Bekijk het origineel

Bezit, Beheer en Administratie van de Diaconieën1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bezit, Beheer en Administratie van de Diaconieën1)

25 minuten leestijd

J. VAN ’T LAND Adm. diaken te Groningen

Het is met eenigen schroom, dat ik gevolg heb gegeven aan de uitnoodiging van de Federatie om hier een inleiding te houden, omdat het slechts twee jaar geleden is, dat ik hier eveneens achter de lessenaar stond met het onderwerp „De administratie van een groote Diaconie ”.

En die schroom werd nog vermeerderd toen het Bestuur der Federatie den titel, die eerst luidde „Beheer en Administratie”, nog uitbreidde, zoodat deze thans luidt „Bezit, Beheer en Administratie”.

Formeel juridisch ware het beter geweest om den titel aldus te formuleeren: „De bezittingen der diaconie, het beheer der diaconie-goederen en de administratie der diaconie”, doch het komt mij voor, dat ook deze titel voor ons allen voldoende duidelijk is om te weten wat bedoeld wordt.

Allereerst dan „het bezit” van onze Diaconieën.

Onwillekeurig gaan onze gedachten daarbij uit naar de z.g. rijke Diaconieën en misschien wel prijzen wij de Diaconieën gelukkig, die als zoodanig worden aangemerkt.

Is deze opvatting echter juist of rust misschien juist op die Diaconieën een extra verantwoordelijkheid, die moeilijk te dragen is?

In dit verband denk ik aan den rijken jongeling en aan de woorden van onzen Heiland: Voorwaar zeg ik U dat een rijke bezwaarlijk het Koninkrijk der Hemelen zal ingaan.

Immers geldt ook dit niet voor de beheerders van sommige rijke Diaconieën? Er zullen ook U Diaconieën bekend zijn, waar de problemen der belegging de moeilijkste zijn in de diaconale vergadering, waar de zucht tot vermeerdering van het bezit domineert boven de diaconale roeping.

Zou ook voor die Diaconieën niet gelden het woord van Jacobus : Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal U tot een getuigenis zijn?

Zulke Diaconieën zijn er, doch daarnaast is er gelukkig een groot aantal, dat in meer of mindere mate vermogend is en dat vermogen ook op de juiste wijze aanwendt.

Doch ook in die Diaconieën blijft het bezit een zeer moeilijke vraag.

Ik denk aan onze eigen Diaconie in Groningen, waar wij thans jaarlijks met een groot tekort werken. Wij kunnen dit tekort financieren uit ons kapitaal, zelfs zoo, dat wij het kunnen betalen uit batige saldi van oude jaren, doch ik vraag mij af, of dit eigenlijk wel een ideale oplossing is. Zou juist dit bezit ook in gemeenten als Groningen een rem kunnen zijn om in moeilijke tijden als deze te laten blijken, dat wij christenen zijn, die een eigen verantwoordelijkheid hebben jegens onze medebroeders en zusters in Christus?

De naam van rijk te zijn weerhoudt zoo vaak de gemeente om te geven wat noodig is, om in dezen tijd te doen wat een Diaconie zou moeten doen.

Is bezit voor een Diaconie daarom onder alle omstandigheden veroordeeld en uit den booze?

Ik geloof dat wij deze vraag ontkennend moeten beantwoorden. Alleen het legt ons diakenen zwaardere verantwoordelijkheid op, omdat wij naast de toch reeds moeilijke taak der armverzorging krijgen de zorg voor ons kapitaal en de beantwoording der vraag, of wij er goed aan doen in tijden als deze òf ons kapitaal te gebruiken voor steunverleening òf onze broeders en zusters heen te sturen zonder ondersteuning met de boodschap „wij hebben geen geld”, terwijl wij weten dat onze effecten veilig bewaard zijn bij de bank.

Ik zal deze vraag hier niet oplossen, omdat ik niet weet, of wij op deze wijze het meest nuttig effect van dit realiseeren van ons vermogen zouden hebben. Trouwens het zou ook de vraag zijn, of de Classicale Besturen in de onderscheidene gevallen dispensatie zouden geven voor de verzilvering en uitdeeling van een gedeelte van het vermogen.

De menschelijke zorg voor, wat men pleegt te noemen, een „conservatief beheer”, speelt ook hier een groote rol, doch wanneer ik denk aan de vele kapitalen, die verloren zijn gegaan in ons diaconale werk èn door slordig beheer èn door verkeerde belegging en door welke andere oorzaken ook meer, dan kunnen wij het niet anders dan betreuren, dat deze gelden geen betere bestemming hebben gekregen.

Gelukkig daarom de Diaconie, waarvan het goud en zilver niet is verroest en waarvan de roest niet is tot een getuigenis.

Hoe komt echter de Diaconie aan bezit? In hoofdzaak zijn hier twee oorzaken, n.l.:

a. die genoemd in art. 24 van het Reglement voor de Diaconieën, waarin bepaald wordt, dat legaten, erfstellingen en schenkingen van honderd gulden en daarboven rentegevend moeten worden belegd en

b. de batige saldi van de gewone inkomsten en uitgaven.

Wat het tweede punt betreft, komt het mij voor, dat wanneer de Diaconie opvolgt hetgeen in art. 7 van het Reglement voor de Diaconieën is voorgeschreven, er van batige saldi weinig sprake zal kunnen zijn, indien wij allereerst en bij voorkeur zorgen voor de arme lidmaten der gemeente en hun kinderen en dan verder ook nog onze zorg uitstrekken tot armen, die geen lidmaat zijn, indien en in zooverre de middelen daartoe strekken, waarbij dan speciaal gedacht wordt aan de zorg voor hen, die volgens het Algemeen Reglement tot de kerk behooren, dus de doopleden en de leden door geboorte.

In normale gevallen is moeilijk aan te nemen, dat de gewone ontvangsten voldoende zijn om zoowel lidmaten als doopleden en leden door geboorte te verzorgen. Integendeel, als regel zal elke Diaconie zich een grens moeten stellen, welke grens dan in verschillende Diaconieën ook verschillend wordt gesteld.

Van belang blijven dus practisch de legaten, erfstellingen en schenkingen, welke rentegevend moeten worden belegd.

Welke beleggingen komen nu in aanmerking voor de Diaconie?

Het Regl. voor de Diaconie zelve noemt in art. 21 allereerst de inschrijvingen op een der Grootboeken van de Nationale Schuld en het lijkt mij ook juist gezien, dat in het model van de rekening van inkomsten en uitgaven van de Diaconie, zooals dit is opgemaakt door de Commissie voor de Diaconale Armenzorg, deze belegging in de allereerste plaats wordt genoemd.

Het is zoon veilige belegging, vooral veilig in dien zin, dat deze inschrijvingen zelfs bij een „slordig” beheer niet kunnen wegraken. De rente wordt prompt op tijd betaald en de rentevoet zelve moge dan niet hoog zijn, toch is dit wel een belegging, waarbij de minste „ongelukken” kunnen gebeuren.

Ik geloof, dat hieraan ook te danken is de redactie van art. 21 Regl. voor de Diac., dat belegging op deze wijze mag plaats vinden zonder goedkeuring van het Classicaal Bestuur. Een bezwaar, doch misschien voor Diaconieën en kerkelijke instellingen een voordeel, is de moeilijke wijze waarop dit bezit kan worden gerealiseerd, gezien de vele papieren en de vele handteekeningen, die de administratie van het Grootboek vraagt bij overschrijving op een ander hoofd.

Naast deze wijze van belegging noemt het Reglement meerdere en zelfs de rekening van de Synodale Commissie nog meerdere en het is misschien het eenvoudigste om de wijze van belegging te volgen, die in het model van de rekening der Commissie voor de Diaconale Armenzorg wordt genoemd. De Commissie splitst de beleggingen in twee groote groepen en wel :

a. de groep van het roerend bezit, en

b. die van het onroerend bezit.

Bij de groep van het roerend bezit worden dan naast de inschrijvingen Grootboek genoemd hypotheken, effecten, schuldbekentenissen, deposito-gelden bij banken en tijdelijke belegging van kasgeld.

Wanneer een Diaconie in het algemeen zich moet verplaatsen in de rol van geldbelegger, dan gelden uiteraard ook voor haar de gewone eischen, die voor elk ander lichaam gelden en waarbij wel in eerste instantie genoemd mag worden de eisch van de verdeeling van het risico. Met dezen eisch voor oogen vormt hypotheekbezit, mits de hypotheken verleend zijn op deugdelijke basis, een aantrekkelijk bezit, al moet direct worden erkend, dat wij ons als Diaconie met de hypotheken reeds op glad ijs kunnen begeven. Zoo licht wordt door iemand, die om een groote hypotheek verlegen zit, de Diaconie aangekeken als Diaconie. Het is mij bekend, dat soms aanvragen binnenkomen gesteund of ingediend door predikanten of ouderlingen, waarbij een bedrag wordt gevraagd zelfs op tweede hypotheek, de waarde van het vaste goed verre overtreffend. Wanneer dan de schatting geschiedt door enkele broeders diakenen, die in zoo’n geval dan soms hun diaconale hart te veel laten spreken, dan is het duidelijk dat de belangen der belegging niet voldoende tot hun recht komen. Is men echter zoo gelukkig dat men de hand kan leggen op één of meer schatters, staande buiten het college van Diaconie of Kerkeraad en stelt men algemeene regelen omtrent vereischte overwaarde, rentevoet, aflossing en dergelijke, dan is ongetwijfeld het hypotheekbezit voor onze Diaconieën een alleszins welkome belegging.

Wat het effectenbezit betreft wordt de moeilijkheid grooter, tenzij men zich bepaalt tot eerste klasse staatsfondsen.

Alhoewel er ook in de betrokken colleges menschen gevonden worden, die een fijnen neus hebben op fondsengebied, wil het mij voorkomen, dat op dit terrein de eischen niet hoog genoeg kunnen worden gesteld.

Aandeelen lijken mij ten eenen male uit den booze, omdat juist in tijden van depressie, zooals wij ook thans beleven, blijken zal, dat de inkomsten zoo niet geheel, dan toch grootendeels achterwege blijven, terwijl in tijden van hoogconjunctuur, wanneer ook overigens de gewone inkomsten behoorlijk vloeien, dividenden ontvangen worden, die weliswaar zeer aantrekkelijk zijn, doch mede oorzaak, dat men zich op een te hoog niveau gaat instellen, terwijl dan in tijden als deze de nadeelen niet uitblijven. Persoonlijk ben ik altijd dankbaar, dat, toen wij eens enkele jaren geleden ter verdeeling van ons risico bij onze bank advies vroegen over den aankoop van effecten, dat advies luidde: uitsluitend Nederlandsche Werkelijke Schuld. Daarnaast wil ik echter ook direct noemen de obligaties van onze groote Hervormde instellingen, welke weliswaar minder courant zijn, doch dan ook behoorlijke revenuen waarborgen, sommige zelfs, naar ik meen, gegarandeerd door den Staat. Het komt mij voor, dat wanneer deze instellingen op gezonde financieele basis staan, tegen belegging geen bezwaar behoeft te bestaan, integendeel deze zelfs plicht is, waarbij uiteraard voor het Bestuur der Federatie een taak is weggelegd om aan te geven welke fondsen wel en welke niet voor belegging in aanmerking komen.

Wanneer ik spreek van plicht, dan denk ik uiteraard aan die instellingen, die òf met medewerking òf met volle sympathie van de Federatie en dus van onze Diaconieën in het leven zijn geroepen, omdat zij beter dan elke Diaconie afzonderlijk een deel van onze diaconale taak overnemen.

Als vierde rubriek wordt in het model van de Commissie voor de Diaconale Armenzorg genoemd de schuldbekentenis.

Er zijn Diaconieën, welke zich speciaal toeleggen op een portefeuille met schuldbekentenissen en diaconaal gezien is dit ook een vorm van steunverleening, die zeer nuttig kan werken, zoo zelfs, dat er groote Diaconieën zijn, welke een speciale afdeeling hebben opgericht in den vorm van een Diaconale Voorschotbank, die gelden uitleent onder persoonlijke borgstelling, waardoor vaak bereikt kan worden, dat menschen blijven uit handen van geldschieters, welke abnormaal hooge rente berekenen. Het komt mij voor, dat deze vorm van belegging wel speciaal bekeken moet worden uit een diaconaal oogpunt, doch dan ook, mits met beleid toegepast, goed werk kan doen. Men wachte zich er evenwel voor om bedragen uit te leenen, wanneer men niet met eenigen grond kan aannemen, dat het bedrag inderdaad terugbetaald kan worden, terwijl het eveneens verkeerd is borgen te accepteeren, welke misschien wel meelevende lidmaten der gemeente zijn, doch financieel niet in staat moeten worden geacht om de aanvaarde verplichtingen na te komen. In dat geval steune men liever op de gewone wijze.

De volgende rubriek van de rekening noemt deposito-gelden met daarnaast als zesde tijdelijk belegd kasgeld.

Wanneer een Diaconie in de noodzakelijkheid verkeert om gedurende korteren of langeren tijd gelden à deposito te plaatsen, dan zijn er uiteraard verschillende solide banken, welke een varieerende rente vergoeden. Alleen dàn zal deze belegging in aanmerking komen, wanneer de gelden om de een of andere reden tijdelijk niet belegd kunnen worden, hetzij dat men bouwof verbouwplannen heeft, welke binnenkort moeten worden uitgevoerd of andere financieele verplichtingen heeft na te komen, welke het niet loonend zouden maken om de gelden op andere wijze te beleggen. Is dit niet het geval, dan zal als regel aan een belegging op langeren termijn de voorkeur moeten worden gegeven.

Bij de volgende rubriek bezittingen uit onroerend goed worden genoemd huishuren, landpachten, opbrengst van hout- en grasgewas, erfpachten en beklemhuren.

De exploitatie van huizen door een Diaconie is in den regel geen gewenschte vorm van belegging, omdat de praktijk uitwijst, dat het onderhoud als regel veel te duur wordt. Bovendien is het voor een Diaconie moeilijk om bij wanbetaling den huurder op straat te zetten, terwijl ook de huren vaak een diaconaal tintje hebben. Men late daarom liever dezen vorm van belegging over aan particulieren of vereenigingen ter verbetering der volkshuisvesting, waardoor men zich als college allerlei bezwaren kan besparen.

Met de volgende rubriek landpachten en uiteraard ook met de daarop volgende opbrengst hout- en grasgewas is het reeds eenvoudiger, omdat dit verpachten vaak loopt over een notaris, waardoor een zuiver zakelijke verhouding wordt geschapen. Tenzij er zeer speciale omstandigheden zijn, ik denk b.v. aan kleine Hervormde gemeenten in het zuiden van ons land, waar het voor de Protestanten soms moeilijk is om geschikte landerijen in huur te krijgen en waar dus misschien de Diaconie een ander standpunt moet innemen, geve men de voorkeur aan publieke verpachting, omdat men alleen op deze wijze ontkomt aan allerlei moeilijkheden, welke ook het huizenbezit minder gewenscht maken als diaconale belegging.

Het is zoo moeilijk om de functie diakenarmverzorger en diaken-belegger te scheiden en ook voor leden der gemeente is het moeilijk om deze tweeërlei functie goed uit elkaar te houden, vooral wanneer daar bij komen persoonlijke relaties. Men moet echter hoe dan ook, zaken en philanthropie scheiden, omdat men anders zoo gauw vervalt in de liefdadigheid en zooals ik onlangs in een der Zettensche organen las, is liefdadigheid een mengsel van lieverigheid en een surrogaat van weldadigheid en aangezien het eerste uit den booze is, is ook het mengsel van die twee niet te aanvaarden.

Overigens is het bezit van onroerend goed naast inschrijvingen grootboek, hypotheken en effecten een alleszins te waardeeren bezit, vooral wanneer de verdeeling van risico als boven reeds vermeld niet uit het oog is verloren.

Er zijn kerkelijke instellingen, wier bezit uitsluitend is vastgelegd in onroerend goed. De voorafgaande jaren hebben bewezen, dat een belegging uitsluitend op deze wijze gebleken is onjuist te zijn. Vele kerkvoogdijen, pastoralia, weduwenbeurzen zagen hun inkomsten op ontstellende wijze slinken, zeer tot schade van betrokkenen.

Ik kan mij voorstellen, dat verschillende Diaconieën de voorkeur geven aan deze wijze van belegging, vooral ook, omdat men als diakenen van een landelijke gemeente beter kan oordeelen over de waarde van landerijen dan over objecten, waarmee men misschien niet dagelijks heeft te maken.

Ontvreemding van dit bezit kan ook niet zoo licht plaats hebben als met effecten en ook uit dien hoofde zal vaak ten gunste van onroerend goed zijn beslist. Men wachte zich evenwel voor het vastleggen op deze wijze van een te groot gedeelte van het diaconaal vermogen.

Ten slotte worden onder deze rubriek nog genoemd erfpachten en beklemhuren, waarvan de laatste rubriek wel een specifiek Groningsch verschijnsel en daar een geliefkoosde belegging is. Persoonlijk sta ik eenigszins sceptisch tegenover deze beklemhuren, doch dat komt misschien, omdat ik geen geboren Groninger ben. Belegging van het diaconaal vermogen in deze soort bezittingen komt mij minder gewenscht voor, omdat er onder de andere soorten beleggingen wel betere zijn, die m.i. eerder in aanmerking behooren te komen.

Ten slotte kan de Diaconie nog verschillende andere zaken bezitten, doch ik geloof, dat die andere bezittingen thans geen punt van bespreking vormen. Immers een Diaconie kan een tehuis voor ouden van dagen bezitten, een weeshuis en dergelijke, alle zaken van uitnemend diaconaal belang, doch wanneer ik de bedoeling van het Bestuur der Federatie goed heb begrepen, dan verwacht men een inleiding van de verschillende soorten rentegevende beleggingen, welke voor onze Diaconieën in aanmerking komen, opdat zich aan de hand van die inleiding een discussie kan ontspinnen, welke uiteraard meer waarde heeft dan deze inleiding zelve, welke toch enkel als doel mag hebben het aanstippen van mogelijkheden voor een daaropvolgende bespreking.

Wat nu het beheer en de administratie betreft, geloof ik dat het het eenvoudigste is om deze te samen te bespreken, omdat zij zoo nauw met elkaar verbandhouden.

Aan welke eischen moeten nu het beheer en de administratie voldoen?

Het komt mij voor, dat hier allereerst van toepassing is het devies van onze Synode: „Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden”, doch daarnaast moet dan ook direct de eisch worden gesteld, voor wat de administratie betreft, dat zij eenvoudig moet zijn.

Zooals ik boven reeds zei, heeft de Commissie voor de Diaconale Armenzorg op dit gebied reeds het noodige gepresteerd, doordat zij heeft uitgegeven verschillende modellen en wel om te beginnen diverse modellen voor een ligger van de Diaconiegoederen.

Wat den ligger betreft, naast de blanco pagina’s zijn er vier modellen ontworpen, n.l. een model voor de inschrijving grootboek, voor het hypotheekbezit, het effectenbezit en een model voor vast goed.

Deze modellen spreken eigenlijk voor zich zelf. Bij nauwkeurige invulling kunnen er haast geen vergissingen worden gemaakt.

Dat bij de „Inschrijving Grootboek” een hoofd van inschrijving wordt genomen, is van belang, omdat vooral bij oudere inschrijvingen wel eens tenaamstellingen voorkomen, welke thans min of meer in onbruik zijn geraakt, vandaar dat het gewenscht is voor elke inschrijving te weten, hoe de tenaamstelling precies luidt.

Bij het modelblad voor hypotheekbezit is de noodige ruimte gelaten voor aanteekeningen omtrent rentevoet en aflossingen, welke wijzigingen uiteraard steeds behoeven de handteekening van praeses en scriba van den kerkeraad, c.q. voorzitter en secretaris van de Diaconie.

Het model voor het effectenbezit is ook al weer zoo eenvoudig mogelijk gehouden. Zeer juist is het gezien, dat hierbij tevens ruimte is gelaten voor den datum van deponeering in open bewaargeving bij de Ned. Bank, zooals het Reglement voor de Diaconieën voorschrijft. Immers art. 21 bepaalt onder anderen, dat het Classicaal Bestuur aan de goedkeuring om de gelden op andere wijze te beleggen dan door inschrijving op een der grootboeken de voorwaarde verbindt, dat de geldswaardige papieren in open bewaargeving worden gegeven bij de Ned. Bank.

Niet genoeg kan aan deze bepaling de hand worden gehouden, omdat in vele gevallen van argeloosheid, verzuim of kwade trouw blijkt, dat aan deze bepaling niet de hand werd gehouden. Het komt mij voor, gezien de redactie van art. 17 van het Reglement voor de Diaconieën, dat diakenen in dat geval, ieder voor zooveel hem aangaat, aansprakelijk zijn voor elk nadeel en verlies hieruit voortspruitende.

Ten slotte het model voor het’vaste goed.

Ook dit model is eenvoudig, maar volledig.

Zooals onder aan den voet van elk modelblad is vermeld, dient voor elke inschrijving, voor elke hypotheek, voor elk effect en voor elk kadastraal perceel een pagina te worden gereserveerd, zoodat bij verkoop of aflossing direct het geheele bezit kan worden afgeschreven, waarvoor op elk model de noodige ruimte is gelaten.

Dat het noodig is om een goeden ligger te hebben, als basis voor administratie en ter contrôle op een richtig beheer, ligt voor de hand, omdat het beheer en de administratie, zooals de Commissie schrijft, nooit nauwkeurig genoeg kan geschieden, omdat het gaat over aan ons toevertrouwde goederen en gelden, waarvan wij slechts beheerders zijn en waarover men ons ieder oogenblik ter verantwoording kan roepen, daarnaast evenwel memoreert de Commissie in haar begeleidend schrijven, dat ook nog andere motieven haar genoopt hebben om met modellen voor een ligger te komen, n.l. omdat wij binnenkort verwachten kunnen een inschrijvingsbiljet voor de belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand.

Onder deze wet vallen ook de Diaconieën, met dien verstande, dat bij de berekening van het zuiver vermogen buiten aanmerking blijven o.a. de inrichtingen van weldadigheid van een instelling als bedoeld in art. 2 der Armenwet, voor zooveel de armverzorging binnen die inrichting plaats vindt, terwijl verder buiten het zuiver vermogen blijft de waarde of een evenredig deel van elk geheel van bezittingen, dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

1. Dat het beheer van het kapitaal wordt gevoerd onder behoorlijk toezicht van anderen dan de beheerders, terwijl

2. de zuivere opbrengst geacht moet worden bestemd te zijn ten bate van de inrichting van weldadigheid of wel ten bate van armenzorg buiten stichtingen.

Een Diaconie, welke dus jaarlijks met een tekort werkt, zal volgens de wet geheel kunnen worden vrijgesteld, terwijl, indien niet het volle bedrag der revenuen wordt gebruikt, men wordt aangeslagen voor een evenredig deel van het diaconaal vermogen. De waardeering van de vermo-gensbestanddeelen geschiedt overeenkomstig art. 7 van de wet op de vermogensbelasting. Ook voor deze aangifte zal dus de ligger onmisbaar zijn.

Aan de hand van den ligger zal thans op eenvoudige wijze kunnen worden nagegaan, wat moet worden ontvangen en het model van het kasboek, eveneens uitgave van de Commissie voor Diaconale Armenzorg, geeft direct aan op welke wijze de boekingen moeten plaats hebben.

Ik heb hier de vorige maal betoogd, dat een goede administratie geen confectie mag zijn, waarbij ik uiteraard, gezien den titel van mijn inleiding, het oog had op de administratie van een groote Diaconie. Het meerendeel der Diaconieën evenwel zal met het kasboek van de Commissie zeer goed kunnen volstaan, evengoed als ook door het meerendeel der menschen confectie kan worden gedragen. Als zoodanig is dus dit kasboek een welkome aanvulling op den ligger, of beter misschien de ligger een welkome aanvulling op het kasboek.

Bij dit kasboek is uitgegaan van de gedachte, dat er is één totaal-kolom, waarin de beschikbare kasmiddelen worden verantwoord, in casu dus de kasontvangsten en -uitgaven, de giro-ontvangsten en -uitgaven en eventueel de bankontvangsten en -uitgaven. Het totaal van het aanwezige kasgeld vermeerderd met het saldo van den Postcheque- en Girodienst en vermeerderd met het saldo van de Rekening-courant moet dus overeenstemmen met het saldo van de ontvangsten en uitgaven te trekken uit het kasboek. Komen daarentegen veel bank- en giroposten voor, dan zal men het terrein der confectie moeten verlaten en een kasboek moeten aanleggen, waarin een aparte kolom voor kas, bank en giro is ingericht.

Heeft men een diaconaal vermogen, dan is een postrekening en in voorkomende gevallen ook een bankrekening zeer gewenscht, omdat men dan de rente der effecten in open bewaargeving bij de Ned. Bank prompt op tijd op zijn giro krijgt toegezonden, evenals zoo iets kan geschieden met de rente van de grootboekinschrijvingen, terwijl wij in Groningen zoo ver zijn gegaan, dat ook de hypotheekrente uitsluitend wordt gestort op de bankrekening of op de rekening bij den Postcheque- en Girodienst. Practisch loopen al onze ontvangsten en uitgaven behalve dan natuurlijk de zuiver diaconale uitgaven, over de bank en de giro. Dit is een heel gemak voor den betrokken Administreerend Diaken, terwijl het naar buiten een prettigen zakelijken indruk vestigt.

Is het bezit aan effecten, hypotheken en dergelijke groot, dan zal het gewenscht zijn nog een apart recapitulatie-register aan te leggen, waarin op overzichtelijke wijze kan blijken, of alle revenuen uit het bezit voortvloeiende, zijn verantwoord, terwijl dit bij een vermogen van geringen omvang uiteraard direct van den ligger in het kasboek kan worden gecontroleerd.

De overige kolommen van het kasboek spreken eigenlijk voor zich zelf.

Er is een aparte kolom voor kerkcollecten en voor andere collecten en voor alle andere gewone ontvangsten, terwijl ten slotte naast de diversenkolom nog een kolom is uitgetrokken voor buitengewone ontvangsten.

De uitgaafzijde van het kasboek is eveneens op eenvoudige leest geschoeid. Wanneer men het verschil voelt tusschen uitgaven van onderhoud van vaste eigendommen en tusschen uitgaven van beheer en administratie, dan behoeft de invulling van deze kolommen geen zorg te baren.

Wat betreft de ondersteuning, men maakt hier nog onderscheid tusschen ondersteuning in geld en in natura, een onderscheid dat voor mijn gevoel nooit erg prettig aandoet, omdat ondersteuning in natura vaak wijst op verkeerde omstandigheden. De uitgaven voor gestichtsverpleging van ouden van dagen en weezen worden in een afzonderlijke kolom verantwoord, terwijl er nog een kolom is „andere gewone uitgaven” voor onderbrenging van al die exploitatie-uitgaven, welke niet onder een der vorige rubrieken thuis behooren. Ten slotte een kolom voor „buitengewone uitgaven” en een diversenkolom.

Het komt mij voor, dat dit niet veel eenvoudiger kan, tenzij men zijn toevlucht wil nemen tot de vaak gewraakte kleine zakboekjes of andere schriftjes, doch wanneer men werkelijk een rekening wil opzetten, die een behoorlijk overzicht geeft en men ook gevolg moet geven aan de eischen van het Bureau voor Statistiek, dan is men wel verplicht om althans met dit minimum te volstaan.

Een belangrijk onderdeel van dit kasboek is het ondersteuningsboek. Hierin worden wekelijks de bedragen verantwoord, welke aan onderstand worden uitgegeven, terwijl de totaal-cijfers van elke kolom verantwoord moeten worden in het kasboek. Het is duidelijk, dat men door inlassching van dit ondersteuningsboek voorkomt, dat verschillende gegevens openbaar worden, wanneer derden inzage krijgen in het kasboek, terwijl verder, indien alle ondersteuningen wekelijks in het kasboek zouden moeten worden opgenomen, de uitgaafzijde een geweldige uitbreiding zou moeten ondergaan.

Aansluitend aan dit kasboek heeft de Commissie nog uitgegeven een model van rekening, waarbij een belangrijke verbetering is te constateeren met het oude model, omdat thans een zeer strenge splitsing is doorgevoerd tusschen de gewone ontvangsten en uitgaven, een splitsing waarop niet genoeg kan worden aangedrongen.

De rubriek van gewone ontvangsten en uitgaven sluit rechtstreeks aan bij de kolommen van het kasboek, zoodat de invulling van deze rekening bij een richtig gevoerde kasadministratie weinig moeite behoeft te geven. Alleen zal het de eerste keer bezwaarlijk zijn om het saldo, dat wil dus zeggen de aanwezige kasmiddelen, waaronder begrepen het saldo van de rekeningcourant en den Postcheque- en Girodienst, te splitsen in het saldo voor den gewonen dienst en den buitengewonen dienst. Wanneer er echter een batig saldo is en deze splitsing is niet aan te brengen, dan zou ik er de voorkeur aan geven dit batig saldo te boeken onder de buitengewone ontvangsten, waardoor het dus niet meer beschikbaar is voor uitdeeling. Een voordeel van deze rekening is nog, dat de rubriek-indeeling aansluit bij de tabel voor de statistiek, welke elk jaar aan de Diaconieën wordt toegezonden en waarvan de invulling soms heel wat voeten in de aarde heeft. Het gebruik van deze rekening zou er ook toe kunnen leiden, dat deze opgaven voortaan heel wat vlotter tot stand kunnen komen.

De kapitaaldienst zal bij veel mutaties misschien iets meer werk vragen, omdat hiervoor in het kasboek slechts één kolom in ontvang en één kolom in de uitgaaf is uitgetrokken, doch het aantal wijzigingen is in den regel niet van dien aard, dat dit een bezwaar behoeft op te leveren.

Als slot is bij deze rekening opgenomen een serie verklaringen.

Allereerst de goedkeuring van het college van diakenen zelve, de goedkeuring der rekening door den Kerkeraad en ten slotte een verklaring van de officieele sluiting der rekening ten overstaan van de gemeente. Deze verklaringen zijn van belang, omdat, wanneer de gemeente zich wenscht te overtuigen van den stand der rekening, zij bij de ter-inzage-legging kan zien, dat de betrokken instanties zich terdege vergewist hebben, dat alles in orde is, terwijl ook deze verklaringen van nut kunnen zijn met het oog op de belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand. Immers voor vrijstelling wordt vereischt, dat het beheer wordt gevoerd onder behoorlijk toezicht van anderen dan beheerders, terwijl art. 8 voorschrijft, dat met de aangifte een gewaarmerkt afschrift van de balans of van de daarvoor in de plaats tredende rekening, welke met die aangifte verband houdt, wordt ingeleverd. Ook dus al zou, op grond van het feit dat de geheele zuivere opbrengst noodig is voor uitgaaf van armenzorg, zoodat het geheele vermogen buiten aanmerking blijft, de Diaconie geen belasting behoeven te betalen, dan nog zal ter staving van de aangifte de balans, of in dit geval de rekening, moeten worden ingeleverd, waaruit een en ander blijkt.

Wenschelijk zou het evenwel zijn om aan de rubriek van deze verklaringen met het oog op de nieuwe wet nog een verklaring toe te voegen en wel voor het geval, waarin Kerkeraad en Diaconie één college vormen en dus het beheer niet wordt gevoerd onder behoorlijk toezicht van andeten dan de beheerders, tenzij de fiscus als zoodanig aanmerkt het toezicht van het Classicaal Bestuur. Het komt mij evenwel voor dat het Classicaal Bestuur moeilijk dat behoorlijk toezicht zal kunnen uitoefenen als de wet verlangt en in geen geval bereid zal zijn een verklaring in te zenden als bedoeld in art. 10 der nieuwe wet en daarvoor zou riskeeren gevangenisstraf of geldboete.

De eenige juiste oplossing zal dan ook zijn verwezenlijking van het ideaal, genoemd in een der vorige nummers van „Diakonia”, oprichting van een Centraal Bureau voor verificatie van Diaconieën. Het moge der Federatie gegeven zijn, dat zij dit ideaal spoedig bereike, opdat op deze wijze ook het practisch nut van de Federatie zoo mogelijk nog meer tot zijn recht komt dan thans reeds het geval is.

Dan ook zal het ideaal: „alle Diaconieën lid van de Federatie” spoedig worden bereikt.


1) Referaat gehouden op de Conferentie te Lunteren op 17 Juli 1934.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1934

Diakonia | 20 Pagina's

Bezit, Beheer en Administratie van de Diaconieën1)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1934

Diakonia | 20 Pagina's

PDF Bekijken