Bekijk het origineel

Alle dingen nieuw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Alle dingen nieuw

7 minuten leestijd

En die op den troon zat, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. OPENB. 21 : 5.

Het is God, die hier spreekt. Er staat: „die op den troon zat”, om uit te drukken, dat God de Heere, die eeuwiglijk heerscht met zijne macht, die souverein regeert over alle zijne schepselen, de macht heeft, dat ’t Hem toekomt, gelijk Hij alle dingen schiep, ook alle dingen te herscheppen ; gelijk Hij alle dingen maakte, ze ook nieuw te maken.

En God zegt hier: „zie”, als om te doen gevoelen, dat ’t nu ten volle openbaar geworden is, dat Hij alle dingen nieuw maakt, nu alle tranen van der geloovigen oogen afgewischt worden, nu de dood niet meer is, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite, nu de eerste dingen weggegaan zijn.

Dat „zie” is zoo van belang. De Heere wil het nu opgemerkt hebben door zijn verlost volk, en zij zullen het opmerken, ja de engelen zullen begeerig daarin inzien, dat de Heere een God is die alle dingen nieuw maakt. De Schepperseere is nog niet Gods hoogste eere. Maar dat Hij zijne menschenwereld met de aarde en ’t firmament, waarin en waaronder die menschenwereld zich beweegt, die door satan aan de verheerlijking van God onttrokken was, die door de zonde bezoedeld en Gode tot smaad geworden was, die door de macht des doods verwoest was, vernieuwt, dat is Gods hoogste eere.

En zeker — het blonk al in het verloren paradijs door, toen God de belofte van ’t vrouwenzaad deed hooren, dat Hij alle dingen nieuw maakt. Het blonk door in de redding van de aarde en het menschelijk geslacht uit de wateren van den zondvloed, in de roeping van Abraham, in het formeeren van Israel tot een volk Gods. En die vernieuwing van alle dingen is, wat ’t wezen der zaak betreft, centraal, uitgewrocht in de opwekking uit de dooden en de verheerlijking van Christus, die al zijn volk in zich droeg en in zekeren zin ook heel de schepping, waarin dat volk zijne woonstede heeft en zonder welke dat volk niet te denken is, aan zich droeg, en die in de gestalte van de eerste dingen, in de gestalte, die door de zonde over ons kwam, in tranen, dood, rouw, gekrijt en moeite geleden heeft en stierf. Ja, dat God alle dingen nieuw maakt — het komt uit in de wedergeboorte en de bekeering van allen, die den Heere leeren vreezen, en in de uitreddingen, die hun in dit leven wedervaren, in het licht, dat voor den rechtvaardige is gezaaid, de vroolijkheid, die den oprechten van harte ten deel valt.

Dat is alles een werk van dien God, die alle dingen nieuw maakt; die, gelijk Hij alle dingen schiep door het eeuwige Woord, ook ze weder aan de macht van satan, zonde en dood ontworstelt, ze vernieuwende door het Woord, dat vleesch werd.

Maar nu zucht de aarde toch nog onder „de vorige dingen”. Nu zucht ook Gods volk nog daaronder. Maar eenmaal, wanneer Christus verschenen zal zijn op aarde in de heerlijkheid Gods, en zijne gemeente, van alle zonde verlost, ook in het lichaam aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig gemaakt, in zijn licht en in de vrijgemaakte schepping wandelen zal; wanneer duivel en dood en hei zullen uitgeworpen zijn in den poel des vuurs, in den tweeden dood, die nimmer eindigt — dan zal de Heere ten volle openbaar zijn als een God, die alle dingen nieuw maakt.

En nu volgt er hier zoo vol beteekenis: „En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.” Johannes ontvangt het bevel, om dit op te schrijven voor de gemeente Gods, namelijk, dit: „Zie, Ik maak alle dingen nieuw.” Waarom dit op te schrijven? Omdat „deze woorden waarachtig en getrouw” zijn. Omdat de Heere er zijn volk, zijne gemeente, ons, op aarde van doordringen wil, dat Hij dat doet en doen zal, dat Hij alle dingen nieuw maakt.

En daarom is dit ook een gewisse troost voor ons, bij de wisseling der jaren. Immers, bij ons, in deze wereld, zijn tranen, heerscht de dood, is rouw, gekrijt en moeite. En bij alle weldaad, die we door Gods goedheid genieten mogen, ten eenenmale verbeurd, waarvan ook ’t voorbijgegane jaar zoo overvloedig getuigt, zou bet toch troosteloos voor ons zijn, wanneer deze „eerste dingen” ook blijvende dingen waren; wanneer wij niet eenmaal van onze zonden konden afkomen, wanneer alles ten slotte in tranen, dood, rouw, gekrijt en moeite moest ondergaan. Maar opdat wij nu troost zouden hebben, heeft de Heere bevel gegeven aan Johannes om te schrijven, en heeft de Heere zelf er bij betuigd, dat deze woorden waarachtig en getrouw zijn, dat Hij alle dingen nieuw maakt.

Naar ’t aanzien der oogen, zien wij, bij alle wisseling der jaren, toch in ’t wezen der zaak geene verandering. Ook in de toekomst zal ’t wel zijn als in ’t verledene. ’t Jaar wordt als ’t ware begraven in den stroom des tijds. Maar het vlieten der tranen zal niet ophouden; de dood zal in de toekomst zijne offers eischen als in ’t verledene; rouw, gekrijt en moeite zal met het jaar, dat wegstierf, niet uitsterven.

Maar o, wat is ’t nu een troost, dat die eerste dingen toch eenmaal zullen weggaan, en dat de Heere alles nieuw zal maken. Dat er hier wel een zaaien met tranen is, maar eenmaal een maaien met gejuich zal zijn. „Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen.” Maar integendeel — het zijn nu nog de eerste dingen. Die gaan echter voorbij. „Zie, Ik maak alle dingen nieuw.” En omdat de Heere weet, dat zijn volk hier op aarde aan die Goddelijke opbeuring zoo grootelijks behoefte heeft, en het hun toch zoo moeielijk kan vallen, hun hart er mee te troosten, dewijl ze te midden van die eerste dingen hier op aarde moeten leven en sterven, daarom wil de Heere ons geloove wakker maken, en heeft Hij zijnen dienstknecht Johannes belast, dit voor ons te schrijven, en verzekert Hij ons door hem, dat deze zijne woorden waarachtig zijn en getrouw.

O, dat we dan verwachten mogen, wat de Heere toezegt. En laten we daartoe niet verzuimen, het onderpand van ons deelgenootschap in die vernieuwing aller dingen in ons hart en leven te mogen bezitten. Dat onderpand is onze vernieuwing door Gods Geest, en het volgen van Christus. Want Christus zeide tot zijne discipelen: „voorwaar, ik zeg u, dat gij die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, [dat] gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls” (Matth. 19:28).

Die dag der „wedergeboorte” van hemel en aarde, der wederoprichting aller dingen, wordt mede voorbereid door de toevergadering der heidenen tot het koninkrijk Gods. Laat dan ook in het werk der Zending de Kerk van Christus niet vertragen, maar werkzaam zijn naar het woord: „Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden; zij zullen loopen, en niet moede worden, zij zullen wandelen, en niet mat worden.” (Jes. 40 : 31).

Arnhem, Januari 1906. H. HOEKSTRA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1906

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 20 Pagina's

Alle dingen nieuw

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1906

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 20 Pagina's

PDF Bekijken