Bekijk het origineel

De éne kerk van Christus in Indonesië

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De éne kerk van Christus in Indonesië

D.G.I. - 15 jaar

9 minuten leestijd

Via dr. A. de Kuiper ontvingen wij het verslag dat dr W. Städeli maakte over de viering van het derde lustrum van de oecumenische raad van kerken in Indonesië. Dr. W. Städeli is zendingspredikant van de Bazelse zending, maar uitgezonden in het kader van ons werk en ter beschikking gesteld van de Oost-Javaanse Kerk.

Onze Indonesische mede-christenen vierden onlangs het vijftienjarig bestaan van de Raad van Kerken in Indonesië (DGI). De jubileumfeesten begonnen met oecumenische diensten op 23 mei. In de hoofdstad Djakarta vonden er 67 plaats waarin kanselruil, een gemeenschappelijke tekst (Ephe-zen 4 vers 1-16) en het volgen van de liturgie van de Protestantse Kerk van Bali in alle kerken het oecumenische karakter van de diensten onderstreepten.

Receptie van de Raad van Kerken

De 25ste mei werd in „Wisma Warta” (Nieuwshuis) te Djakarta tijdens een officiële receptie het moment herdacht waarop, 15 jaar geleden, 27 Protestantse kerken met elkaar uitspraken dat in Indonesië „heden de Raad van Kerken is opgericht, als een plaats van overleg en gemeenschappelijk streven der Indonesische kerken, gericht op de eenheid der kerken.”

Na een begroetingswoord en een gebed van veldprediker overste Sarumpaet nam de voorzitter van de DGI, Prof. Dr. J. L. Ch. Abineno, het woord. Hij schetste in het kort enkele aspecten van de activiteit van de Raad gedurende de drie lustra (Tri Pantjawarsa) van zijn bestaan temidden van het Indonesische volk. Als een belangrijk verschil tussen de DGI en nationale Raden van Kerken in andere landen bracht hij naar voren, dat de DGI een instrument van de kerken is om te komen tot de vorming van de éne christelijke kerk van Indonesië. Verder bracht hij uit naam der Indonesische kerken dank aan alle kerken, gemeentele den en christelijke organisaties in binnen- en buitenland, die gedurende deze 15 jaar met de Raad hebben samengewerkt. Hij richtte een dankwoord tot de president en de regering van Indonesië, die op allerlei wijzen, direct en indirect, het werk van de Raad steunden. „Wij prijzen ons gelukkig,” zei prof. Abineno, „dat wij onze taak vervullen kunnen in onze Pantjasila-staat (Patjasila: de vijf grondzuilen van de republiek, waarvan het eerste het geloof aan één God is).

Deze Pantjasilastaat garandeert niet slechts volledige godsdienstvrijheid aan zijn burgers, maar geeft ook aan de kerken allerlei mogelijkheden en gelegenheden om haar dienst te verrichten en haar boodschap te brengen. Mogelijkheden en gelegenheden zo als men die zelden vindt in de andere staten van Azië en in de andere werelddelen.” Vervolgens koos de voorzitter van de DGI met duidelijke en moedige woorden positie ten opzichte van de nieuwste fase in de geschiedenis van Indonesië.

„In deze tijd”, zo zei hij, „treedt de Raad van Kerken samen met ons volk en met onze staat een nieuwe fase binnen, nl. de fase van het „staan op eigen benen” (berdikari), zowel op materieel en economisch gebied, als ook op geestelijk en religieus terrein. Zoals ik reeds eerder zei, zijn de bij de DGI aangesloten kerken leden van het lichaam van Christus, dat alle kerken in de gehele wereld omvat. Daarom kunnen en mogen de Indonesische kerken bij de uitoefening van hun opdracht om te verkon digcn en te dienen hun band met de andere kerken in binnen- en buitenland niet losmaken. Oecumenische samenwerking is een wezenlijk element van Christus’ Kerk. Dat staat vast.”

Desondanks karakteriseerde prof. Abineno de leuze „om op eigen benen te staan” als ’n goed principe, ook voor de kerken. Dit principe dringt de kerken er toe gebruik te maken van de gaven die de Heer der Kerk haar gegeven heeft en niet eenvoudig alles van andere kerken te verwachten. Ook wat betreft het economische aspect van het kerkelijke leven moet men niet slechts ontvangen, maar ontvangen én geven, geven én ontvangen.

Na de gelukwensen van de christelijke partij in Indonesië (Parkindo), sprak de derde vice-minister-president van de Republiek, dr. Chairul Saleh, namens de regering. Hij sprak de hoop uit, dat het doel van de DGI, namelijk de vorming van één Protestants-christelijke kerk voor geheel Indonesië, spoedig zou mogen worden verwezenlijkt. Zulk een nationale kerk zou nog meer gericht zijn op de vervulling van Christus’ opdracht om een nieuwe wereld te scheppen, waarin gerechtigheid en welvaart voor elke burger gewaarborgd zijn. Hij hoopte, dat er nog meer christelijke leiders, ambtenaren, officieren en deskundigen op alle gebieden zouden zijn, die zich bewust voor het bereiken van het doel der Indonesische revolutie zouden inzetten.

Ten slotte werd op de receptie een toespraak van de minister van buitenlandse zaken, tevens eerste vice-minister-president, Dr. Subandrio, voorgelezen, die o.a. nadruk legde op de grote rol van de godsdienst in de Indonesische maatschappij. De voornaamste rol van de godsdienst is, volgens dr. Subandrio, het deelnemen aan de vorming van karakter en volk (character and nation-building) met het oogmerk de nieuwe Indonesische mens te scheppen, wiens karakter door het Indonesische socialisme bepaald is, d.w.z. het socialisme zoals zich dat op de Pantjasila baseert.

De receptie werd ook bijgewoond door de tweede vice-minister-president, dr. J. Leimena, een Christen, die samen met prof. dr. Mulia ere-voorzitter van de DGI is, en door vertegenwoordigers van het corps diplomatique en van alle christelijke gemeenten in Djakarta en in andere plaatsen van Indonesië.

Getuigenismars en slotdienst

Trok de receptie al veel belangstelling, de deelname aan de getuigenismars en de slotdienst op Pinkstermaandag 7 juni was eenvoudig overweldigend. Toen de kopgroep van de optocht het plein voor de Immanuelkerk binnentrok, sloten zich nog steeds nieuwe groepen aan de staart aan, bij het gebouw van de DGI dat op drie kilometer afstand van de kerk ligt. De lengte van de stoet werd op 5 à 6 kilometer geschat, en het aantal deelnemers op 20.000.

Aan de kop marcheerden adelborsten in gala-uniform, die het bekende symbool van de Oecumene vooropdroegen, waarop meer dan een dozijn Indonesische vaandels volgden.

De volgende groep waren de predikanten in toga, onder wie een vrouw opviel. Direct daarachter liepen vier ministers en dan volgde de leiding van de Raad van Kerken. Onder hen marcheerden ook vice-admiraal lohn Lie en Brigade-generaal J. Mus kita, de beide hoogstgeplaatste Christenen in leger en vloot, natuurlijk in uniform. Spandoeken wezen op de inhoud van het christelijke getuigenis: „Jezus Christus regeert”, Jezus Christus is de Goede Herder”, enz.

De verschillende groepen in de optocht herkende men aan de opschriften en aan de uniformen: Christen-Studenten, adelborsten, agenten van politie, padvinders, ziekenverpleegsters, leden van het vrouwelijke vrijwilligsterskorps en van de lijfwacht van de president.

Terwijl de optocht nog onderweg was, werd het plotseling - zoals altijd in de tropen -nacht. Toen ontstaken de padvinders en de studenten hun fakkels langs de gehele stoet. Nadat de eersten van de fakkeloptocht bij de Immanuelkerk waren aangekomen, duurde het nog bijna een uur voordat ook de laatste groepen waren gearriveerd. Zowel tijdens het marcheren als onder het wachten zongen de Christenen hun getuigenisliederen.

Voordat de slotdienst begon, sprak dr. Leimena een kort groetwoord: „Moge deze enorme optocht niet slechts show zijn,” zo riep hij de duizenden toe, „maar waarlijk betekenen dat wij ons in Gods dienst stellen, voor de uitbreiding van Zijn Kerk.” Dr. Leimena sprak verder zijn overtuiging uit, dat de dag zou komen - als tenminste de Christenen de moed om te offeren zouden opbrengen - dat in Indonesië het verlangen naar de éne kerk van Christus vervuld zou zijn.

Als tweede spreker wees prof. Abineno erop dat het geen toeval was dat de slotdienst samenviel met Pinksteren. God zelf zou wat Hij 15 jaar geleden begonnen was, voortzetten en voltooien tot eer van Zijn Naam. De voorzitter zei verder, dat de taak van de Raad in de toekomst moeilijker en zijn werk zwaarder zou worden. ”Maar de Raad zal niet vertwijfelen. Want hij marcheert niet alleen,hij werkt niet alleen, hij strijdt niet alleen. De Heer marcheert met hem. De Heer is zijn rots en zijn schild. Maar — en dat is Zijn genade — in Zijn grote werk wil Hij ons als zijn werktuigen gebruiken. Laat ons zo verder werken, dat de mensen die ons werk zien, tot geloof en tot de lof van onze Vader in de hemel mogen komen. Prof. Abineno eindigde met het gebed „Veni, Creator, Spiritus — Kom, Schepper, Geest!’

Het had een symbolische betekenis, dat ds. Sidabutar van de Karo-Batak Kerk in het uiterste westen van het eilandenrijk als liturg en ds. Rumainum van de evangelische kerk in Irian-Barat in het uiterste oosten als prediker dienst deden. Laatstgenoemde ging uit van de tekst Handelingen 3 vers 111 ; hij riep de Christenen op tot dienst aan hun naasten in volk en staat.

Pas achteraf is het tot de Christenen van Djakarta en omgeving doorgedrongen, dat er iets unieks gebeurd was: voor de eerste maal waren zij buiten de beschermende muren van hun kerken getreden en hadden ze en masse gemarcheerd. De hooggeplaatste ministers samen met het gewone volk, de predikanten samen met de leken, de admiraal samen met de adelborsten. Het is te verwachten, dat de lezer in het westen het hoofd schudt en vraagt: leidt zoiets niet tot massalisering?! We moeten echter bedenken, dat de Indonesische christenen lange tijd hebben toegekeken hoe de anderen op straat marcheerden, de nationalisten en communisten. Het verrassend grote succes van de getuigenismars toont aan, dat duizenden begrepen: als wij nu niet gaan marcheren, worden wij in de hoek gedrukt en uitgeschakeld bij de vorming van de nieuwe Indonesische mens en van de nieuwe wereld. Of deze nieuwe weg van de Indonesische Christenen tot massalisering, of tot de éne kerk van Christus in Indonesië leiden zal, hangt in hoge mate af van de leiding van de DGI De schrijver van dit stuk heeft al meer dan twee maanden het voorrecht deze leiding aan het werk te zien. Hij zou willen zeggen: deze leiding verdient het volste vertrouwen van de buitenlandse partner-kerken. Laten wij het moedige getuigenis van de voorzitter van de DGI om de oecumenische betrekkingen intact te houden, beantwoorden met trouwe samenwerking, waar dat gewenst en mogelijk is. Laten de buitenlandse partner-kerken en haar zendingsarbeiders in Indonesië zich mede richten naar het grote doel van de DGI: dat uit de 35 thans aangesloten kerken met ongeveer 4 miljoen gemeenteleden, worden zal de éne kerk van Christus in Indonesië.

Djakarta, 15 juni 1965 W. STLäDELI

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1965

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 28 Pagina's

De éne kerk van Christus in Indonesië

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1965

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 28 Pagina's

PDF Bekijken