Bekijk het origineel

Opmerkingen, door de Diaconieën van eenige kerken gemaakt over het Rapport omtrent de taak der Diaconie inzake de ziekenverzorging in verband met die der Overheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Opmerkingen, door de Diaconieën van eenige kerken gemaakt over het Rapport omtrent de taak der Diaconie inzake de ziekenverzorging in verband met die der Overheid

(Zie „Diaconaal Correspondentieblad”, 26ste jaargang, pg, 126 v.v.)

9 minuten leestijd

Van de volgende Diaconieën zijn opmerkingen ontvangen over bovengenoemd rapport: Amsterdam, Maasland, Loosduinen en Haarlem. Het ging wegens plaatsgebrek niet aan, de opmerkingen volledig op te nemen in dit blad. Hieronder volgt een overzicht van de gemaakte opmerkingen, gerangschikt naar de hoofdstukken van het rapport. De commissie hoopt haar standpunt in een van de volgende nummers van dit blad nader uiteen te zetten.

ad Inleiding. Amsterdam meent, dat het verwarrend werkt, dat in het rapport twee gedachten niet uit elkaar gehouden zijn, nl. de „ziekengelduitkeering” en de „ziekenverzorging”. Op grond van de eerste alinea van de Inleiding heeft het rapport tot strekking het terrein te verkennen, dat bestreken moet worden door een ziekenfondswet, en niet door de „ziektewet”. Deze verwarring doet zich vooral gelden bij de bespreking van de plicht tegenover gezin, familie en bedrijfskring. Amsterdam formuleert hierbij de volgende vraag: „Op welken grond wordt in het rapport het Bedrijf aansprakelijk gesteld voor „Ziekenverzorging”, waar de Rijks-Ziektewet alléén spreekt van Ziekengelduitkeering, dus „levensonderhoud” ook gedurende ziekte?” (pag. 129.)

Dat ingeval van armoede de diakenen eerst moeten onderzoeken, door welke factoren de armoede is ontstaan, niet alleen om zich uit te spreken over de wijze, waarop hulp verleend moet worden, doch ook om zich af te vragen, of de factoren van het ontstaan der armoede diaconalen steun wettigen kunnen, acht Amsterdam in strijd met de taak, die schriftuurlijk en krachtens de kerkenorde aan de Diaconie is gegeven. Onderons moet vaststaan, dat in de kerk des Heeren gesproken wordt van twee sleutelen des Hemelrijks: de bediening des Woords en de censuur; de censuur mag niet in den broode worden geoefend; de gecensureerden blijven onder de diaconale zorg betrokken.

Amsterdam stelt naar aanleiding hiervan twee vragen, luidende: „Wat bedoelt het Rapport met het verwijzen naar het „nauwste verband”, dat moet bestaan tusschen de Bediening des Woords en de Kerkelijke tucht eenerzijds en de Diaconale Armenzorg anderzijds? (pag. 129.)

Moet het onthouden van Diaconale Armenzorg als maatregel van Kerkelijke tucht worden toegepast, omdat „het geestelijke” bijzondere eischen stelt aan hem, die geholpen wordt?” (pag. 128.)

Dat de rechtsplicht aan de moreele plicht der particulieren voorafgaat, ondervindt bij Amsterdam bedenking; welke bezwaren dit zijn, vermeldt het niet.

Amsterdam stelt verder de volgende vragen: „Wat verstaat het Rapport onder: „de grens van een normale draagkracht” en onder „een loon zóó laag, dat het risico van ziekte niet kan worden gedragen?” (pag. 129, 130.)

Waaruit is de tegenstrijdigheid te verklaren, dat de Diaconie ten opzichte van Ziekenverzorging in Gemeenten, waarin de ziekenhuisopname algemeen geregeld is, geen taak kan hebben, en dat zij haar taak zuiverder kan nakomen in Gemeenten, waar de Overheid nalatig is?” (dag. 131, 132.)

Loosduinen vraagt een nadere omschrijving van den op blz. 133 van het rapport voorkomenden zin, luidende: Steun aan particuliere vereenigingen (zusterhulp, wijkverpleging, Vereenigingen als het Groene Kruis, Vereenigingen voor t. b. c. bestrijding, e. d.) is een taak van de Diaconie, die, waar het vereenigingen betreft, welke uit het eigen kerkelijk leven opkomen, nog voorafgaan moet aan rechtstreeksche bijdragen tot steun van ziekenverzorging.

Maasland meent, dat de Commissie zich te veel heeft bezig gehouden met individuen; men wil deze beschouwd zien als leden van het gezin. Uitgaande van deze beschouwing, kan Maasland zich niet vereenigen met de bewering van de Commissie, dat er factoren kunnen zijn, die diaconalen steun niet wettigen; dit zou strijden met den geest der barmhartigheid. Het bedrijfsrisico kan slechts in aanmerking komen voor den werknemer en niet voor zijn zieke huisgenooten. In de uitspraak, dat de eigenlijke Diaconale zorg voor zieken zich in beginsel alleen over leden der Gereformeerde kerken kan uitstrekken, wil Maasland, met een beroep op den tekst „Doet wel aan allen” de woorden „in beginsel” vervangen zien door „in het algemeen.” De gaven, die particulieren aan de Diaconie geven, vormen geen particuliere Steun, doch diaconale Steun, wijl de leden der Diaconie als ambtsdragers er vrij over beschikken.

Maasland meent voorts, dat een Gereformeerde Diaconie op het standpunt moet staan, dat zij zelf haar lichamelijk zieken moet verzorgen en dat de vraag, of de Overheid voordeel heeft van den arbeid der Diaconie, niet ter sprake mag komen; anders zou elke diaconale steun ten slotte tot steun aan de Overheid te herleiden zijn. Haarlem deelt dit standpunt.

Haarlem ziet een principiëel verschil tusschen zieken, verpleegd in eigen woning, en zieken, verpleegd daarbuiten; het terrein van de Diaconie beperkt zich tot de eersten; verpleging van zieken buiten eigen woning is taak der Overheid, omdat hiermede een volksbelang gemoeid is.

Met verwijzing naar de geschiedenis der sociale wetgeving ontkent Haarlem het op blz. 129 van het Rapport vermelde, dat het dragen van bedrijfsrisico ten aanzien van ziekte en ongeval door patroon en arbeider gezamenlijk tegenwoordig in beginsel erkend is als een eisch des rechts.

In de eerste 5 jaren van de achter ons liggende 25 jaren was de heerschende meening, dat ziekenverzorging van de arbeiders en hun gezin voor een deel in het bedrijfsrisico behoorde begrepen te zijn en dat dit tot uitdrukking moest komen in het aandeel, dat de werkgevers in de kosten behoorden bij te dragen.

In de daarop volgende 20 jaar heeft men dit standpunt verlaten; thans wordt ziekenverzorging niet meer gezien als een specifiek arbeidersbelang, maar als een volksbelang, en het heeft derhalve met bedrijfsrisico niets uitstaande.

Dit volksbelang brengt mede overheidsbemoeiïng in den vorm van steun aan ziekenfondsen, die geneeskundige hulp bieden, en waarvan een ieder de voordeelen kan genieten door zich bij een dier fondsen aan te sluiten.

Er zijn dus geen gronden om te zeggen, dat het dragen van bedrijfsrisico ten aanzien van ziekte door patroon en arbeider gezamenlijk tegenwoordig in beginsel erkend is als een eisch des rechts.

Haarlem begrijpt het op blz. 130 van het rapport gezegde zoo, dat de Commissie onder ziekenverzorging zoowel verstaat de zorg, die noodig is, om de verloren gezondheid te herwinnen als de hulp, die noodig is, om de door ziekte ontstane behoeften te vervullen. Mits deze twee streng gescheiden worden, heeft Haarlem hiertegen geen bezwaar, hetgeen in het rapport niet geschied is.

ad A. Haarlem vraagt eenige toelichting bij de eerste alinea van A (blz. 131). Het meent, dat het door belanghebbenden te betalen bedrag voor verpleegkosten wordt vastgesteld overeenkomstig hun finantieele draagkracht, zoodat hier voor Maatschappelijk Hulpbetoon geen taak meer is.

Verder vraagt Haarlem, of de eerste alinea op blz. 132 slaat op de regeling, die door de Overheid is getroffen of op de hulp van Maatschappelijk Hulpbetoon.

Amsterdam ontwaart in dit gedeelte weinig van een principieele lijn. Daar men het bestaande aanvaardt, komt men in tegenspraak met hetgeen vroeger, o.a. op het Diaconaal congres van 1888 is uitgesproken, dat de eigenlijke taak der Diaconie niet is het uitreiken van geld, maar dat de persoonlijke aanraking, het inderdaad betoonen van het mede-„lijden”, op den voorgrond moet staan. Toch heeft Amsterdam geen bezwaar, hetgeen langzamerhand geworden is, te aanvaarden, mits men het feit, dat de Diaconie een andere taak heeft dan voorheen, uitgesproken wordt.

Amsterdam formuleert in dit verband de volgende vraag: „op welken grond maakt het Rapport zich onder A los van de aan de Diaconie als taak gestelde hulp en nog sterker, door bij de Diaconieën aan te dringen om de Overheid te wijzen op de Ziekenverzorging als zijnde taak der Overheid, in strijd met de duidelijke uitspraken, dienaangaande bijv. gedaan op het Diaconaal Congres in 1888?”

Tegen het practische standpunt van de Commissie voert Amsterdam een bezwaar aan, nl. dat volgens haar bij verpleging aan huis steun in natura, zooals onze ziekenzorg-kransen doen, in veel gevallen voorkeur verdient boven geldelijken steun, zelfs al zou van het verstrekte geld ook geen misbruik gemaakt worden.

ad B. Het was volgens Amsterdam wel zaak geweest, dat hier principieel uiteen gezet werd, waarom men wel ten volle gebruik mag maken van de zorg, die de Overheid voor de verzorging van gewone zieken heeft, doch dat men de verzorging van idioten en zwakzinnigen aan particulieren moet overlaten. De vraag rijst, hoe dit te rijmen is met de ondervinding in Gestichten als b.v. ’s Heeren Loo, dat het Woord Gods wel ter dege invloed oefent bij dergelijke ongelukkigen? Dit argument, om deze ongelukkigen van Diaconale zorg uit te sluiten, komt Amsterdam absoluut onjuist voor. Ook vindt Amsterdam het niet consequent, dat de Diaconie het particulier initiatief in deze heeft aan te moedigen voor het in stand houden van vereenigingen, die de verzorging van zwakzinnigen en idioten op zich nemen en men vraagt, wat de bijzondere grond is, om voor de onder B, C en D genoemde groepen het particulier initiatief meer naar voren te schuiven dan bij den verderen dienst der barmhartigheid.

Maasland wil ook hier niet individuen beschouwen, doch gezinsleden. Indien de familie onmachtig is voor zulke ongelukkigen te zorgen, dan moet de Diaconie dit doen. In de praktijk steunt de Diaconie niet de zwakzinnigen zelf, doch hun ouders.

ad C. Amsterdam vraagt, waarom de overheid geen taak heeft ten opzichte van het onderwijs van idioten en krankzinnigen, doch wel ten opzichte van blinden en doofstommen?

ad D. De ondervinding in christelijke gestichten heeft volgens Amsterdam geleerd, dat krankzinnigen niet steeds ontoegankelijk zijn voor de prediking des Woords of de kerkelijke tucht.

De aansluiting bij de praktijk had nader moeten worden gemotiveerd, doch zij ondervindt op zichzelf geen bezwaar.

De secretaris van de commissie zal gaarne nog opmerkingen ontvangen over het rapport zelf of naar aanleiding van dit overzicht. Zijn adres is: Mr J. Oranje, Reigerlaan 6, Eindhoven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1929

Diaconaal correspondentieblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederland | 16 Pagina's

Opmerkingen, door de Diaconieën van eenige kerken gemaakt over het Rapport omtrent de taak der Diaconie inzake de ziekenverzorging in verband met die der Overheid

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1929

Diaconaal correspondentieblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederland | 16 Pagina's

PDF Bekijken