Bekijk het origineel

Altoos collecteeren?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Altoos collecteeren?

6 minuten leestijd

Ons bereikte de volgende vraag:

„In Zondag 38 van onzen Catechismus wordt onder meer als de plicht, welke den Christenen door het vierde gebod wordt opgelegd, genoemd: „dat ik inzonderheid op den Sabbath, dat is op den rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om …. den armen christelijke handreiking te doen.”

Mogen sommige gemeenten daarin nalatig blijven omdat ze zelf geene armen te verzorgen hebben? Zijn ze niet gehouden b.v. aan arme diakonieën mede te deelen?”

Inzender verzekert ons, dat in sommige Gereformeerde kerken het voorkomt, dat er geen armen zijn en dan ook niet ervoor gecollecteerd wordt.

Wij zouden bij de beantwoording van deze vraag vooral den regel niet uit het oog willen verliezen, dat elk geval op zichzelf beoordeeld moet worden.

Wat het algemeene beginsel betreft, spreekt het vanzelf, dat we volkomen met Zondag 38 instemmen. Het collecteeren voor de armen, het mededeelen tot de behoeften der heiligen, is zeker een schoon onderdeel van de openbare godsdienstoefening, en behoort beschouwd te worden als een godvruchtige handeling der gemeente, waarin zij uit dankbaarheid het vierde gebod ook ten dezen naleeft en den Heere met een gewillig gemoed van het hare offert. De liefde van Christus wordt daarin werkzaam openbaar, en wanneer men deze inzameling ziet in het rechte licht, komt er hetzelfde in uit als in de gewilligheid, waarmede de eerste christenen onder den invloed der krachtige werking des Heiligen Geestes alle dingen gemeen hadden.

Anderzijds echter moeten we niet vergeten, dat deze collecte alleen dient om eeh aanwezigen nood te lenigen. Wanneer er nu in onzen kring zulk een behoefte niet blijkt te bestaan, dan behoeft er dus ook niet voor gevraagd te worden. De bediening des Woords is in de samenkomsten der gemeente onmisbaar, omdat allen die behoeven. Maar de bediening der tafelen is alleen voor de armen, en zijn die er niet, dan is er dus ook van geen oefening van barmhartigheid sprake. Ja wanneer zulk een toestand niet maar enkele weken duurde, doch langeren tijd aanhield, zouden we geen reden weten te bedenken, waarom in zulk een gemeente diakenen zouden zijn. Aan het ambt der dienaren des Woords en der ouderlingen is altoos behoefte, doch aan dat der diakenen alleen voor de leniging van nooden. Wanneer men hun het collecteeren voor de Kerk, de verzorging der kerkelijke administratie en dergelijke wil opdragen, moet men toch begrijpen, dat dit alles buiten het diakenambt omgaat, en alleen voor zulk werk geen diakenen behooren gekozen te worden.

Intusschen kunnen we bezwaarlijk gelooven, dat er ergens inderdaad zulk een gemeente zou bestaan, waar geen armen gevonden worden en dus ook geen diakenen noodig zijn. Wel kennen we kerken, waarin zeer weinig gevallen van armoede voorkomen, en het dus volstrekt niet noodig is eiken Zondag voor de armen te collecteeren. Soms is één inzameling in de maand voldoende om in alle behoeften ten dezen te voorzien. Worden de nooden onder het bestel van ’s Heeren voorzienigheid grooter, dan breide men het aantal collecten voor dit doel weer uit, met mededeeling van de noodzakelijkheid daartoe. Juist wanneer duidelijk uitkomt, dat niet meer gevraagd dan noodig is, zal de elasticiteit der gemeentelijke offervaardigheid niet verslappen. En daartegen te waken is zeer noodig. Wanneer men altoos maar weer Zondag aan Zondag voor de armen vraagt, terwijl de gemeente weet, dat er geen of weinig armen zijn, bevordert men het geven van centen en krijgt de collecte het karakter van rooden loop. De toestanden in de Hervormde kerk, waar soms de diaconie groote kapitalen heeft, mogen ons een waarschuwend voorbeeld zijn om toch altoos alleen te vragen naar behoefte.

Anderzijds heeft de inzender volkomen gelijk, dat zulke kerken nuttig werk zouden kunnen doen door hetgeen in haar kring niet vereischt wordt te besteden ten behoeve van zusterkerken, die onmogelijk in staat zijn om in de nooden van haar armen te voorzien. Deze gedachte is geheel schriftuurlijk, niet alleen naar het algemeen beginsel der Christelijke liefde, maar ook naar het voorbeeld van den apostel Paulus, die in de gemeenten, welke hij bezocht, collecteerde ten behoeve der Jeruzalemsche kerk. Wanneer de zaken der diakonieën meer op de classicale vergaderingen ter sprake komen, zal men al spoedig vernemen van kerken in de omgeving, wier diakonieën steun zeer noodig hebben en dankbaar zouden gebruiken. Ook zijn er allerlei werken van Christelijke barmhartigheid, die o zoo gaarne geholpen zouden worden door zulke kerken, die voor haar eigen kring geen nooden hebben. Geld voor den arbeid in ’s Heeren koninkrijk kan men altoos wel besteden, ook op de erve der Christelijke liefdadigheid.

Intusschen eischt dan de eerlijkheid, dat men dit aan de gemeente mededeelt, en b.v. eenmaal in de maand collecteert voor de eigen nooden en dan verder tot steun van hulpbehoevende diakonieën, vereenigingen enz., wier arbeid ligt op het terrein der Christelijke barmhartigheid; liefst ook van zulke, die op Gereformeerden grondslag verricht wordt en met de Gereformeerde kerken in verband staat. Men mag persoonlijk geven voor wat men wil, doch de gaven der gemeente in de godsdienstoefening moeten zooveel mogelijk op Gereformeerd terrein blijven.

Echter dient, gelijk we boven zeiden, ieder geval op zichzelf beoordeeld te worden. Indien in eene kerk veel behoefte is aan geld voor het onderhoud van den kerkedienst, van de zending, de evangelisatie, de scholen en dergelijke, dan moeten, dunkt ons, de behoeften der eigen gemeente voorgaan en zou het zeer verkeerd zijn barmhartigheid naar buiten te oefenen, terwijl men aan zijn verplichtingen in eigen kring niet voldoet, althans niet in genoegzame mate. Het geld moet onder ons meestal uit dezelfde beurzen komen. En men zegge niet: zulk een gemeente met weinig armen is blijkbaar welgesteld en heeft geen gebrek. Dat gaat niet op, want het kan zijn, dat de meeste leden tot den middenstand behooren, en dat zij zich beijveren om, al hebben ze niet ruim hun brood, toch geen aanspraak op de liefdadigheid te doen gelden. En juist in zulk een omgeving zou het wel eens kunnen zijn, dat men slechts met groote moeite de kerkelijke onkosten en dergelijke kon bestrijden. Dan is het eenvoudig ongeoorloofd toch Zondag aan Zondag onnoodig voor de armen te collecteeren en het geld op te potten of buiten de gemeente te besteden, want men moet allereerst zijn eigen huis verzorgen.

Het beginsel van Zondag 38 is dus o.i. niet absoluut, maar alleen incidenteel. Bij de toepassing ervan zal men moeten letten op de verschillende nooden in eigen kring en daarbuiten, volgens de boven aangegeven regelen. En — laat ons dit ten laatste nog mogen zeggen — altoos zóó, dat men den Christenen het beoefenen der barmhartigheid niet afleert, maar zooveel men slechts kan hun mededeelzaamheid opwekt, wijl zij daardoor Christus Jezus dienen, en voor hun deel medewerken om Zijn oneindige liefde aan de wereld te openbaren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1915

Diaconaal correspondentieblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederland | 20 Pagina's

Altoos collecteeren?

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1915

Diaconaal correspondentieblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederland | 20 Pagina's

PDF Bekijken