Bekijk het origineel

Verborgen wasdom

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verborgen wasdom

10 minuten leestijd

Zoals U weet is Ibu Soeretna voor enkele maanden in ons land samen met Mejuffrouw J. P. Zijderveld, die als evangeliste in Sukabumi heeft gewerkt. Mejuffrouw Zijderveld vertelt hier over de christelijke school in Sukabumi waarmee zowel ”Ibu Soer” als zijzelf verbonden waren.

Hoe het begon.

In 1912 waren enkele christenen, waaronder Dr. Adriani, tot de overtuiging gekomen, dat het de tijd was om mensen uit een be-paalde laag van de maatschappij in West Java in aanraking te brengen met ’t Evangelie. Men had het oog op wat men in de Sundalanden noemt de „Prijaikringen”. Men wilde iets gaan doen voor de opvoeding van de dochters van de hooggeplaatsten in dit gewest. Volgens traditie beleed ”en belijdt men in die kringen over het algemeen de Islamitische godsdienst.

Tact en wijsheid en liefde zijn altijd nodig voor een brenger van het evangelie. Maar heel in het bijzonder geldt dit voor wie komt tot hen die zelf reeds een zeer bepaalde geestelijke ontwikkeling en een geestelijk bezit hebben.

Men wilde komen tot de oprichting van een school met internaat, op christelijke grondslag, waaraan de ouders hun kinderen durfden toe te vertrouwen, hoewel men wist, dat niemand van de ouders zou willen dat hun kind christen werd. De oprichters kwamen dikwijls tezamen in de jaren omstreeks 1912 voor onderling beraad over dit vraagstuk en zeker ook om deze plannen in gebed voor God neer te leggen.

Richtlijnen voor de aanpak van dit werk waren o.a. volstrekte eerlijkheid tegenover de ouders wat betreft de doelstelling, n.l. opvoeden met Christus als „Kompas”, om het zo eens kort uit te drukken. En ook om niet méér te verwachten aan zichtbare re-sultaten van dit samen leven en leren van leerlingen en leerkrachten, dan in de gegeven omstandigheden mogelijk was. Men zou de kinderen niet aansporen tot overgang naar het Christendom. Het waren immers nog van de ouders afhankelijke kinderen. Het werk begon. De toenmalige bestuursleden (ook de leden van de z.g. commissie van bijstand) en vooral Dr. Adriani, onderhielden een goed contact met de leerkrachten, die ze aangetrokken hadden om zich aan dit werk te geven.

In de kringen van de oprichters en van hen, die de verantwoordelijkheid droegen voor de uitvoering van het werk, leefde het grote vertrouwen, dat het Woord van God vrucht zal dragen, waar het ook gestrooid wordt in liefde en in vertrouwen op Hem, die de wasdom geeft, ook in de Sundalanden op plaatsen, waar ’t nog niet eerder geplant was en de groei ervan naar alle waarschijnlijkheid zou stuiten op veel tegenstand.

En nu.

Ongeveer een halve eeuw is het nu geleden, dat Dr. Adriani en zijn vrienden — meest leken waren het — aandacht, moeite, tijd en geld gaven om nieuwe wegen in te slaan ter vervulling van de opdracht van Christus, dat het Evangelie verkondigd moet worden aan alle creaturen.

Mogen we nu, na zoveel jaren, de vraag stellen: Hoe staat het met de resultaten? Is het zaad opgekomen?

M.i. moeten we heel bescheiden en heel voorzichtig zijn met het beantwoorden van deze vraag, want alle groei is aanvankelijk in ’t verborgen en mensen kunnen met nieuwsgierigheid en met woorden een groeiproces verstoren, zoals iemand, die een jong plantje uit de grond trekt, om de wortels te bekijken, daarmee het plantje kan doden.

Maar aan de andere kant…. Een boer, die het zaad uitgestrooid heeft op zijn akker, overziet na enige tijd ook zijn land en als hij dan een paar groene sprietjes boven de grond ziet uitsteken, is hij zeker blij en dankbaar.

De wasdom van het zaad van het Evangelie op de wereldakker is meestal niet zo vlug aan te wijzen. Maar na 50 jaar terugziende op ’t gezamenlijke werk, mogen diegenen van de arbeiders, die er nog zijn, toch wel tegen elkaar zeggen: „Er groeit veel goeds op onze akker”. We kunnen natuurlijk niet precies weten door welke regendruppel of ondanks welke tegenstand het zaad aan het groeien is. Een ding is zeker: Er is nieuw leven!

Hoe we dat weten? Er zijn enkele tekenen: In Sukabumi staat nu weer — nadat alles uiterlijk verwoest scheen te zijn door de oorlog — een Perkumpulan sekolah „Kehidupan Baru” (Schoolvereniging „Nieuw Leven”), die de taak van de Prinses Julianaschool (want zo heette bovenbedoelde school met internaat) heeft overgenomen, en die een arbeidsveld heeft dat meer uitgestrekt is dan de Prinses Julianaschool ooit heeft gehad. Op onze tegenwoordige lagere school zijn 600 leerlingen. Daarnaast zijn er nog twee fröbelscholen, twee internaten, één mulo en een kleine huishoudschool, allemaal behorend tot de „Kehidupan Baru”. De leerlingen zijn niet alleen kinderen van hooggeplaatsten, al zijn die er ook nog onder, maar zoals het hoort in een democratische tijd, uit alle lagen van de maatschappij.

De bestuursleden zijn Indonesische christenen. Onder de leerkrachten zijn er velen, die dat niet zijn, maar elk van onze leerlingen hoort minstens één maal per week uit de bijbel vertellen. De leerkrachten, christenen en niet-christenen, zijn overtuigd, dat één van de voornaamste dingen bij hun werk is, het bewaren van ’n goede verstandhouding onder elkaar. Er wordt hard gewerkt, vaak met opoffering van eigen tijd. Als de leerlingen van de zesde klas dit jaar weer allemaal slagen voor hun eindexamen L.S. (toelating voor mulo enz.) is het de vijfde keer achter elkaar, dat dit het geval is. Maar leerkrachten en leerlingen werken dan ook samen om dit resultaat te bereiken. Men komt terug in eigen tijd om samen te repeteren, totdat ieder zo zeker mogelijk is van de zaak. Leerkrachten aan scholen worden tegenwoordig aangesproken met „bapak” en „ibu” (vader, moeder). Onze jonge onderwijzers en onderwijzeressen verdienen die eretitel wel een beetje. Zeker onze ibu Tuti Jusuf (hoofd van de lagere school). Het is prettig om in hun kringen te komen. In de personeelsvergadering gaat de bijbel open en er wordt openhartig van gedachten gewisseld over wat het Evangelie in deze tijd te zeggen heeft. Komt u in de klassen, dan is het er misschien een beetje roezemoezig, maar er wordt toch gewerkt. En in „de uitspanning” is het een gezellige drukte overal. Er is ook een goede verstandhouding tussen bestuur en werknemers. En dat is iets om dankbaar voor te zijn in een tijd van on-voorstelbaar grote moeilijkheden op financieel gebied in Indonesië.

Het Evangelie werkt door, ook in het persoonlijk leven van onze oud-leerlingen. Men vertelt openhartig over persoonlijk gebeds-leven en overwonnen moeilijkheden door vertrouwen op God. Belangstelling voor de geestelijke dingen is bij velen gewekt, zodat de weg gebaand is voor onbevooroordeeld lezen van de bijbel.

Ja, er zijn in de loop van de jaren ook enkele oud-leerlingen gedoopt. Maar altijd als volwassene.

Afscheid.

In de eerste week van april 1.1. heb ik afscheid genomen van de „Kehidupan Baru”. Ik had tegen dit afscheid nogal opgezien. Maar het is een feestelijke laatste week geworden. Dat kwam vooral door de komst van een delegatie oud-leerlingen van de „Prinses Julianaschool”. Ze maakten mij duidelijk, dat een afscheid eigenlijk iets bijkomstigs is.

Stel u voor: Soeretna en ik werden door hen uitgenodigd voor een bijeenkomst in „Wisma Oikoumene” (het nieuwe studiecentrum van de Raad van kerken in Indonesië, dat in Sukabumi staat) voor een afscheidsavond door hen georganiseerd.

We kwamen daar en werden bij de deur al hartelijk omhelsd door onze „kinderen” vanaf 1931 en ook enkelen van vóór die tijd. De meesten zijn natuurlijk veelvuldig moeder en grootmoeder. Maar we herkenden elkaar toch.

Er lag een geïllustreerd gastenboek klaar, waarin iedereen zijn of haar handtekening zette.

Onder de vele geschenken, waarmee we overladen zijn, was een enorm foto-album, vol foto’s van oud-leerlingen en hun gezinnen.

Er was natuurlijk gelegenheid om elkaar te ontmoeten en verder bij te praten. Er was gezorgd voor een tractatie, er waren bloemen. Kortom het was feest!

Het grappigste was, dat de „sambutans” (korte toespraken van de aanwezigen) maar niet op dreef konden komen, want ze werden telkens onderbroken door de komst van nog een „familie-lid”. Wanneer er weer een nieuwe oude bekende binnenkwam, moesten ibu Jo en ibu Soer eerst omhelsd worden en onderling gaf het telkens ook weer nieuwe vrolijke deining.

Er was wel een programma die avond en dat is ten slotte heel luisterrijk verlopen. Er was een koor dat zong „Heer, ik hoor van rijke zegen” op de bekende wijs, die ze geleerd hadden in hun jeugd, toen ze het lied nog in het Hollands zongen, maar nu werd het gezongen in het Indonesisch.

Ze hadden het driestemmig ingestudeerd met Ds. Habandi, die verbonden is aan de Wisma Oikoumene en wiens vrouw ook een oudleerlinge is van de Prinses Julianaschool. Er werd uit de bijbel gelezen en samen gebeden en verder was er ook nog een koor van „kinderen van deze tijd” die voor ons zongen.

Aan het slot kwam een blijde tijding van de kant van de oud-leerlingen, die niet alleen bestemd was voor de toen aanwezigen.

Een van hen sprak namens vele „P.J.S.’ers” zoals ze elkaar noemen, en zei „We zijn u en al onze oud-onderwijzeressen heel dank-baar voor de opvoeding, die we bij u gekregen hebben als kind. We hebben er steun aan gehad bij de opvoeding van onze kinderen en in de omgang met onze echtgenoten en in ons gezin. Wij danken u er nogmaals voor en wilt u ook onze dank overbrengen aan de oud-leerkrachten en bestuursleden, die u in Nederland zult ontmoeten. Vooral ook de oud-bestuursleden van de Prinses Julianaschool moet u hartelijk van ons danken.”

In mijn antwoord daarop heb ik o.a. gezegd, dat we zo blij zijn, dat er in de tijd, die aangeduid wordt met de naam „koloniale tijd” dus ook mensen waren, die door hun geloof in Christus liefde en belangstelling hadden voor de Indonesische kinderen, die zij trachtten op te voeden zoals ze het hun eigen kinderen zouden hebben gedaan. Velen knikten bij die woorden met het hoofd bij wijze van instemming.

Ik geloof, dat we allemaal blij waren, dat er een levende band van liefde is, die ons bindt. Ook dat er een „Kehidupan Baru” is, waarin het werk voortgezet wordt.

Allemaal zijn we ons met eerbied bewust, dat God ons gezegend heeft.

Weinigen zijn tot de erkenning gekomen, dat God ons altijd heel dicht nabij is in Jezus Christus.

Hoe lang zal het nog duren voordat ze het zelf ontdekken? Het is Gods geheim, maar telkens heb je het gevoel, dat sommigen er vaak heel na aan toe zijn.

Zo b.v. op die laatste morgen, vier dagen na het afscheidsfeest.

Het was toen zaterdag. Gewoonlijk komen er dan een paar vriendinnen (twee of drie niet-christenen) met ons samen voor een korte bijbelbespreking

Maar die zaterdagmorgen waren we met ons veertienen. Die drie oud-leerlingen hadden tegen de anderen, die nog in de stad waren, gezegd: „Ga mee, we hebben bijbelkring op Bunut 21”.

En zo was het ook. We lazen van de verschijning van de Here Jezus aan ’t meer van Tiberias. Ibu Soer stelde de vraag: „Was het een wonder, dat de discipelen eerst niets vingen?” Dat werd het uitgangspunt van een levendige bespreking van het hele gebeuren. Het antwoord dat een van hen op de vraag gaf en waar ze het allemaal mee eens waren, had mij iets te zeggen. Ze zei: „Ja, dat was ook een wonder, want die vissen, die ze later vingen, waren er natuurlijk al lang.”

Ik dacht: „vissers van mensen” vangen soms ook lange tijd niets, maar op Gods tijd zal de vangst geweldig zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1964

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 32 Pagina's

Verborgen wasdom

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1964

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 32 Pagina's

PDF Bekijken