Bekijk het origineel

Het Memorandum wetgeving maatschappelijk en cultureel welzijn nader bezien

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Memorandum wetgeving maatschappelijk en cultureel welzijn nader bezien

8 minuten leestijd

Door de gegroeide situatie in de welzijnssector wettelijke regeling noodzakelijk.

In de sector van het maatschappelijk werk, de gezinsverzorging, het jeugdwerk en andere welzijnsvoorzieningen doen zich reeds jaren een aantal ontwikkelingen voor, die steeds sterker de behoefte hebben doen gevoelen aan een wettelijke regeling voor de welzijnsbehartiging.

Naarmate voor de maatschappelijke en (sociaal-) culturele diensteverlening aan personen, groepen en samenleving, deskundige beroepskrachten werden ingeschakeld, werkzaam vanuit daarvoor in het leven geroepen en instand gehouden instellingen, groeide de behoefte aan rechtszekerheid voor het personeel en — in het belang van de continuïteit van de dienstverlening — ook voor de instellingen. Deze rechtszekerheid en continuïteit hebben tot dusverre op niet méér gesteund, dan op „volgens subsidie-regelingen bij ministeriële beschikking toegekende subsidies”. In de nog steeds bestaande situatie is er bij afwijzing van een subsidieaanvrage geen echt beroep mogelijk, terwijl het ook niet uitgesloten is dat bij wijziging van het ministerieel beleid de subsidiëring van een of meer werksoorten sterk zou worden ingekrompen.

Een tweede ontwikkeling is de ver-maatschappelijking van de betrokken dienstverleningen: Verschillende vormen van hulp of dienstverlening, die door kerkelijke en particuliere organen tot stand waren gebracht, groeiden tot een normaal gevonden gemeenschapsvoorziening, waarvan men meent, dat deze voor alle in bepaalde omstandigheden verkerende personen, gezinnen en groepen in de samenleving beschikbaar behoort te zijn. Daarbij komt nog, dat het aantal soorten dienstverlening in de welzijnssector zich sterk heeft uitgebreid en nog verder uitbreidt. Nog steeds zijn bepaalde voor het welzijn belangrijke dienstverleningen in bepaalde delen van het land onvoldoende ontwikkeld, terwijl nieuwe werkvormen opkomen en hun aandeel in de beschikbare financiële middelen en mankracht opeisen. Daarbij doet zich nog de omstandigheid voor, dat het kerkelijk- en particulier initiatief in sterk afnemende mate in staat blijkt om zijn aandeel in de financiering op te brengen. Dit geldt niet alleen het bestaande werk, zoals de gezinsverzorging, maar ook nieuwe werksoorten en projecten.

Het voorgaande heeft geleid tot een zwaardere overheidsverantwoordelijkheid voor en grotere overheidsbemoeienis met de welzijnsvoorzieningen.

Deze zwaardere verantwoordelijkheid en grotere bemoeienis van de overheid maken een wettelijke basis voor het welzijnsbeleid van de overheid noodzakelijk. Een wettelijke regeling legt de overheid aan banden en beschermt dus de burgers tegenover de overheid. Immers een wettelijke regeling komt tot stand in samenwerking van Kroon en Staten-Generaal.

Wat door middel van wettelijke regeling bereikt moet worden.

De noodzaak van een wettelijke regeling van het welzijnsbestel wordt duidelijk wanneer men onderkent, dat de overheid:

1e bij een óók voor de overheid beperkt budget, er voor dient te zorgen, dat er in elk geval voldoende financiële middelen zijn voor de welzijnsvoorzieningen, die het hardste nodig zijn — een kwestie van prioriteiten;

2e een evenwichtige verdeling van de voorzieningen dient te bevorderen, zowel een verdeling over het land, als in verband met de samenhang tussen de voorzieningen een evenwichtig pakket van voorzieningen per plaats en regio;

3e haar welzijnsbeleid dus dient te voeren op basis van onderzoek, behoeften-analyse, overleg en planning;

4e met name ten aanzien van beleidsvoering en planning zoveel mogelijk wenst te decentraliseren naar het provinciaal en gemeentelijk of intergemeentelijk niveau, omdat men regionaal en plaatselijk beter bepalen kan welk samenstel van voorzieningen het beste tegemoet komt aan de behoeften van de bevolking;

5e betrokkenheid van de bevolking bij de welzijnsbehartiging van wezenlijk belang acht en met name participatie van de bevolking bij de voorbereiding van het welzijnsbeleid wenst te waarborgen;

6e de zelfwerkzaamheid van de bevolking van belang acht en daarom voor de uitvoering van de voorzieningen in de eerste plaats de particuliere organen wenst te zien ingeschakeld;

7e voldoende continuïteit en rechtszekerheid voor de organen en het daarbij in dienst zijnde personeel moet bevorderen.

Men zou kunnen stellen, dat „als een proeve van tegemoet komen aan de hiervoor genoemde zeven punten” in de eerste helft van 1970 werd uitgebracht het Memorandum Wetgeving Maatschappelijk en Cultureel Welzijn. Het stuk is ter discussie gesteld en van ingekomen reakties zal, naar toegezegd werd, bij het concepiëren van het wetsvoorstel rekening gehouden worden. Voor de ernst, die het Ministerie C.R.M. aldus maakt met het beginsel van de inspraak, dient grote waardering geuit te worden. Van deze mogelijkheid tot inspraak is ook door verschillende belanghebbenden via hun landelijke toporganen en publicaties ruim gebruik gemaakt, ook ruim in de vorm van kritiek.

Op een aantal punten van het Memorandum en de daardoor uitgelokte reakties wil ik hier ingaan. In het bestek van deze twee artikelen zal ik mij uiteraard moeten beperken.

Het te regelen welzijnsterrein.

Det wet zal regelen „het terrein van de maatschappelijke en culturele welzijnsbehartiging, voor zover aktievelden daarvan ressorteren onder de verantwoordelijkheid van C.R.M.”

Hiermee hebben wij reeds de eerste „steen des aanstoots”. Het Memorandum onderscheidt binnen het welzijn: het materieel, lichamelijk, psychisch, sociaal, ruimtelijk, cultureel en maatschappelijk welzijn. Of deze onderscheiden aspecten van welzijn als afzonderlijke onderdelen benaderd en geregeld kunnen worden, is echter zeer te betwijfelen.

De onderscheiden welzijnsaspecten tonen een duidelijke samenhang. Zo hebben recreatie en sport en lichamelijke vorming evenzeer met lichamelijk en psychisch welzijn te maken als met maatschappelijk en cultureel welzijn. Dat de reikwijdte van de wettelijke regeling niet méér zal betreffen dan het terrein van het maatschappelijk en cultureel welzijn, heeft zijn oorzaak in de omstandigheid, dat voorzieningen op dit terrein tot het werkgebied van het Ministerie C.R.M. behoren. Voldoende coördinatie en samenhang in het totale welzijnsbeleid denkt de Minister na te streven door tussen deze te ontwerpen nieuwe wet en de wetten op andere welzijnsonderdelen verbindingen te leggen, en voorts door inter-departementaal overleg over welzijnszaken. Het stellen van prioriteiten, bijvoorbeeld ten aanzien van meer financiën voor gezinsverzorging, nieuwe projecten van geestelijke gezondheidszorg, meer middelen voor recreatie, uitbreiding van verkeersvoorzieningen, of meer ter bevordering van de materiële welvaart, zal moeten gebeuren in inter-departementaal overleg. Of in verband met de strijd om invloedsfeer en posities tussen departementen op deze wijze landelijk een samenhangend geheel van welzijnszorg het beste tot stand kan komen valt wel te betwijfelen.

Volgens het Memorandum zullen in één wettelijke regeling worden ondergebracht: het jeugd en jongerenwerk, kunst en cultuur, maatschappelijke dienstverlening, samenlevingsopbouw, sport en lichamelijke vorming en tenslotte de vorming en ontwikkeling van de burgers. Het zijn — uiteraard — allemaal aktievelden, die vallen onder de zorg van C.R.M., die alle gericht zijn op het welzijn (in het bijzonder het maatschappelijk en cultureel welzijn) en die tegemoet komen aan met elkaar verband houdende behoeften. Vandaar deze combinatie, die men echter toch minder gelukkig kan vinden.

Zo valt de maatschappelijke dienstverlening in het kader van de reclassering en de kinderbescherming buiten dit geheel van behartiging van maatschappelijk en cultureel welzijn. Voorts kan worden opgemerkt, dat de geestelijke en de maatschappelijke gezondheidszorg net zo goed op welzijn en samenleving gericht zijn. Met het oog op een wenselijk beter samenspel in de praktijk zal de geestelijke en de maatschappelijke gezondheidszorg in de combinatie toch niet kunnen worden gemist. Daarbij zou men functioneel in het bijzonder kunnen denken aan de combinatie maatschappelijke dienstverlening, sociaal-cultureel werk en geestelijke en maatschappelijke gezondheidszorg, die bovendien betrekkelijk gemakkelijk in organisatorische verbinding met elkaar kunnen worden gebracht.

Betrokkenheid en decentralisatie.

Betrokkenheid van de bevolking bij en decentralisatie van het welzijnsbeleid vormen belangrijke beleidsvisies, die aan het geschetste welzijnsbestel ten grondslag liggen.

Het Memorandum voorziet provinciaal, voor de grote gemeenten gemeentelijk en voor de kleine gemeenten regionaal (met rayons van 75 à 100.000 inwoners) in raden, waarin overlegd wordt over de wenselijke welzijnsvoorzieningen, prioriteiten worden aangegeven en advies wordt opgesteld voor de betreffende overheden. In deze raden kan de bevolking door middel van vertegenwoordigers deelnemen, terwijl het de bedoeling is dat de vergaderingen en de stukken openbaar zijn. Bij deze visie sluit de idee van decentralisatie aan.

Plaatselijk en regionaal kan men het beste bepalen welk pakket van welzijnsvoorzieningen goed tegemoet komt aan de wensen en behoeften in het desbetreffende rayon. De rijksoverheid moet zoveel mogelijk zich beperken tot het „in grote lijnen” bevorderen en ordenen.

Vandaar, dat in provinciale, regionale en plaatselijke welzijnsraden de prioriteiten bepaald worden en het programma opgesteld wordt m.b.t. de welzijnsvoorzieningen in gezamenlijk overleg van lagere overheden en bevolkingsvertegenwoordigers. Ook de Hervormde levenskring zal straks, met bijstand van haar eigen organen, van deze gelegenheid tot inspraak zo goed mogelijk gebruik moeten maken. Opgemerkt moet worden, dat genoemde raden slechts een beleidsvoorbereidende en adviserende bevoegdheid zullen hebben. Aan de desbetreffende overheden blijven de beslissingen ten aanzien van het welzijnsbeleid voorbehouden, i.c. de beslissingen om de gelden voor de voorzieningen ter beschikking te stellen.

Het Memorandum vermeldt naast provinciale, regionale en plaatselijke raden voor overleg en advies ook functionele raden, die per groep van bij elkaar horende werksoorten, een orgaan van beleidsoverleg en advisering zijn voor het betreffende werkterrein. Zo zouden in een Raad voor de Maatschappelijke Dienstverlening de belangen van het maatschappelijk werk en de gezinsverzorging speciale aandacht kunnen krijgen en door middel van deze raad behartigd kunnen worden.

De welzijnsraden en de functionele raden staan in een wederzijds ondersteunende doch onafhankelijke relatie.

Al lijkt het wat vreemd, bij alle waardering is er toch vrij veel kritiek op deze democratiseringsvoorstellen. Hierop gaan wij in een volgend artikel wat uitvoerig in.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971

Diakonia | 36 Pagina's

Het Memorandum wetgeving maatschappelijk en cultureel welzijn nader bezien

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1971

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken