk geweest zijn, gelijk er heden ten dage zovele herders en leraars gevonden worden, omdat de Groninger Hogeschool, waar ik ben opgeleid, toen nog niet was wat zij later geworden is. Nochtans liep mijn ganse prediking uit op: doet dat en gij zult leven, gelooft maar aan Jezus en gij zult zalig worden.' Ds. Du Gloux moet een man geweest zijn met een vriendelijk karakter, waardoor hij zelfs mensen die het met zijn prediking niet eens waren, voor zich wist in te nemen. Hij zegt daarover zelf: 'Ik bezat een gemeente, waar veel kinderen Gods werden gevonden; waaronder er waren, ook in de kerkenraad, die zich hartelijk aan mij, de blinde leidsman der blinden, verbonden gevoelden, niettegenstaande ik hun vijand was. Van achteren moet ik zeggen: de Heere alleen heeft het zo bestuurd, de uitwendige ijver die ik in mijn bediening voor de beide gemeenten betoonde zonder de minste winstbejacht, nam hun harten voor mij in, en mijn natuurlijke gesteldheid om overal te helpen waar ik hulp kon aanbrengen. Ja, ik mag geloven dat er veel bidders onder Gods volk in die gemeenten waren, die mijn bekering van God afsmeekten; en dat Hij mij, de driftige Saulus, in mijn blindheid en onwetendheid in een Paulus veranderen mocht.'

Een kerk in Zoutkamp

Du Gloux was een ijverig predikant. Tijdens zijn ambtsperiode werd er te Zoutkamp een kerk gebouwd. Dit was nodig omdat men in Zoutkamp een groot deel van het jaar verstoken was van kerkdiensten. Vanouds was men gewoon in Vierhuizen te kerken. Door een slecht begaanbare weg kwam daar in de praktijk niet veel van terecht. Du Gloux bracht daarin verandering door om de zondag in een 'akelig en bekrompen' schoollokaal te preken en catechisatie te geven. Een verzoek naar de koning en de synode om een nieuw kerkje te mogen bouwen werd ingewilligd en zodoende kon

Du Gloux op 25 september 1836 een bedehuis inwijden met een preek over I Kon. 8:39~40-^^ de nieuwe kerk was tevens een verblijfplaats voor de predikant aangebracht als hij pastoraal werk te Zoutkamp had te verrichten. Bo­ vendien werd een nieuw voetpad tussen Zoutkamp en Vierhuizen aangelegd.

Doopouders naar Ulrum

Toch waren er in de gemeente Vierhuizen-Zoutkamp ook gemeentele­ den die niettegenstaande het vriendelijk karakter van hun predikant elders voedsel voor hun zielen zochten. Dat vonden ze in het naburige Ulrum, waar in 1829 Hendrik de Cock predikant was geworden. Aanvankelijk was deze even blind in de dingen van Gods koninkrijk geweest als zijn collega Du Gloux. Maar gesprekken met gemeenteleden en het lezen van de belijdenisgeschriften en de werken van Galvijn werden middelen in Gods hand waardoor hij tot bekering kwam en gewonnen werd voor de gereformeerde leer.

Al spoedig kwamen toen velen uit de omgeving naar Ulrum om hem te horen. Het gevolg was dat het kleine kerkje van Ulrum meerm.alen de schare niet kon bevatten, en dat men noodgedwongen de diensten moest houden in de openlucht.

De predikanten uit de omgeving van Ulrum zagen deze ontwikkelingen met argusogen aan. Op den duur kon een conflict niet uitblijven. Vooral niet toen gemeenteleden, buiten Ulrum woonachtig, ds. De Gock vroegen hun kind(eren) te dopen, omdat ze op de vraag of de leer die in hun gemeente verkondigd werd 'de waarachtige en volkomen leer der zaligheid' was, geen ja konden zeggen. Hoewel de toenmalige Reglementen nog geen bepaling bevatten die het dopen van kinderen van buiten de eigen gemeente verbood, waarschuwden vrienden De Gock ernstig in deze zaak voorzichtig te zijn en zich niet het ongenoegen van de kerkelijke besturen op de hals te halen. Toch ging De Gock er tenslotte toe over kinderen van ouders buiten Ulrum het sacrament van de Heilige Doop te bedienen. Zo doopte hij op 3 november 1833 onder andere twee kinderen uit Vierhuizen, de gemeente van ds. Du Gloux.

Betrokken bij de strijd de Afscheiding rond

Du Cloux diende dadelijk een aanklacht tegen ds. De Cock in bij het Classicaal Bestuur van Middelstum. En het bleef niet bij die ene aanklacht. Binnen een maand lagen er nog twee andere soortgelijke klachten van hem tegen De Cock op tafel bij het Classicaal Bestuur. Bovendien beklaagde de pastor uit Vierhuizen-Zoutkamp zich erover dat De Cock leden uit Vierhuizen op zijn openbare catechisatie toeliet. Gevolg van een en ander was dat ds. De Cock door het Classicaal Bestuur van Middelstum op 20 december 1833 voorlopig geschorst werd. Predikanten uit de ring Leens zouden de preekbeurten te Ulrum voor de komende zondag en de beide kerstdagen vervullen. Du Cloux moest tijdens de kerstdagen in Ulrum preken. Daar aanhangers van De Cock plannen smeedden om desnoods met geweld de ringpredikanten van de kansel Ulrum af te houden , ging Du Cloux & op die be-', wuste dag 1 ^^ rgezeld van een sterke gewapende macht naar de kerk van Ulrum. Daar was echter geen enkele tegenstander te zien. Ongestoord kon hij in een bijna lege kerk de kansel beklimmen.

Nadat de Afscheiding op 14 oktober 1834 6en feit was, nam de confrontatie tussen de Ulrumse gemeenteleden en de ringpredikanten scherper vormen aan. Toch wenste Du Cloux zijn ringbeurt niet op te geven. 'Omdat ik duidelijk inzie dat wanneer wij eenmaal ophouden en de dienst te Ulrum verzaken, des te meer de wapenen tegen ons aan de heer De Cock geven, die zijn getrouwe en domme aanhangers alles wijs kan maken.'

'Wolf, kom af!'

Bij een van de volgende ringbeurten, namelijk die op 15 maart 1835dreigde de dienst wel te worden verstoord. In de morgendienst ging Du Cloux voor. Onder de preek kwam een aanhanger van De Cock, de 3O" jarige dagloner Meerten Jans Niewolt, het kerkgebouw binnen en liep naar de kansel, ffij onderbrak de preek van Du Cloux en riep hem verschillende keren toe: 'Wolf, komaf!'

Du Cloux richtte zich daarop tot Niewolt met de vraag: 'Wat wilt u? ' Hierop antwoordde Niewolt met: 'Ik zeg u, wolf, kom af!' Inmiddels waren ook enige militairen in de kerk gekomen die Niewolt vastgrepen en hem de kerk uitbrachten. Nadat Du Cloux zijn hoorders een vers had laten zingen, hervatte hij zijn preek.

In later jaren heeft ds. Du Cloux zijn houding tegenover ds. De Cock betreurd en zich ervan gedistantieerd. In zijn levensverhaal schreef hij: 'Pas was ik in de bediening of ik werd gewikkeld in de strijd, die er te Ulrum ontstond, en ik heb zekerlijk behoord onder de eerste, ijverigste en vurigste tegenstanders der afscheiding (...) Jong en vurig van gestel zag ik tegen geen werkzaamheden op, en wedijverde ik uit eerzucht en dienstijver, met hem, die dag en nacht werkzaam was om de afscheiding in al de omliggende gemeenten te bevorderen.'

Stilgezet

Temidden van alle spanningen en Conflicten rond de Afscheidingsbeweging trad Du Cloux op 9 juli 1834 te Bierum in het huwe-

en hoe het van achteren dikwerf en ook fel bestreden is geworden, nochtans mocht ik, mij mijn eigen doodvonnis billijkende, verlichte ogen des verstands door de Heilige Geest in het dierbare zoenbloed van Jezus ontvangende, mij daarin verliezen, kwijt worden en overgeven, en mocht rnijn ziel in die ogenblikken een vrede smaken, die ik niet beschrijven kan. Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? '

Achteraf bezien was dit volgens Du Cloux een verhoring op het gebed van vele bidders in zijn eerste gemeente.

Een andere prediking

Het spreekt vanzelf dat de prediking van ds. Du Cloux in die tijd grondig veranderde en ook verdiepte. Deze verandering bleef niet onopgemerkt. Du Cloux werd voortaan gerekend tot hen die de oude beproefde leer in de Nederlandse Hervormde Kerk voorstonden. Het gevolg daarvan was weer dat hij niet alleen vanaf die tijd nogal wat hoorders van buiten zijn gemeente trok, maar ook dat hij een stroom van beroepen ontvang. Met enige voldoening schreef Du Cloux bij zijn 25"J3rig ambtsjubileum: 'Zie ik op alle geestelijke en tijdelijke zegeningen gedurende dat tijdvak door ons ondervonden en genoten; op de liefde en toegenegenheid door al de gemeenten die ik gediend heb bewezen; op de genegenheid, die Gods volk mij allerwege toedroeg, op het voorrecht dat ik door zovele gemeenten hartelijk en welmenend als hun herder en leraar begeerd werd (...) o rnijn vrienden, dan is onze weg tot nu toe bezaaid met de achtbaarste gedenktekenen van Gods weldadigheid, goedertierenheid en trouw.'

In de kerkelijke strijd

Na Du Cloux' bekering was er niet alleen in zijn prediking verandering gekomen, maar ook zijn opstelling tegenover de synodale organisatie wijzigde zich. 'Genade mocht ik van de Heere ontvangen om vrijmoedig voor de verdrukte waarheid in onze kerk uit te komen, daarvoor te strijden', zo schreef hij eens. Toen de voormannen van het Reveil in 1848 probeerden het verzet tegen de leervrijheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en tegen de bestuursorganisatie te bundelen, werd Du Cloux de centrale figuur daarvan in de provincie Groningen. Vanaf die tijd trad hij ook meer in het kerkelijk strijdperk. Van zijn hand zagen enkele brochures tegen de kerkelijke besturen en de reglementen het licht. Verder zond hij in februari 1849 namens de kerkenraad van Losdorp een protest naar de synode tegen het herzien van het algemeen reglement voor het bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk.

In Oldebroek, waarheen Du Cloux in 1851 vertrokken was, werd hij steeds nauwer betrokken bij de kerkelijke strijd van die dagen. In 1852 werd hij redacteur van het nieuwe tijdschrift De wachter op Sions muur, waarin hij de gereformeerde leer, zoals deze op de Dordtse synode vastgesteld was, verdedigde. Tevens nam hij in de kring van de 'Vrienden der Waarheid' een vooraanstaande plaats in. Van de in 1856 opgerichte 'Provinciale Vereeniging van Vrienden der Waarheid in Zuid-Holland' was hij bestuurslid. In het blad van deze vereniging. Kerkelijk Tijdschrift geheten, schreef Du Cloux strijdbare artikelen.

Verder was Du Cloux betrokken bij een lange lijst adressen naar de synode. Zijn naam prijkte in die jaren onder andere onder adressen tegen de moderne predikanten L.S.P. Meyboom uit Amsterdam en J.C.

Zaalberg uit Den Haag. Steeds appelleerde hij daarbij op de leer van kerk; de leer die in de belijdenisgeschriften omschreven werd. Zijn stellingname leverde hem een groot aantal tegenstanders, ja zelfs bittere vijanden op.

De protesten van Du Cloux en anderen uit de orthodoxe hoek van de kerk leverden niet het gewenste resultaat op. Mogelijk dat daardoor op den duur een zeker gevoel van teleurstelling zich van Du Cloux meester gemaakt heeft. Na i860 nam hij in ieder geval een minder actieve houding aan. Vanaf dat jaar zijn er nog nauwelijks strijdschriften of artikelen van zijn hand verschenen.

Bewust hervormd

Du Cloux koos dus bevtoist voor het blijven in de Nederlandse Hervormde Kerk. In die kerk wilde hij strijden voor de handhaving van de gereformeerde belijdenis. Toen de redactie van het moderne tijdschrift De Morgenster hem eens de vraag stelde of hij de Nederlandse Hervormde Kerk nog wel met een eerlijk hart kon blijven dienen en of zijn houding niet minstens dubbelzinnig genoemd moest worden, antwoordde Du Cloux daarop in 1854 lïict een brochure, getiteld Zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeischt. De predikant merkte in dit geschrift op dat velen van zijn geestverwanten zich inderdaad afvroegen of ze nog langer lid in de Nederlandse Hervormde Kerk konden blijven, nu het Classicaal Bestuur van Amsterdam een vijand van de geloofs-en belijdenisgeschriften te weten dr. L.S.P. Meijboom in bescherming had genomen. Du Cloux veivolgde echter: 'Toch zie ik het menigvuldige goed dat de Heere ons nog in die kerk heeft overgelaten niet voorbij.' Er dienden immers in de Nederlandse Hervormde Kerk nog vele getrouwe herders en leraars; zelfs was hun aantal ontoereikend om in de behoeften van zoveel roepende gemeenten te voorzien. 'Bij en onder al de gruwelijke afval in de kerk is de Heere nog niet van ons geweken.' Daarom wilde Du Cloux de Nederlandse Hervormde Kerk de rug niet toekeren. 'Zolang het fundament van de kerk er ligt, namelijk onze Geloofsbelijdenis, hoop ik haar te blijven dienen en mochten de Besturen onverhoopt bepalen dat er leervrijheid is, en de Geloofsbelijdenis en de Formulieren van Enigheid zijn afgeschaft, dan nog wens ik zelfs eerder al die Besturen openlijk te verwerpen als anti-gereformeerd, en mij te houden aan het contract met mijn gemeente aangegaan, dan de kerk te verlaten, afwachtende hetgeen de Heere de vijand moge toelaten over mij te brengen. De Nederlandse Hervormde Kerk is onze kerk zolang wij, dienaars des Woords en leden der gemeente, getrouw zijn en blijven aan onze leer en belijdenis.'

Een zwakke gezondheid

Du Cloux bezat geen sterke gezondheid. In zijn tweede gemeente Losdorp was hij naar zijn eigen zeggen nabij de dood geweest. Gedurende de maanden februari, maart en april van het jaar 1839 was hij ernstig ziek geweest. Door 'hevige aanvallen van bloedspuwingen en bijkomende verzwakking' was hij niet in staat geweest zijn werk te doen. De bloedspuwingen herhaalden zich in zijn derde gemeente Oldebroek. Daar moest hij in augustus 1854 zijn werk zelfs tijdelijk geheel neerleggen. Het pastorale werk werd gedurende ongeveer een halfjaar verricht door predikanten uit de omgeving. Vooral het preken in de grote kerk was hem te zwaar geweest. Zijn wankele gezondheid bracht hem er in 1856 zelfs toe de grote gemeente van Oldebroek (ruim 3000 zielen) te verwisselen voor het veel kleinere Oud-Alblas. Het kostte Du Cloux veel moeite om Oldebroek te verlaten. Hij was er graag tot zijn dood gebleven. De Heere had zijn werk daar zeer gezegend. Daarop terugblikkend sprak

hij in zijn afscheidspreek: 'De Heere heeft mij het middel doen zijn dat velen of tot de kennis der waarheid, of tot verruiming tot hun gemoed gebracht werden. (...) Gij herinnert u immers, welk een zieleblijdschap de Heere mij en al Zijn volk nog in de laatste dagen geschonken heeft, door een mijner dierbaarste leerlingen, onder mijn dienst zoekende geworden, krachtdadig over te brengen van de duisternis tot het licht, haar zelve te verliezen, kwijt te worden en in de getrouwe Zaligmaker Jezus Christus weder te vinden.' In Oud-Alblas sterkte de verzwakte predikant vrij spoedig aan, zodat hij het volgende jaar alweer naar het veel grotere 's-Grevelduin-Capelle kon vertrekken.

Zegen op zijn wer

Bij verschillende gelegenheden gewaagde ds. Du Cloux van zegen op zijn arbeid. Bij zijn afscheid van Oldebroek in 1856 sprak hij zelfs van een schonken had.' Hij was gebruikt zowel om mensen tot de kennis der waarheid te brengen als om mensen te brengen tot verruiming van hun gemoed. Ook de korte periode (slechts tien maanden) doorgebracht in zijn volgende gemeente Oud-Alblas typeerde hij als een goede tijd. 'Oud-Alblas! hoe kortstondig rnijn verblijf ook onder ulieden was, zonder zegen deed mij de Heere onder u en de omliggende gemeenten, niet werken.' Sommigen werden tijdens zijn ambtsperiode bekeerd van hun zondige wegen, anderen werden gebracht tot het onderzoek van Gods dierbare waarheden, bekommerden werden vertroost en bevestigde gelovigen werden van schadelijke wegen afgebracht en versterkt in hun geloof. Allen riep Du Cloux op om naar aanleiding hiervan de Heere met hem groot te maken en Zijn naam te verhogen. derde gemeente Oldebroek beleefde hij een rustige tijd. Bij zijn 25-jarig ambtsjubileum zei hij dan ook: 'Oldebroek! gij blijft mij en ik u onvergetelijk, ware het slechts vanwege de zeer grote zegen, die de Heere mij op Zijn werk onder ulieden geschonken heeft; lichaamszwakte drong mij u te verlaten.'

Conflicten

De levensloop van ds. Du Cloux wordt gemarkeerd door een groot aantal conflicten. Deels waren deze van personnlijkheid, deels van kerkelijke sand. Alleen in zijn derde gemeente Oldebroek beleefde drong mij u te verlaten.

De reeks conflicten begon in 1833 toen Du Cloux in Zoutkamp-Vierhuizen betrokken raakte bij het conflict rond ds. De Cock dat uiteindelijk uitliep op de Afscheidingsbeweging.

De overgang naar zijn tweede gemeente Losdorp leverde een tweede conflictsituatie op. Men beschuldigde Du Cloux van simonie. De predikant zou mensen omgekocht hebben om bij het laatste beroep hun stem op hem uit te brengen. Du Cloux weersprak de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Bij nader onderzoek van het Classicaal Bestuur bleken de beschuldigingen gegrond op 'loutere gezegden'. In zijn

vierde gemeente Oud-Alblas kwam hij in conflict met predikanten uit de naburige gemeenten Wijngaarden en Nieuw-Lekkerland. Du Cloux werd beschuldigd doopleden uit genoemde gemeenten op zijn belijdeniscatechisaties toegelaten te hebben, en ook kinderen zonder toestemming te Oud-Alblas gedoopt te hebben. Voor hetzelfde feit had hijzelf eens een aanklacht tegen Hendrik de Cock ingediend. In Oud-Alblas waren de rollen dus omgekeerd. Du Cloux was echter verstandig genoeg om zich niet te branden door kerkelijke buitensporigheden te begaan. Het Classicaal Bestuur die in de zaak gemengd was, gaf tenslotte een verklaring van onschuld van Du Cloux' zijde af.

In zijn volgende gemeente 's-Grevelduin-Capelle werd hij in i860 bij de rechter aangeklaagd wegens majesteitsschennis in de prediking. Tijdens een ringbeurt in de vacante gemeente Raamsdonk had hij in een preek over de bekering van koning Manasse de omstandigheden van de koning en het volk van Juda vergeleken met de toestand van het Nederlandse volk en zijn koning. In zijn dankgebed had hij voorbede gedaan voor de koning, en met name om zijn bekering gebeden. Du Cloux' vijanden grepen deze uitspraken aan om een aanklacht tegen hem in te dienen, die overigens geen gevolgen

voor hem had. Du Gloux mocht het zien als het dragen van een stukje smaadheid om Christus' wil.

In 's-Grevelduin-Capelle kwam hij in conflict met het Classicaal Bestuur wegens het afschaffen van het zingen van het verplichte gezang in iedere kerkdienst, alsmede met de predikant van het naburige Sprang-Capelle omtrent het afleggen van belijdenis door een meisje dat afkomstig was uit de gemeente van Du Cloux, maar intern in dienst was bij mensen uit Sprang-Gapelle.

In zijn laatste gemeente Spijk (in Groningen) tenslotte werd hij in 1869 beschuldigd van "bedrieglijke handelingen met een der leden zijner gemeente ". Bij in-en verkoop van effecten was er, volgens Du Gloxix' eigen zeggen, een vergissing geslopen in de berekening van de geldwaarden. Het werd hem echter aangewreven als boos opzet met het doel zichzelf te verrijken. Uiteindelijk werd Du Gloux onschuldig verklaard. Deze kwestie verhinderde hem in maart 1870 het beroep naar Scheveningen op te volgen, omdat het Glassicaal Bestuur van Appingedam hem, zolang het onderzoek liep, geen attest van goed gedrag wilde verstrekken.

Bedreigd

Met name door de conflicten te Oud-Alblas en 's-Grevelduin-Gapelle voelde Du Gloux zich bedreigd. Hij ervoer de aanklachten als doelbewuste pogingen van liberale zijde om hem in kwaad daglicht te stellen, hem als predikant te schorsen en het zwijgen op te leggen. Geheel zonder grond was zijn vrees niet. Want hoewel hij in de kwestie van majesteitsschennis door de rechtbank van verdere rechtsvervolging was ontslagen, drong het ministerie van Justitie na afloop er wel bij de minister van Hervormde Eredienst op aan om Du Gloux officieel een terechtwijzing te geven en adviseerde tevens om marechaussees te laten luisteren bij preken van Du Gloux voor eventuele strafwaardige uitlatingen. De minister van Hervormde Eredienst wees echter de eerste suggestie van de hand en voelde ook niets voor het inschakelen van marechaussees.

Een bijzondere gebeurtenis

Eind mei 1860 werden de inwoners van 's-Grevelduin-Gapelle opgeschrikt door een ernstige gebeurtenis. De stoomboot 'De Langstraat' was op tweede Pinksterdag, 28 mei, tijdens een zware storm vergaan in het Hollands Diep ter hoogte van Lage Zwaluwe. Meer dan veertig mensen vonden de dood in de golven. Twaalf slachtoffers waren afkomstig uit de gemeente van Du Cloux. Met ontroering nam de predikant kennis van dit droevige ongeval. De zondag daarop preekte hij over Deuteronomium 32:29; een tekst waarin de vergankelijkheid van het leven verwoord wordt. Naar aanleiding van deze scheepsramp schreef Du Cloux een brochure, ge-

titeld Een droevige Pinksteren. Hierin schetste hij allereerst de gang van zaken rondom het vergaan van de stoomboot. Tevens probeerde hij te wijzen op de geestelijke achtergrond van de scheepsramp. 'Toen ik aan de morgen van die onvergetelijke 2e Pinksterdag tot u mocht spreken van de dierbare werkingen van de Heilige Geest, zo zichtbaar in de bekering van zo velen, die leerden vragen 'Mannen broeders! wat moeten wij doen om zalig te worden? ' en ook aan u het voorstelde, hoe, zal het wel met ons zijn, het bij een iegelijk onzer tot die levensvraag komen moet, had ik er niet aan gedacht, dat ook sommige jeugdige mensen onzer gemeente en daaronder drie. die ik onlangs als lidmaten der gemeente had aangenomen, er toe besloten zouden hebben, om die dag met de wereld tot een dag van uitspanning te gebruiken, te meer daar de Heere door regen en wind waarschuwde, om die dagen niet te ontheiligen.' Du Cloux zag de ramp als een Goddelijk ingrijpen in de brooddronkenheid van de feestvierders die naar Rotterdam waren geweest. Maar tevens beschuldigde hij de kapitein, die tegen alle waarschuwingen in toch was uitgevaren, van roekeloosheid.

Levensavond en overlijden

In 1872 vroeg ds. Du Cloux emeritaat aan. Dat werd ingewilligd. Op 29 augustus 1873 nam hij afscheid van zijn gemeente Spijk. Met ingang van I september 1873 kreeg Du

Cloux een pensioen van f 6oO, - per jaar. Hij was toen 65 jaar. In die tijd was er echter geen verplicht emeritaat. De meeste predikanten dienden de gemeenten zolang ze konden. De slechte pensioenregeling verplichtte vele onbemiddelde predikanten veelal ook daartoe. Onbemiddeld was Du Cloxix echter niet, maar wel zwak. Daarom ging hij met emeritaat. Na zijn emeritaat vestigde hij zich achtereenvolgens te Utrecht, Assen en Bedum.

De eerste jaren na zijn emeritaat ontving Du Cloux nog verschülende beroepen. Kennelijk hoopten verschillende gemeenten nog dat de emeritus predikant na een rustperiode weer in actieve dienst zou terugkeren. Het bleek een ijdele hoop te zijn. Steevast bedankte Du Cloux voor de op hem uitgebrachte roepstemmen. Tenslotte werd het, na het beroep uit Hollandseveld in 1876, stü rond de eens zo gevierde predikant.

Ruim elf jaar mocht het echtpaar Du Cloux daarna nog samen zijn. Toen kwam op 5 juni 1887 het levenseinde van mevrouw Du Cloux, geboren Westendorp. Door middel van een advertentie in De Heraut van 19 juni maakte de emeritus predikant melding van dit verlies. De dag na haar overlijden werd door de gemeente Bedum enkele grafplaatsen uitgegeven voor de begrafenis van de vrouw van Du Cloux en later voor hemzelf.

Ds. Du Cloux overleefde zijn echtgenote driejaar. Op 30juli 189O, 's morgens om zeven uur, overleed hij na een langdurig ziekbed op de leeftijd van 82 jaar. Aangezien het huwelijk van Du Cloux kinderloos gebleven was, plaatste mr. R.T. Mees namens de familie een tweetal overlijdensadvertenties in De Heraut om het heengaan van Du Cloux in brede kring bekend te maken.

Betekenis

De betekenis van ds. Du Cloux in de negentiende eeuw was tweeledig. Enerzijds was die gelegen in zijn prediking, die bij het kerkvolk zeer geliefd was. Die prediking werd door velen gezocht en begeerd. Zijn preken zijn vele hoorders tot zegen geweest. Mensen werden ontdekt, onderwezen en vertroost. Door zijn uitgegeven preken probeerde Du Cloux bovendien de waarheid ook 'tot zulken te brengen, die recht hebben om haar verkondiging te horen, maar daarvan verstoken wor­ den door een overmachtige vijand.' Anderzijds was daar ook zijn strijd voor de handhaving van de gereformeerde belijdenis. Du Cloux heeft daarmee een belangrijke rol gespeeld in het bewustwordingsproces van het orthodoxe kerkvolk. Op vele manieren heeft hij de nood van de Nederlandse Hervormde Kerk onder de aandacht van de gemeenteleden gebracht. In zijn geschriften schetste hij de vervallen toestand en wees hij aan de enige weg tot herstel. Als medewerker en redacteur van enkele periodieken De wachter op Sions muur en Kerkelijk Tijdschrift hield hij de lezers op de hoogte van de ontwikke-

lingen in de kerk en spoorde hij ze aan om zich sterk te maken voor de handhaving van de leer.

Thans, anno 2002, is ds. Du Cloux als strijder voor de gereformeerde leer zo goed als vergeten. Zijn strijdschriften zijn min of meer historische documenten geworden; slechts bekend en gelezen door een enkele (kerk)historicus. In beperkte kring geniet ds. Du Cloux nog wel enige bekendheid vanwege zijn meditatieve geschriften; en wel met name vanwege zijn nagelaten preken.

De eerste preek van Du Cloux verscheen in 1852. Het was een Pinksterpreek over Hand. 2:37"38. Deze werd uitgegeven bij de weduwe E. van Haarst te Oldebroek. Hierna verschenen regelmatig losse preken die later als gebundelde zestallen opnieuw op de markt gebracht werden.Jarenlang kwam er ieder jaar een bundel uit. De meeste preken publiceerde Du Cloux in de periode 1852-1867. Daarna verscheen er nog maar een enkele losse preek.

Als rustend predikant verzorgde Du Cloux nog heruitgaven van enkele van zijn prekenbundels. Bij die herdrukken sprak de emeritus predikant er zijn 'innige blijdschap' over uit 'dat er nog zeer velen in deze dagen worden gevonden die ingenomen zijn met de waarheden die de Heere Zijn Kerk mij door genade gaf te verkondigen in de gemeenten door mij bediend.' Kennelijk had de emeritus met de uitgave van zijn preken niet alleen zijn eigen kerk op het oog. Hij mikte ook op afgescheidenen en dolerenden. Zo schreef hij in de tweede druk van de bundel Feeststoffen, die in 1887 (een jaar na de Doleantie) verscheen: 'Wij beleven, wat onze Kerk betreft, hoogste ernstige en gewichtige dagen. Duizenden leden der Kerk hebben nu reeds met vele getrouwe herders en leraars de Synode, die het Koninklijk gezag van de Heere Jezus, onze grote God en Zaligmaker, over Zijn Kerk verwerpt, de gehoorzaamheid opgezegd en zich als Dolerende Kerken gevestigd. En daar misschien niet alle kerken die het Synodaal juk afschudden eigen leraars zullen bezitten en de behoefte zal gevoeld worden om onderling op de dag des Heeren en de feestdagen zich met elkander te verenigen, kunnen deze Feeststoffen, onder de zegen des Heeren, velen tot stichting zijn.

De wens van Du Cloux dat zijn preken ook buiten de Nederlandse Hervormde Kerk zouden worden gelezen is in vervulling gegaan. Acht jaar na zijn overlijden werden zijn preken reeds gelezen in de Gereformeerde Gemeente te Barneveld. Tot op de dag van vandaag worden ze nog in leesdiensten in de gereformeerde gezindte gebruikt.

De preken van Du Cloux werden na zijn overlijden dan ook regelmatig herdrukt. Gedurende de hele 20e eeuw waren er uitgevers die bundels op de markt brachten. Dat waren onder andere J.J. Groen te Leiden, J.P. van den Tol te Dordrecht en Gebr. Koster te Barneveld.

Korte analyse nagelaten preken

Het nagelaten preekwerk van ds. Du Cloux omvat in het totaal 97 preken. De tekstkeus is meestal genomen uit het Nieuwe Testament (55 preken). Du Cloux preekte veelal over bekende teksten / bijbelgedeelten. Hoewel Du Cloux aanvankelijk (tot 1861) ook wel gezangen te zingen opgaf, worden deze bij de preken niet vermeld. Wel staan daar de te zingen psalmen bij. Ook de psalmkeuze beperkt zich tot de bekendste psalmen. Zo liet hij veelvuldig zingen Psalm 2:7, 72:11, 27:7, 25:6 en 7 en 68:10. Elke preek vangt aan met een woord ter inleiding. Daarbij wordt veelal uitgegaan van de gezongen voor­ zang. Daarna wordt de tekst genoemd en de puntenverdeling. De puntenverdeling is meestal opgezet volgens een vast stramien: . geschiedverhaal / waar gaat de tekst over, 2 de relevantie van de tekst / zinrijke waarheid daarin vervat, 3 toepassing. De toepassing omvat ongeveer een kwart van de preek. Daarin worden de hoorders/lezers aangesproken naar hun staat en toestand. Allereerst wordt gevraagd of de hoorder al dan niet deel mag hebben aan de rijkdom die vanuit de tekst is voorgesteld. Vervolgens spreekt Du Cloux aan de onbekeerden, de bekommerden en Gods bevestigde volk.

De onbekeerden worden verdeeld in onverschilligen die naast hun kerkgang niet schromen de zondag te ontheiligen en een buitensporig leven te leiden, en in een groep mensen die bouwt op bepaalde geestelijke indrukken, uitwendige godsdienstige plichten en deugden. Voortdurend separeert Du Cloux tussen de echte christen en de schijnchristen. Zijn ontleedmes snijdt echter niet zo diep als dat van Meade, wiens boek De bijna-christen ontdekt door hem is ingeleid. Keer op keer benadrukt hij dat trap en mate van de ontdekkingsweg onderscheiden kunnen zijn.

Na het toespreken van de onbekeerden richt Du Cloux zich, naar de traditie van de Nadere Reformatie, tot de bekommerden. In principe zijn dit bij Du Cloux wedergeborenen. Het zijn degenen die hun zondaar-zijn beleefd hebben en nu in meerdere of mindere mate roepen om genade. Een levendmakende daad heeft reeds plaatsgehad in hun leven. In die levendmaking is een mens echter nog - net als Lazarus - gebonden aan handen en voeten. De tweede daad, de persoonlijke vereniging met Christus, moet nu nog plaatsvinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2002

Oude Paden | 82 Pagina's

‘Zijn aangezicht bleef gekeerd naar de synode’

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 december 2002

Oude Paden | 82 Pagina's

PDF Bekijken