Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

FEUILLETON

WILLEM VAN ORANJE-NASSAU

9 minuten leestijd

door

Ds. W. J. MANGER.

III. (Slot).

Zagen wij de vorige keer, dat de Prins in 1566 brak met het Roomsche geloof, in de politiek kon hij nog geen partij kiezen in het eerst. Het Concilie van Trente was in 1563 beëindigd en koning Philips eischte in aansluiting daarmee strengere doorvoering der plakkaten. De geloofsvervolgingen werden met vernieuwde kracht ingezet en in 1564 hield de Prins zijn beroemde vurige redevoering in den Raad van State te Brussel, waarbij Viglius eene beroerte kreeg van schrik. Maar aan het verbond der Edelen, om tot gewapenden opstand over te gaan, kon hij zijne toestemming nog niet hechten. Het blijft bij een smeekschrift, door welke gebeurtenis de naam „geuzen” = bedelaars, ontstaan is. Zoo machtig woonde de geest van verzoening en eendracht in ’s Prinsen gemoed, dat hij tusschen de beide partijen kwam in te staan. Daardoor is, reeds vóór Alva’s komst, zijn positie als leidend staatsman onmogelijk ge worden. Reeds na den beeldenstorm, maar vooral na den strijd voor Antwerpen (Maart 1567), toen hij de poorten gesloten hield voor de volksmassa, die het Geuzenleger te hulp wilde komen, was zijn rol uitgespeeld. Door het straatgepeupel werd hij voor verrader uitgekreten.

Heel in de verte worden wij getroffen door een gelijkenis met het voorval, toen in 1830 de kroonprins, later koning Willem II, zich boven het oproerige Brusselsche gepeupel wist staande te houden. Beiden keken toen den dood rechtstreeks in het aangezicht; beide betoonden toen op straat een moed en tegenwoordigheid van geest, grooter dan op het slagveld vereischt wordt.

Dan, als het waar is — en het is toch wel zoo — dat Marnix van St. Aldegonde drie jaar later het Wilhelmus gedicht heeft en steeds den Prins trouw bleef, wejk een geestesadel spreekt daar dan uit, als wij bedenken, dat zijn broeder Philips, de aanvoerder der Geuzen, sneuvelde in dezen slag bij Astruweel (of Oosterwee!) bij Antwerpen. Niet bij Jemmingen en Heiligerlee, maar hier, bij deze vreeselijke nederlaag der Geuzen, zouden wij het begin van den opstand tegen Spanje kunnen plaatsen. Intusschen weerstaan wij de verleiding langer stil te staan bij het Wilhelmus, dat juweel onder de volksliederen.

Alva, aan het hoofd der Spaansche keurbenden, naderde snel. De Prins maakte aanstalten om het land te verlaten. Zijn zoon Philips liet hij te Leuven achter, vertrouwende op de onschendbaarheid der universiteit. Dit vertrouwen is beschaamd. Kinderroof, Amerika’s zwartste misdaad, bleek ook één van Spanje’s strijdmiddelen. Dan zien we het afscheid van den Prins en Egmond, die weigerde te vluchten, ondanks het ernstig vermaan („Vaarwel, prins zonder staten.” „Vaarwel, graaf zonder hoofd”).

Welk een tragiek! Dien de goden willen verderven, verblinden zij van te voren. Nog een haastige liquidatie van allerlei plannen en plichten, enkele laatste beschikkingen over huishoudelijke- en regeeringszaken te Breda en elders, en Oranje verlaat, „als David moest vluchten voor Saul den tyran,” het land, dat hij als kind onder de schitterendste vooruitzichten betrad.

Oranje op den Dillenburg, dus „thuis” maar toch in ballingschap. Doch wat meer zegt: Willem bij zijne moeder, dus toch „thuis.” Dit is het tijdperk der verootmoediging (1567–1572) gelijk Mozes bij Jethro tot diepste bezinning kwam. Hij is hoofd van het geslacht (zijn vader was reeds in 1559 overleden) maar hij moet aan zijn broer Jan een dak boven het hoofd vragen. Zijn financiën zijn uitgeput, zijn huwelijk is geruïneerd. Maar hij heeft zijn moeder nog. Zij leert hem zien dat hij ook een God heeft. Vijf en dertig jaren, dat is geen hooge leeftijd. Het moest een tijd van opgang zijn. Eén huwelijk door den dood, en één door zonde ontbonden. En nog veel meer is er geschied. De wanden van het ouderlijk kasteel spreken een bijna vergeten taal, die Willem al peinzend wel verstaat. De echo van het verleden valt in zijn gemoed. En door dat alles heen begint God te spreken. De veerkracht der jeugd herstelt zich terstond en zij wordt geleid door het idealisme van den man, als een veulen getoomd door den ridder. De prins ontwikkelt een groote actie Met de rust op den stillen Dillenburg was het gedaan. Renboden en spionnen, afgezanten van den Prins en afgevaardigden uit Nederlandsche steden kwamen en gingen. Maar de beide veldtochten, die beraamd werden, zijn jammerlijk mislukt. Het Noordelijke leger werd verslagen, Adolf sneuvelde, als eerste der vier broeders, die zijn leven offerde. En het Zuidelijke leger, door Alva’s veldheerstactiek afgemat, moest ontbonden worden, waarbij de Prins zelfs zijn tafelzilver moest verkoopen, om de laatste soldij te betalen. Maar dan zien we bij den Prins een taaie doorzettingskracht, die groeit naarmate de tegenslagen dieper treffen. De voorzichtigheid blijft, maar het dralen is voorbij. Met 1200 trouw gebleven ruiters rukte de Prins Frankrijk binnen, Lodewijk voegde zich bij hem en zij aan zij streden zij met de Hugenoten. Het was toch dezelfde strijd op leven en dood voor het behoud der Protestantsche zaak.

Maar weldra begaf de Prins zich weer naar den Dillenburg. Holland trok hem. Vreeselijk drukte Alva’s vuist op het verslagen volk. En daar kwam de Allerheiligen-vloed (1 Nov. 1570) den rampspoed nog vermeerderen, dezelfde watersnooden, die in 1573 en 1574 te hulp werden geroepen tot redding van Alkmaar en Leiden.

Het zijn de donkerste jaren geweest die van 1569 tot 1572. Maar de Prins zat niet stil. Met ijzeren geduld zocht hij weer aanknoopingspunten in het gescheurde net, dat hij om de Nederlanden spande. De vloot der Watergeuzen werd georganiseerd en opnieuw werden in de hooge internationale politiek uitzichten geopend en wegen gezocht. Maar deze keer zag men niet meer uit naar Duitschland, doch naar Frankrijk. Eindelijk was alles gereed. De groote aanval kon beginnen. Maar een hoogere leiding was in het spel. Geheel onverwachts werd den Briel genomen. De Prins en Lodewijk achtten het een dwaze overhaasting, evenals de overrompeling van het slot Loevestein door Herman de Ruijter (1570). Maar de mensch wikt, God beschikt. Wat de menschen gering schatten, zou de geboorteure der vrijheid worden. Lodewijk bracht dus geen wijziging in zijn plan. Uit Frankrijk oprukkend naar het Noorden, wist hij de stad Bergen bij verrassing te nemen. Maar weldra werd hij door Alva’s troepen omsingeld. Krachtig doorstond Lodewijk het beleg. De Prins zette een tweeden veldtocht in, om van Roermond uit op te rukken tot ontzet van Bergen, terwijl de Coligny, de Hugenotenleider van uit het Zuiden zou komen opdagen. Maar de Coligny werd vermoord in den St. Bartholomeüsmacht (24 op 25 Augustus 1572, een der afgrijselijkste misdrijven der Roomsche partij, waarover zelfs Alva verontwaardigd was en waarom koningin Eilsabeth zich in de rouw kleedde en weigerde den Franschen gezant te ontvangen; alleen de paus liet een „Te Deum laudamus” aanheffen!). En het leger van den Prins werd geheel overrompeld, waarbij hij zelf door zijn hondje gered werd (welk hondje nog afgebeeld is op het standbeeld te ’s Hage). Toen moest Lodewijk de stad overgeven en Alva gaf aan zijn ridderlijken tegenstander („ridder zonder vrees of blaam”), behoorlijke voorwaarden voor den aftocht. Doodziek kwam hij na een vreeselijke reis te Dillenburg aan en dank zij de moederlijke verpleging van Juliana van Stolberg, is hij langzaam hersteld en bleef nog enkele jaren de trouwste ka-meraad van zijn broer Willem. Zoo was dan opnieuw alles in duigen gevallen. Geld had de Prins niet meer en in Duitschland kon hij niet langir blijven. De keizer Maximiliaan was eerst op zijne hand geweest. Hij werd van Luthersche neigingen verdacht, was ook diep verontwaardigd over de onthoofding van zijn jeugdvriend Eg-mond, zond gezanten naar Alva en den Prins en spond dezen toe troepen te werven, hem beschouwend als onafhankelijk vorst en niet als rebel. Ook raadde hij den Prins aan een justificatie of rechtvaardiging op te stellen als antwoord op Alva’s aanklachten (een voorspel van de latere apologie of zelfverdediging tegen Philips’ ban-bul gericht, 1580). Maar sinds keizer Maximiliaan en koning Philips, weer verzoend door een huwelijk (de keizer werd schoonvader des konings) was het voor den Prins met alle keizerlijken steun gedaan. Van Frankrijk was natuurlijk ook niets meer te verwachten. „De Prins is een dood man,” zoo luidde Alva’s oordeel. Alles, alles is voorbij. Geen land was meer veilig voor hem. Geen kasteel kon hij meer het zijne noemen. Door spionnen van Alva en door schuldeischers werd hij vervolgd. Weer denken wij aan Mozes, toen hij voor de Roode zee stond. Dwars er door heen ging hij, want God zorgde voor gebaande wegen. En het klinkt als een antwoord op Alva’s smalende opmerking, wat de Prins aan zijn broeder Jan schreef: „ik ga naar Holland, om er mijn graf te maken.” Met een ontembare veerkracht richt hij zich op, maar geen gedachte aan eigen kracht en flinkheid is er. Niemand is er meer op wien hij kan rekenen. Maar al laat de keizer hem in den steek, hij heeft met den Potentaat der Potentaten een vast verbond gemaakt. „Ik ga naar Holland.” Daar behoort hij thuis. Daar zoekt hij een graf. Holland zal een voorportaal van een beter Tehuis worden.

Den Briel heeft gewenkt. God heeft geroepen. En geheel alleen, zonder vorsten, zonder legers, zonder geld zal hij gaan. Hij heeft begrepen.

Nu is hij volgroeid en bereid tot nog zwaardere slagen. Hij zal staan als een Elia. Voor de rechten des volks zal hij pleiten (vergelijking tusschen Naboth’s wijngaard en het behoud der privileges). Maar bovenal voor het waarachtige geloof zal hij strijden (vergelijking tusschen de Baaialtaren en de brandstapels, die beide menschenoffers eischen).

Een ontzaggelijke val: page, gunsteling, raadsman des keizers en nu rebellen-leider, vogelvrij-verklaarde. Maar ook een hooge stijging: Bourgondisch hoveling, genotziek edelman en nu, op veertigjarigen leeftijd, als een ander staatsman nog aan het begin der carrière staat, vader des volks, vader des vaderlands. Hij heeft alles verloren, maar het hart van ons volk had hij gewonnen.

„Ik ga naar Holland.” En hij stapt aan wal te Enkhuizen. Nu Vader Willem er is, nu zal het wel beter gaan! Slaet op ten trommele!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1933

De Wartburg | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1933

De Wartburg | 4 Pagina's

PDF Bekijken