Bekijk het origineel

In nood van de baren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In nood van de baren

8 minuten leestijd

En terstond dwong Jezus zijne discipelen in het schip te gaan en vóór hem af te varen naar de andere zijde, terwijl hij de scharen van zich zou laten. En als hij nu de scharen van zich gelaten had, klom hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zoo was hij daar alleen. En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen. Maar ter vierder wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. En de discipelen, ziende hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! en zij schreeuwden van vrees. Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, ik ben het, vreest niet. En als zij in het schip geklommen waren stilde de wind. Matth. 14 : 22—27 en 32.

Tweemaal teekent ons het Evangelie de wondermacht des Heeren over stormgeloei en golfgebruis.

De eerste maal was de Heere zelf aan boord, toen de discipelen met hun scheepke bij de-overvaart van het Galileesche meer dóór stormweer werden overvallen. Met Jezus aan boord — en toch storm, en door dien storm in bang gevaar. Bijna onbegrijpelijk. En toch was het zoo.

En de jongeren waren in angst, want de storm loeide zoo geweldig en de golven steigerden zoo hoog. Maar Jezus sliep in rustigen slaap.

Eindelijk — de discipelen durfden het niet langer aanzien, en wekten den Meester en riepen: „Heere, behoud ons, wij vergaan”.

En Jezus stond op en sprak tot den storm: „zwijg!’ en tot de golven: „wees stil.” En toen zweeg de storm en stil werden de kokende golven. En tot de jongeren sprak hij: „wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen!e

Zoo is wel meermalen de weg des Heeren met zijn Kerk en met zijne discipelen: de Heere zelf aan boord, en toch storm! En het levensscheepke „in nood van de baren.” Maar dan, op ons roepen, de Heere zijn macht openbarend, sprekend tot den storm: „zwijg”; en tot de golven: „wees stil. En dan zwijgt de storm en de golven worden stil. En in dat zwijgen en dat stil worden, wordt de Heere verheerlijkt.

Maar heerlijker nog blinkt de majesteit des Heeren als het gaat gelijk het is geteekend in de beschrijving van het tweede wonder op het Galileesche meer.

Weêr was de Heere met zijne volgelingen aan den oever van het meer van Kapernaum. De avond naderde. Het schijnt dat de discipelen geen lust hadden om aan boord te gaan van het schip. Mogelijk teekende de lucht wel onheilspellend. Wij lezen althans, dat de Heere ze „dwong” om in het schip te gaan. En de discipelen zijn gehoorzaam. Zij gaan aan boord en varen af. Maar Jezus gaat ditmaal zelf niet mee. En als de avond gedaald is, begint het te stormen, zooals het op dat meer zoo geweldig stormen kan. En de storm zwelt aan, en de golven gaan al hooger en hooger. En de jongeren komen „in nood van de baren.” Te midden van het stormgeloei dreigt hen de donkere diepte met dood en verderf. En wat zal het toen ook in hunne harten hebben gestormd: „Heere waarom dwongt gij ons om af te varen, Waarom in dien nood? Waarom gingt gij zelf niet mêe?”

Maar als de jongeren daar worstelen „in nood van de baren” dan is Jezus in de hoogte op een van de bergen. Terwijl de discipelen afvoeren, is hij die berghoogte beklommen. Daar is hij alleen. En hij bidt. Dat weten de jongeren niet. En toch is dat hun behoud. Zij in bangen nood; maar de Heere daar biddend op de hoogte der bergen!

Eindelijk, in het holle van den nacht, tegen de laatste wake, daalt Jezus af van den berg en hij gaat naar zijne discipelen. Hij nadert het schuimende meer en staat aan den oever. Maar nu zegt Hij niet tot den storm: „zwijg!” en niet tot de golven: „wees stil”. Hij laat den storm voortbulderen. En de golven blijven steigeren, hoog, hoog! Maar te midden van dat geloei en over die wit schuimende golven heen treedt de Heere zijnen jongeren tegemoet. De discipelen zijn in nood van de baren. En toch geen nood! Want op die zoo angstig dreigende baren wandelt Jezus.

Doch de jongeren herkennen hun Meester niet. Zij zien in het nachtelijk donker boven op de golven een gestalte. Maar dit vermeerdert slechts hun angst, want in hun bijgeloovigheid wanen zij, dat het een „spooksel” is dat daar nadert. En zij schreeuwen van vrees. Ach — zij zien Jezus aan voor een spookgestalte! En dat overkomt aan die discipelen, aan Petrus, aan Johannes, aan Jacobus!

Intusschen nadert de Heere. En reeds uit de verte, onder het stormgeloei door, roept Hij van af die razende golven met luide stem den jongeren toe: „Zijt goedsmoeds; ik ben het; vreest niet”. En te midden van den nood der baren spitsen de jongeren het oor, en zij scherpen het oog. En nu hooren zij ’s Heeren stem en zij herkennen zijn gestalte. Ja ’t is Jezus zelf, die daar wandelt op de golven; hij is het die hun toeroept: „Ik ben het, vreest niete’.

En nog loeit even luide die storm, en nog steigeren even hoog die golven. Maar de nood is voor de jongeren geweken, want de Heere is nabij.

Enkele oogenblikken later komt de Heere bij hun aan boord. En de storm gaat liggen en de golven worden stil. Het heeft lang genoeg geduurd. Want nu weten de discipelen dat de Heere ook in den storm en op de golven is. En terwijl het scheepke overvaart naar de plaats der bestemming, knielen zij in aanbidding voor Hem neer en zeggen: „Waarlijk, gij zijt Gods Zoon.” En de Heere wordt nog hooger verheerlijkt, dan toen hij tot den storm sprak: „zwijg” en tot de golven: „wees stil”.

„In nood van de baren”. Lezer! misschien kan met dit woord ook uw toestand geteekend worden. Mogelijk ziet gij u bij den aanvang van het pas begonnen jaar gedreigd door ernstige gevaren. De storm steekt op en de golven gaan hoog en uw scheepke slingert. Laat me u echter mogen vragen: Kent gij Jezus? Is Hij u geen vreemde? Is het uw zielsbegeerte zijn volgeling te wezen? Welnu — als dat zoo is — laat dan de teekening van ’s Hee-ren macht over de golven u leeren. Gij zoudt wel willen, dat hij tot den storm sprak: „zwijg” en tot die dreigende golven: „weest stil”. Gij moogt dit ook vragen. Maar ’t is niet zeker dat Hij dit doet. Zijn weg is vaak anders. Als echter de storm over u blijft aanzwellen en de golven al hooger over uw scheepke gaan, en al is het, dat de Heere voor uw zielsbesef verre is, — daar hoog, hoog, op de eeuwige bergen, daar is Jezus — en Hij bidt, Hij bidt ook voor u. Wij hier beneden „in nood van de baren” en Hij in de hoogte „biddend” voor ons.

En als dan de nood nog stijgt en de gezwiepte golven nog hooger slaan en de donkere diepte u gaat dreigen met ondergang — spits dan uw oor en scherp dan uw oog! Zie — daar op die golven wandelt de Heere en Hij roept het u toe: „Ik ben het, vrees niet”. En dan wijkt de vreeze en de nood der baren ontroert u niet meer.

En als hij dan voor uw zielsbesef inkomt bij u, dan komt hij bij u in met zijn groote wijsheid en groote liefde en groote genade en groote macht. En dan wordt het stil in het hart, zalig stil, en gij kent geen storm meer en gij vreest geen golven meer. En terwijl het scheepke koers zet naar de plaats der bestemming, knielt gij neêr en gij aanbidt.

„In nood van de baren”. Zoo staat het thans ook veelszins met de zaak van het koninkrijk Gods op aarde, inzonderheid met de zending. Bekommerend rijst de vraag: „van waar moeten toch de middelen komen om het steeds groeiend werk der zending te verzorgen?” Misschien wordt 1923 voor de zending wel een zeer zorgvol jaar. Het laat er zich wel naar aanzien. Het dreigt, dat een aanmerkelijk deel van den zendingsarbeid onder de volken zal moeten worden stilgezet. Het staat te vreezen, dat de zending zeer ernstig zal komen „in nood van de baren”.

Maar de Heere heeft het bevel gegeven: „gaat in het schip en vaart af.” En als de storm opsteekt en de nood gaat stijgen — dan is de Heere ook nu nog daar op de hoogte der eeuwige bergen en Hij bidt. Zijne is de zaak der zending.

En nu kan het wel zijn, dat de nood zeer bang wordt en de baren zoo hoog gaan, dat zij met ondergang dreigen — toch geen nood, want ook te midden van die stormen is de Heere en, wandelend op die golven, roept Hij van af die baren zijn Gemeente ook in den zendingsarbeid toe: „Ik ben het, vrees niet.”

W.B

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1923

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 16 Pagina's

In nood van de baren

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1923

Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland | 16 Pagina's

PDF Bekijken