Bekijk het origineel

Christen Idealisme

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Christen Idealisme

5 minuten leestijd

Mijne kinderen, dit schrijf ik u, opdat gij niet zondigt.

1 Joh. II : 1a.

„Opdat gij niet zondigt,” d. i. het ideaal van den Christen. Want hij heeft ervaren de ontbindende macht der zonde, den onvrede, het ongeluk en de vernedering die het leven der Godsvervreemding hem brengen. De Christen is de mensch, die ernst wil maken met godsdienst: „Weest heilig, want Ik ben heilig,” „Weest volkomen, gelijk uw Vader in den hemel volkomen is.”

De anti-goddelijke macht echter tracht den mensch voortdurend van het door God gewilde af te voeren, hem te verleiden tot onheiligheid, onvolmaaktheid, zonde.

Wij allen kennen de werkelijkheid van deze zondige aarde, en van ons eigen zondig hart, en we weten maar al te goed, dat hier beneden het nier-zondigen niet gevonden wordt. Ware dit wél het geval, dan zou de hemel op aarde gekomen zijn.

„Opdat gij niet zondigt” — dat is het ideaal. En de droeve werkelijkheid erkent ieder mensch, die nog tot zich zelve durft in te keeren. Van 't grootste belang nu is het antwoord dat wij geven op de vraag: hoe staat gij tegenover de werkelijkheid? Zijt ge er van doordrongen, dat de werkelijkheid droef is en droef maakt? Of zegt ge: er is tóch niets aan te doen, daarom schik ik mij in het onvermijdelijke, daarom berust ik er maar in, — of moet ge antwoorden als ge eerlijk zijt: eigenlijk ben ik langzamerhand — hoe 't zoo gekomen is weet ik niet meer — mij in de werkelijkheid thuis gaan voelen. Voelt ge dat het eigenlijk iets verschrikkelijks is in deze werkelijkheid te moeten leven, of vindt ge het niet zoo heel erg meer? Hebt ge er een compromis mee gesloten? Wie waarlijk een Christen is kan zich nooit en te nimmer thuis voelen in de omgeving der zonde en kan nooit vrede met de zonde in eigen hart en leven hebben. En wanneer zijn hart bestormd wordt — en ieder die naar het ideaal wil leven, weet wel hoe fel en afmattend de strijd kan zijn — stuit de aanvaller bij hem op heftigen tegenstand en wordt de Christen overwonnen, dan voelt hij zich verwond en geslagen.

Wij allen kennen die droeve werkelijkheid en de mystieke en toch zoo practisch-nuchtere Johannes kent haar óók uit eigen ervaring, als hij op hoogen leeftijd schrijtt: ”Indien wij zeggen, wij hebben geen zonde, zoo misleiden wij ons zelve, en de waarheid is in ons niet” — Wat ik het heerlijke vind is, dat hij tóch aan het ideaal blijft vasthouden: „dit scl rijf ik u, opdat gij niet zondigt,” welk ideaal na te streven hij ons allen ernstig-dringend toebidt. In denzelfden brief schrijft hij: „Wie in Hem blijft, die zondigt niet, — wie zondigt, die heeft Hem niet gezien nóch gekend.” Een woord ter overdenking aan allen, die den diepen ernst der zonde als schuld ontkennen en verwateren: aan allen die met den zomietoestand genoegen nemen en niet meer strijden tegen het kwaad nóch jagen naar heiligmaking; en aan allen, die meenen de volmaaktheid alreeds te hebben en de macht der zonde

„Opdat gij niet zondigt.” — De werkelijkheid strijdt met het ideaal. En toch hoe ernstig-dringend en moeilijk de eisch is om er aan te gehoorzamen, zoo wil God het ons toch gemakkelijk maken door Christus. „Maar zoo iemand zondigt, hebben wij een voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, die rechtvaardig is.” Wij hebben een voorspraak, letterlijk een Parakleet, één die er bij geroepen wordt, een Advocaat, één die helpt en steunt en troost, één die mijne zaak voor den Heiligen God verdedigt, één die Middelaar is in den volsten, diepsten en rijksten zin des woords, die verzoening doet, de zonde bedekt, die ons reinigt van de zonde en dat telkens en dagelijks weer doet; ja zelfs in goddelijke royaliteit dit doet in universeelen zin — „voor de gansche zondige wereld.” Wat een troostrijke, goede boodschap voor de gehééle wereld en dus ook voor u en voor mij!

Toch blijft de eisch: afstaan van alle ongerechtigheid — „dit schrijf ik u, opdat gij niet zondigt.” Ons ideaal is volmaaktheid en heiligheid. Eén ding mogen wij nooit doen: beneden dit ideaal willen leven. Nooit ons schikken, al is 't in vrome berusting, in de droeve werkelijkheid — en een ander uiterste: ons verheffen, naarmate wij 't ideaal naderbij komen. Deemoed en nederigheid is het kenmerk van den waarachtigen Godsvriend.

Het ideaal ons voorgesteld en dat ons blijve wenken is: Jezus Christus.

Wilt gij christen-idealist, heilig worden, zie dan op Hem en druk Zijne voetstappen en Hem volgende laat u grijpen door Hem. En eenmaal gegrepen, ontworstel u dan nimmer meer aan Zijn Heilandsgreep. „Wie in Hem blijft, die zondigt niet meer.” Een rank draagt vrucht in den wijnstok. In Christus kan iemand alle dingen doen en kan iemand in de droeve realiteit der wereld: idealist zijn. Want alleen de idealist, de gegrepene door Christus, die voor oogen houdt het woord onzer meditatie: „Mijne kinderen, dit schrijf ik u, opdat gij niet zondigt,” wordt veranderd naar het heerlijk beeld: Jezus Christus, totdat hij eenmaal Hem gelijk zal zijn — rein, gelijk Hij is — heilig, gelijk Hij is — volmaakt, gelijk Hij is en wanneer hij Hem zien zal, gelijk Hij is.

Heil'ge Jezus! O, heilig mij, tot ik, als Gij

Geheel volmaakt en heilig zij!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 november 1928

De Wartburg | 4 Pagina's

Christen Idealisme

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 november 1928

De Wartburg | 4 Pagina's

PDF Bekijken