Bekijk het origineel

Pachtwet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pachtwet

12 minuten leestijd

1 November 1940 is in het zicht. Dan zijn verlopen de 2 jaren, waarop artikel 62 van de Pachtwet doelt.

De artikelen van genoemde wet. welke op genoemde datum van groot belang worden, zijn:

Artikel 62:

„De rechten en verplichtingen, voort„spruitende uit pachtovereenkomsten, welke „van kracht zijn op het tijdstip van het in „werking treden van deze wet, blijven door „het oude recht beheerscht,

„indien zij op 1 Januari 1936 nog niet van „kracht waren, of op dien datum reeds van „kracht waren, terwijl zij voor onbepaalden „tijd waren aangegaan;

„gedurende twee jaren na dat in werking „treden,

„indien zij op 1 Januari 1936 reeds van

„kracht waren, terwijl zij voor bepaalden „tijd waren aangegaan:

„gedurende dezen tijd. doch uiterlijk tot „1 Januari 1943.

Artikel 63:

„De in het vorig artikel bedoelde pacht-„overeenkomsten, welke na het tijdstip, „waarop het nieuwe recht op de uit haar „voortvloeiende rechten en verplichtingen „toepasselijk wordt, nog voortbestaan, wor-„den voor de toepassing van deze wet ge„acht op dat tijdstip te zijn aangegaan, even-„wel met dien verstande. dat de jaren, ge-„durende welke zij vóór dien reeds hebben „bestaan, voor de toepassing van artikel 38 „mede in aanmerking komen tot een maxi-„mum van tien jaren.”

De belanghebbende diaconieën hebben dus ter toetsing met betrekking tot artikel 7 van de Pachtwet in te zenden aan de bevoegde Pachtkamer of het betrokken Pachtbureau, zo door een hunner nog geen kennis ervan genomen is, op of na 1, doch in elk geval vóór 8 November 1940:

a. alle op 1 November 1940 nog voor onbepaalde tijd lopende pachtovereenkomsten, waarbij het geheel onverschillig is, wanneer zij zijn aangegaan.

en

b. de op gemelde datum nog lopende en na 1 Januari 1936 voor bepaalde tijd aangegane pachtovereenkomsten.

In een aanschrijving van het Ministerie van Financiën, dd. 6 Augustus 1940, afdeling indirecte belastingen no. 102 is o.m. opgenomen:

„In verband met de bepalingen van arti-„kel 62 der Pachtwet zullen omstreeks 1 No-„vember 1940 en 1 Januari 1943 verschil-„lende afschriften van pachtovereenkom-„sten, welke op 1 November 1938 reeds van „kracht waren, aan de Pachtkamer moeten „worden ingezonden.

„Dienaangaande heb ik de eer U het na-„volgende mede te deelen:

„Is de oorspronkelijke overeenkomst bij „notariëele akte geconstateerd, dan is het „aan de Pachtkamer in te zenden afschrift „(onverschillig of dit door een notaris of „door partijen wordt opgemaakt) vrij van „zegel, zoowel op grond van artikel 57, lid „1, letter e, als op grond van artikel 1 1, lid 4, „der Zegelwet.

„Is de oorspronkelijke overeenkomst bij „onderhandsche akte geconstateerd, dan is „ingevolge de uitdrukkelijke bepaling van „artikel 56b der Zegelwet voor het aan de „Pachtkamer in te zenden afschrift evenre-„dig zegelrecht verschuldigd. Het is daarbij „onverschillig of dit afschrift door partijen „dan wel door een notaris (eopie collation-„née) wordt opgemaakt. (N.B. de vraag of „met de inzending van een copie collation-„née aan den eisch van artikel 7 der Pacht-„wet is voldaan staat uiteraard niet te mij-„ner beoordeeling, doch ter beoordeeling „van den Pacht rechter). Ik machtig de Ont„vangers der registratie om namens mij „kwijtschelding te verleenen van het in te „zenden afschrift verschuldigde zegelrecht, „indien hun de van de oorspronkelijke huur„overeenkomst opgemaakte behoorlijk geze-„gelde akte wordt vertoond.

„Ia van de oorspronkelijke overeenkomst „geen akte opgemaakt, dan zullen partijen „in het algemeen alsnog een akte opmaken. „Geschiedt dit notarieel, dan is de notari-„ëele akte aan huurzcgel onderworpen en „bestaal voor de benoodigde afschriften vrij-„stolling van zegelrecht. Geschiedt het on-„dershands, dan zullen, omdat niet aan de „eischen van artikel 56b. lid 2, en van arti-„kel 57. lid 1. letter b. der Zegelwet kan „worden voldaan, alle exemplaren der akte „en het aan de Pachtkamer in te zenden af„schrift aan evenredig zegelrecht onderwor-„pen zijn. Ik machtig de Ontvangers der re-„gistratie om namens mij kwijtschelding te „verleenen van het evenredig zegelrecht op „één exemplaar van de akte bestemd voor „den verpachter of de verpachters, een „exemplaar voor elk der borgen, mits alle „exemplaren, waarvoor kwijtschelding wordt „verlangd, gelijktijdig met het behoorlijk ge-„zegelde voor de Pachtkamer bestemde af„schrift aan den Ontvanger worden aange-„boden.

„Οp de stukken, waarvoor het verschul-„digde zegelrecht wordt kwijtgescholden, „stelt de Ontvanger een onderteekende aan-„teekening luidende: „Van het op dit stuk „verschuldigde zegelrecht is kwijtschelding „verleend, krachtens missive van het Depar„tement van Financiën dd. 6 Augustus 1 94C. „No. 102. De Ontvanger.”

„Is de van de oorspronkelijke overeen-„komst opgemaakte akte nog niet geregis„treerd, dan wordt de kwijtschelding alleen „verleend, indien de akte (eventueel de „meerdere exemplaren) met het aan de „pachtkamer in te zenden afschrift, ter regi-„stratie wordt aangeboden. De formaliteit „wordt gratis verleend, ook indien de akte „ouder is dan drie maanden.

„Ten overvloede zij aangeteekend, dat, „indien partijen geen afschrift’ der akte aan „de pachtkamer inzenden, doch de tusschen-„komst van een pachtbureau inroepen, zij op „grond van artikel 11. lid 4, der Zegelwet „een ongezegeld afschrift der akte aan het „pachtbureau ter beoordeeling kunnen voor-„leggen.”

1 November 1940 is van geen betekenis voor die pachtovereenkomsten, welke op 1 januari 1 936 reeds van kracht waren, terwijl zij voor een bepaalde tijd waren aangegaan.

De rechten en verplichtingen, voortspruitende uit die overeenkomsten, blijven door het oude recht, zoals dat neergelegd is in de betrekkelijke artikelen van het Burgerlijk Wetboek, beheerst gedurende de tijd, waarvoor die overeenkomsten zijn aangegaan, doch uiterlijk tot 1 Januari 1943.

Hieronder zijn natuurlijk ook begrepen mondeling aangegane pachtovereenkomsten.

Bij eventueel geschil tussen partijen zal bewijs moeten geleverd worden, dat bedoelde overeenkomsten op 1 Januari 1936 reeds van kracht waren alsmede omtrent de tijdsduur, voor welke zij zijn aangegaan.

Wellicht ware in overweging te nemen ter vermijding van soms later moeilijk bij te brengen bewijs alsnog door partijen zo spoedig mogelijk schriftelijk te doen constateren het aangegaan zijn van die overeenkomsten onder vermelding van de datum, waarop, en de duur derzelven alsmede van alles, wat destijds mondeling tussen partijen met betrekking tot die overeenkomsten is gecon-veniëerd.

Alle pachtovereenkomsten, welke na 1 Januari 1936 mondeling zijn aangegaan, zijn na 31 October 1940 nietig, onverschillig of daarbij al of niet sprake is van een bepaalde tijd.

Of een schriftelijk aangegane pachtovereenkomst al of niet eindigt vóór 1 November 1940 hangt geheel af van haar redactie.

Bovenstaand is duidelijk aangegeven, hoe een en ander bij de bevoegde Pachtkamer of ht betrokken Pachtbureau ter toetsing kan aanhangig gemaakt worden.

Men gelieve wel te bedenken, dat de instantie, welke de toetsing moet verrichten, het door haar ontvangen exemplaar van de betrekkelijke pachtovereenkomst behoudt en nimmer daarvan een afschrift doet gereed maken.

Het beheerst blijven door het oude recht wil alleen zeggen, dat de betrekkelijke bepalingen, zoals deze waren neergelegd in de artikelen 1624 tot en met 1636 van het Burgerlijk Wetboek, toepasselijk blijven op de pachtovereenkomsten, welke vóór of uiterlijk op 1 Januari 1936 waren aangegaan voor bepaalde tijd, gedurende de tijdsduur, in de overeenkomsten tot uitdrukking gebracht, doch uiterlijk tot 1 Januari 1943. Dit is dus materiëel recht.

Wat het formele recht betreft, geldt de Pachtwet.

Teneinde opdrijving van pachtprijzen tegen te gaan is er een besluit van de secretarissen-generaal van de departementen van landbouw en visserij en van justitie uitgevaardigd, zoals dit in het Verordeningenblad no. 19 is neergelegd en waarvan de redactie is als volgt:

Artikel 1.

Dit besluit verstaat onder „Pachtprijs”: het geheel van de door den pachter bij of ter zake van een pachtovereenkomst op zich genomen verplichtingen.

Verkoopingen van gras op stam en hooilandverpachtingen worden voor de toepassing van dit besluit als verpachtingen beschouwd.

Artikel 2.

Het is verboden een pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging of aanvulling van een pachtovereenkomst te sluiten, indien de bedongen pachtprijs hooger is dan die, welke voor het verpachte gold op 1 September 1939.

Het voorgaande geldt niet, indien in een bijzonder geval de Secretaris-Generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij, in overeenstemming met het bevoegde pachtbureau, een verklaring heeft afgegeven, dat bij hem tegen de verhooging geen bezwaar bestaat.

Artikel 3.

Een pachtprijs, welke in strijd met het bepaalde in artikel 2 is vastgesteld, wordt als buitensporig in den zin van de Pachtwet beschouwd.

Indien een overeenkomst in strijd met het bepaalde in artikel 2 is gesloten, is de pachter niet gehouden den pachtprijs te betalen, terwijl hij ook overigens tot geen enkele vergoeding gehouden is.

Het vorig lid is niet van toepassing, indien partijen hebben toegestemd in de door den rechter noodig geoordeelde wijzigingen.

Artikel 4.

Indien het verpachte in oppervlakte niet met het op 1 September 1939 verpachte overeenstemt, berekent de rechter, zoo noodig, den pachtprijs, die geacht moet worden op 1 September 1939 voor het verpachte te hebben gegolden.

Artikel 5.

Wijziging van de pachtvoorwaarden ingevolge artikel 32, lid 1, van de Pachtwet kan slechts geschieden, indien de pachtprijs daardoor niet hooger wordt dan die, welke op 1 September 1939 voor het verpachte gold, tenzij in een bijzonder geval de Secretaris-Generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij een verklaring heeft afgegeven, dat bij hem tegen de verhooging geen bezwaar bestaat.

Artikel 6.

Het is verboden openbare verpachtingen te houden.

Artikel 7.

Indien een overeenkomst in strijd met het bepaalde in artikel 6 is gesloten, is de pachter niet gehouden den pachtprijs te betalen, terwijl hij ook overigens tot geen enkele vergoeding gehouden is.

De rechter, wien blijkt, dat dit artikel op een pachtovereenkomst van toepassing is, doet hiervan schriftelijk mededeeling aan beide partijen. In deze mededeeling wordt mede de tekst van de artikelen 6 en 7 vermeld.

Artikel 8.

De verpachter, die overeenkomstig artikel 7, lid 1, of artikel 11, lid 1, van de Pachtwet een afschrift van een overeenkomst aan den in pachtzaken bevoegden rechter inzendt, is verplicht hierbij over te leggen:

1. een afschrift van de pachtovereenkomst, die op 1 September 1939 voor het verpachte gold, of — zoo hij daartoe niet in staat is —

2. een verklaring nopens het persoonlijk of zakelijk recht, krachtens hetwelk het verpachte op dien datum werd gebruikt en — zoo dit niet het recht van eigendom was — nopens de voorwaarden, voor zoover hem hekend, waaronder dit recht werd uitgeoefend.

De ingevolge dit artikel overgelegde stukken dienen door den verpachter te zijn onderteekend en zijn vrij van zegel.

Artikel 9.

In afwijking in zooverre van het bepaalde in artikel 9 of artikel 11. lid 1, van de Pachtwet is de pachter niet gehouden den pachtprijs te betalen, terwijl hij ook overigens tot geen enkele vergoeding gehouden is, indien door den verpachter niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 7, lid 1, of artikel 11. lid 1, van de Pachtwet en artikel 8 van dit besluit.

Dit gevolg treedt niet in. als het niet-nakomen der verplichting te wijten is aan een omstandigheid welke den verpachter niet kan worden toegerekend en deze, nadat de omstandigheid heeft opgehouden te bestaan, onverwijld alsnog aan zijn verplichting voldoet.

Artikel 10.

De pachter is gerechtigd terug te vorderen, hetgeen hij onverschuldigd heeft voldaan.

Artikel 11.

Indien ingevolge dit besluit geen pachtprijs is verschuldigd, kan de verpachter den in pachtzaken bevoegden rechter of het pachtbureau verzoeken, een lagen pachtprijs vast te stellen. Te rekenen van den dag van vaststelling is deze door den pachter verschuldigd. De vaststelling geschiedt niet dan nadat de pachter is gehoord, althans behoorlijk is opgeroepen.

Artikel 12.

Indien de pachtprijs krachtens een rechtsgeldig beding van een pachtovereenkomst door een derde, niet zijnde een pachtbureau, is vastgesteld of gewijzigd, wordt deze vaststelling of wijziging geacht een wijziging of aanvulling van de pachtovereenkomst te zijn; het krachtens artikel 7, lid 1, of artikel 11, lid 1 van de Pachtwet in te zenden afschrift behoeft slechts door den verpachter te worden onderteekend.

Artikel 13.

De verpachter wordt geacht aan het bepaalde in artikel 7, lid 1, of artikel 11, lid 1, van de Pachtwet en artikel 8 van dit besluit te hebben voldaan, indien hij binnen 8 dagen na het aangaan van de overeenkomst aan het bevoegde pachtbureau de stukken in bovengenoemde artikelen bedoeld, heeft doen toekomen.

Artikel 14.

Een pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging of aanvulling van een pachtovereenkomst, waarvan het pachtbureau de goedkeuring heeft geweigerd, is van rechtswege nietig.

Artikel 15.

De Secretaris-Generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij is bevoegd maatregelen te nemen ter uitvoering van dit besluit.

Artikel 16.

Hij die ter zake van of in verband met een pachtverhouding eenig ongeoorloofd voordeel bedingt of aanneemt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste vijf duizend gulden.

Onder ongeoorloofd voordeel wordt verstaan ieder voordeel, niet bedongen of aangenomen:

hetzij door of ten behoeve van den verpachter krachtens een pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging of aanvulling van een pachtovereenkomst, ten aanzien waarvan zijn in acht genomen voor zoover deze voorschriften op de overeenkomst van toepassing zijn. de voorschriften, opgenomen in de artikelen 7, lid 1 en 11, lid 1. van de Pachtwet en in de artikelen 2. 6 en 8 van dit besluit:

hetzij door of ten behoeve van den pachter.

Onder voordeel wordt niet begrepen een redelijke vergoeding voor verrichte diensten.

Het strafbare feit wordt beschouwd als een overtreding.

Artikel 17.

Dit besluit treedt in werking op den dag van zijn afkondiging.

Artikel 18.

Dit besluit wordt aangehaald onder den titel „Pachtprijs opdrijvingsbesluit 1940”.

’s-Gravenhage, 10 Augustus 1940.”

Vorenbedoeld besluit is al in werking.

Voor zover en zoveel nodig wordt op een en ander nog nader teruggekomen.

Rotterdam. N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1940

Diakonia | 20 Pagina's

Pachtwet

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1940

Diakonia | 20 Pagina's

PDF Bekijken