Bekijk het origineel

Het onmaatschappelijk gezin

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het onmaatschappelijk gezin

11 minuten leestijd

Tijdens de jongste diaconale zomerconferentie op „Woudschoten” hield Mej. Dr A. van der Torre een inleiding over „het onmaatschappelijk gezin”.

Enkeling. Gezin en Samenleving.

Het maatschappelijk werk is. door de zich steeds wijzigende maatschappelijke situaties en de zich wijzigende visies betreffende de benadering van de sociale problematiek, sterk in beweging. Ook diaconale arbeid wil zich naar de nieuwe eisen en noden oriënteren en bezint zich op vorm en inhoud, om efficiënter, doelmatiger hulp te bieden en tegelijk zich wezenlijk als caritas te realiseren.

Een van de problemen die door het zich verdiepende inzicht op de mens in zijn samenhang met zijn milieu èn door de zich wijzigende maatschappelijke structuur voor het voetlicht is gekomen, is dat van het maatschappelijk onaangepaste gezin. Richtte men zich vroeger meer naar de enkeling, die men bij diagnose en therapie meer geïsoleerd bezag, in de laatste tijd wordt meer rekening gehouden met de organische samenhang van de enkeling met zijn eerste milieu: het gezin. En ook hierbij kan men niet blijven staan. Want zoals de enkeling met de verschillende facetten van zijn persoonlijkheid bij het gezinsleven betrokken is, hangt ook het gezin met zijn verschillende facetten saam met het omringende leven en ondergaat het maatschappelijk klimaat waarin het leeft, zodat we aandacht hebben te schenken aan de maatschappelijke omstandigheden en krachten die op het gezinsleven inwerken.

Een verdrongen probleem.

Het onmaatschappelijk gezin vormt een probleem dat we als „burgers” van het kerkelijk en maatschappelijk leven lang verdrongen hebben. „Ergens” in de achterbuurten, in de krotten op het veld, bestond het. Wanneer door kerk en overheid materiële steun was uitgekeerd, kon men verder leven alsof het er niet was. De politie hield op haar posten aan de grens van de gebieden waar de onmaatschappelijken samenhokten wel een oogje in het zeil, ter beveiliging van de goede burgerij. Zij, die zich met jeugd- en ander groepswerk in de verpauperde bevolkingslaag bezighielden, hebben bij verder doorstoten wel telkens weer het onaangepaste gezin ontmoet als de zieke kern die de bodem voor vruchtbaar groepswerk ondergroef, maar het inzicht in de beinvloedende factoren en het apparaat voor een meer complexe aanpak ontbrak. Misschien is hier en daar de diaken er noy het dichtst bij blijven staan, maar zonder verwachting, omdat hij wel ervaren had dat financiële steun plus een bijbelwoord geen verandering brachten.

Het zijn crisistoestanden, zoals bij economische stagnatie, oorlog, die de zorg voor deze gezinnen acuut maakten en aan ons opdrongen. En nu de ogen eenmaal voor dit probleem geopend werden, zijn we de hulp ook als een verplichting gaan voelen, om de mèns die in zijn menswaarde devalueerde en om het gemeenschapsleven dat door hun parasitaire houding werd aangetast.

In het kader van de sociale planning voor hulp aan de achtergebleven gebieden, bij industrialisatie en krotopruiming, zien we recente pogingen om het vraagstuk van de hierbij onontkoombaar opduikende zwak-sociale bevolkingsgroepen tot een oplossing te brengen.

Tegelijk zien we ook de kerk in haar functie-uitbreiding opengaan naar een veelzijdige benadering van haar opgaven, ook van die, welke het gezinsleven betreffen, en daarmee zich ook wenden lot dat gezin, dat, zoals Dr Litjens het formuleert, tengevolge van een vervaltoestand in ernstige mate leeft beneden het niveau dat in onze maatschappij als redelijk en noodzakelijk wordt beschouwd.

Waardoor in verval?

Over de oorzaak van deze zwakke plekken in de samenleving heeft men verschillende opvattingen gehad. Men heeft lang gehandeld alsof de oorzaak in het economisch tekort lag, waardoor men, ook in het diakonaat, teveel bij louter materiële steun bleef staan. Er kwam ook een periode waarin men de oorzaak voornamelijk in de gebrekkige huisvesting zag en de oplossing zocht in het toewijzen van een nieuwe woning, waardoor het vraagstuk tot een aangelegenheid van volkshuisvesting werd gemaakt. Een andere richting zocht de oorzaak van de onmaatschappelijkheid alleen in psychische en karakterologische onvolwaardigheid, waardoor de aanpak louter een taak van geestelijke volksgezondheid scheen.

Steeds meer echter is men gaan zien hoe complex de ontstaanswijze is, hoe verweven de inwendige en uitwendige oorzaken zijn. Daarbij is men vooral ook gaan opmerken, dat de gezinsaanpassing bij een zwakke psychische structuur daar mislukken zal, waar een bepaald cultuurniveau, een bepaalde maatschappelijke structuur, te hoge eisen gaat stellen. Daardoor wordt een houding uitgelokt, die op het beeld van geestelijke onvolwaardigheid lijkt, zonder dat deze direct endogeen, dus van de aanleg uit, gegeven is. Zoals de psychisch zwakke en verstan-delijk onderbegaafde in gunstige omstandigheden zich nog juist aangepast kan gedragen, zal hij, overvraagd en daardoor ontmoedigd, in een ongunstige situatie passief te kort gaan schieten of agressief met wangedrag reageren.

Ook naar gelang de sociale plaats van de mens zal er een verschil in reageren zijn. Zoals onze maatschappij met zijn hogere prestatie-eisen en zijn concurrentiezucht de meer gecompliceerde mens in hogere posities in de neurose kan drijven, waarbij hij, hoewel innerlijk niet meer aangepast, uiterlijk nog aangepast kan reageren, zo zal de primitieve mens, in conflict-situaties gedreven, met een ontremde gedragswijze reageren.

Ook de aard der voorzieningen zien wij immers door het sociaal-culturele niveau bepaald. Krotopruiming wordt nodig omdat de mens in deze cultuur een andere woonzede als norm neemt. Bij primitieve volken zou zo’n krot de „burcht” van een stamhoofd kunnen zijn.

De noodzaak van hulp.

We zagen hoe de maatschappij zijn eisen stelt; het gezin moet daaraan kunnen voldoen. Daar deze eisen door de grotere gecompliceerdheid van de maatschappelijke structuur voor de zwakkere medemensen te zwaar geworden blijkt, wordt het zaak de achterblijvers ter wille van hen zelf èn van het geheel te hulp te komen. We mogen daarbij wel bedenken hoe velen in beter gesitueerde kringen hun zwakke kanten kunnen camoufleren door de hulp die zij zichzelf verschaffen kunnen.

Het is dus noodzakelijk tot aanpak van het probleem over te gaan, ten eerste terwille van de mens, die in zijn menswaarde door deze leefwijze devalueert, willens of onwillens, en met hem zijn kinderen; in de tweede plaats om de maatschappij zelf, want het onmaatschappelijk gezin schiet met zijn gezinsfuncties naar de kant van de maatschappij toe tekort. Het reageert soms zo, dat de maatschappij schade ondervindt door het agressief gedrag tegenover andere leden, of ook wel omdat het gezin niet meer functioneert maar parasiteert. Het wordt dan mede tot een sociaal-economisch kwaad dat bestreden moet worden.

We kunnen het probleem niet weer opnieuw verdringen ten koste van deze gezinnen; evenmin kunnen wij er aan voorbij gaan in verband met de eisen die aan een gezond gemeenteleven moeten worden gesteld, een gemeenteleven dat niet zijn kan, wanneer het zijn verantwoordelijkheid tegenover de naaste niet aanvaardt.

Het betreft hier tienduizenden gezinnen in ons land. Het percentage dat zich in deze groep schuldig maakt aan criminaliteit en kinderverwaarlozing is angstig hoog. Een veelgenoemd bezwaar is dat de kosten voor een alzijdige en daardoor efficiente hulp zo groot zijn. Dat is stellig juist, maar men kan zich afvragen wat deze gezinnen thans kosten door de dure detineringen in gevangenissen, inrichtingen voor kinderbescherming en kampen voor sociale jeugdzorg, waarbij het gezin als een eenheid verloren gaat.

Door aan het gezin in zijn geheel te werken en het weer in te schakelen op het eenvoudige niveau dat het bereiken kan, boekt men binnen afzienbare tijd, ook sociaal-economisch bezien, winst.

Daar waar het onaangepaste gezin niet vrijwillig een helpend samenwerken weet te aanvaarden, en het toch dermate in het moeras is gezakt, dat het zichzelf er niet uit kan optrekken, waardoor de gezinsgroep onder zijn menswaarde daalt en ook de maatschappij schade doet, zou een juridische maatregel nodig zijn – zij het soms slechts als stok achter de deur – om het gezin op gang te krijgen en in zijn ernstige situatie nog iets te bereiken.

Waakzaamheid in nieuwe situaties. Industrialisatie.

Waar in de maatschappij zich nieuwe structurele wijzigingen voordoen en ingrijpende veranderingen die het leven gecompliceerder maken hun invloed op de gezinnen doen gelden, zien we – als dit niet opgevangen wordt – de onmaatschappelijkheid toenemen. Daarom is het in een tijd als deze, waarin het maatschappelijk en sociaal-economisch patroon zich steeds wijzigt, zaak om waakzaam te zijn.

Wanneer we in een onderontwikkeld gebied leven, waar de industrialisatie zijn intrede doet, weten we dat, hoewel ook bezwaren rijzen, vele nieuwe mogelijkheden geopend worden. Er komt weer een regelmatiger arbeid, regelmatig eigen loon, bevrediging door in het productieproces opgenomen te zijn. Wie dit positief ervaart, probeert zich in te schakelen in het nieuwe, meer technische werk. Maar de sociaalzwakken missen de ambitie die hen er op uit zou doen trekken, missen de nodige aanpassing aan moderne arbeid met zijn snel tempo en strakke regelmaat. Wanneer we een plaats voor hen gevonden hebben, vallen ze weer gauw als minder-validen uit. En toch moeten ze leren meedoen, anders geraken ze geïsoleerd, met steeds minder kansen tot aanpassing en steeds meer parasiterend op sociale voorzieningen. We mogen eisen dat ze meedoen, ze behoren er bij en moeten proberen om te schakelen. Of het oude leven. bijv. in seizoenarbeid onder eigen volk, vrijer en romantischer was, en het nieuwe westers-nuchter, de werkelijkheid is dat ze nù leven en functioneren moeten. Er zal bij een dergelijke structurele wijziging in hun omgeving een mentaliteitswijziging moeten komen. Maar deze zal zó geleid moeten worden, dat ze niet in een louter materiële werkinstelling verzeilen, want het gaat er niet om een uiterlijke arbeidsaanpassing te bereiken, maar om hen volwaardiger mens te doen zijn.

We hebben er ook mee te rekenen dat daar waar de sociaal zwakken uit de „achterlanden”, los van het eigen volk als forensen naar een fabriekscentrum trekken, ze zonder gemeenschap kunnen komen. Ze moeten in twee klimaten leven, de eigen oude buurt en de fabriek. De zwakke broeders die dit opbrengen hebben wel een extra band nodig. Wat aan hen in wijkavonden aan ontspanning geboden wordt, zal hun nieuwe behoeften moeten helpen richten. Dit geldt ook in sterke mate voor de meisjes. Er is in deze gebieden kans op een nog verdere verzwakking van het gezinsleven, als hier geen aanvulling komt die hen vormt voor het wachtende leven. Op het platteland komen deze meisjes gemakkelijk tussen dorpskring en fabrieksmilieu te staan; ze vallen uit het dorpsverenigingsleven weg. als ze er al bij waren, vooral als de club zich niet op hen met hun nieuwe behoeften instelt en alleen de plattelandsgroep vertegenwoordigen blijft. Werkt en woont men in een fabriekscentrum, dan geeft dit weer kans op eenheid van werk- en leefklimaat, voor zover een ploegenstelsel de dagorde van het gezin nog niet onregelmatiger maakt dan die bij de zwakkeren al was, en het de kans op enig regelmatig verenigingsleven breekt. De vermoeidheid van het fabrieksmeisje speelt ook een rol; ze wil ’s avonds hoogstens wat licht amusement of wat rondlopen, maar weert af wat haar tot iets verplichten kan.

In de persoonlijkheidsvorming van de bedrijfsjeugd en van allen die „tussen school en leven” staan, ligt een stuk goede preventieve zorg voor de latere opbouw van het gezin. We zullen deze opvoedingsvormen, die een winst van deze tijden zijn, krachtig moeten uitbouwen en met een rijke richtinggevende inhoud vullen.

De groep ernstig onmaatschappelijken zal bij de industrialisatie te meer opvallen. Ze kunnen niet mee en worden nog meer als uitvallers geaccentueerd. Zij moeten nog leren, in welke arbeid ook, meer duurzaam bezig te zijn. Men mag al tevreden zijn wanneer zij in enige sociale werkvoorziening regelmatig leren meelopen.

Voor degenen die een voldoende aanleg hebben kan een herscholing een goede keer in het leven brengen. Maar daar ze hierdoor op een nieuw en hoger arbeidsniveau komen, hetgeen een groter aanpassing vraagt, kunnen de karakterologisch onaangepasten door hun conflictueuse instelling hier toch weer falen, zodat een telkens aandachtig opvangen nodig is. Persoonlijk contact van mensen, die zulke figuren adopteren om hen te helpen in de arbeidswereld weer een weg te vinden, kan van grote betekenis zijn.

Onze zorg moet ook naar het preventieve werk op dit gebied uitgaan. Er moet aandacht zijn voor de scholing van de jongeren, eventueel met een premiestelsel, om de ouders bij de loonderving der kinderen tegemoet te komen.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1954

Diakonia | 24 Pagina's

Het onmaatschappelijk gezin

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1954

Diakonia | 24 Pagina's

PDF Bekijken