Bekijk het origineel

Met Visch op Bali

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Met Visch op Bali

12 minuten leestijd

Je weet het nooit van tevoren …

Wie verre reizen doet kan veel verhalen. Na 23 jaar op Bali in zendingsdienst werkzaam te zijn geweest kunnen ds. H. J. Visch en zijn echtgenote, mevrouw C. H. Visch-Tonsbeek dan ook urenlang vertellen over hun belevenissen. Drie en twintig jaar is een hele tijd. Toch zal het zendingsechtpaar geen kwart eeuw op het eiland vol maken. De taak zit er op en als de verlofperiode, die in ons land wordt doorgebracht, is afgelopen, wacht een nieuwe toekomst in West-lrian. Ds. Visch is daar benoemd tot predikant voor algemene zaken in dienst van de synode van de Evangelisch Christelijke Kerk.

Welke romantische gedachten men ook mag weven rond het kunstzinnige paradijs Bali, de politieke spanningen van de afgelopen tientallen jaren zijn er beslist niet aan voorbijgegaan. En het spreekt vanzelf, dat de politieke situatie veel invloed heeft gehad op het werk van ds. en mevrouw Visch en de omstandigheden waarin dit moest gebeuren.

Hoewel ds. Visch al in 1942 in de Koninginnekerk in Rotterdam als zendingspredikant werd geordend kon hij pas in het begin van 1948 naar Bali worden uitgezonden.

Mevrouw Visch is zendingspredikante. Zij volgde haar man een half jaar later met de twee kinderen die er toen waren. Nu telt het gezin vier kinderen.

Dat was in de tijd van de „politionele akties” op Java en nog geruime tijd voor de officiële overdracht van de soevereiniteit door Nederland aan de Indonesische republiek. Maar ook de toekomst was vol spannende gebeurtenissen: de uittocht van de meeste Nederlanders in 1957 en 1958, strijd over Nieuw-Guinea, de confrontatie met Maleisië en last but not least de coupe in 1965 met alles wat daarop volgde.

De familie kwam in 1948 terecht in het dorp Mengwi, midden op het eiland. De enige reden daarvan was, dat er een leeg huis stond. Er was geen gemeente, er waren geen christenen en er waren ook geen andere buitenlanders. „Het was indertijd zo”, vertelt ds. Visch, „dat je werd uitgezonden door de zending en de kerk van Bali had je maar te nemen. Die kerk voelde zich dan ook niet verantwoordelijk voor je. Dat is de laatste jaren sterk veranderd. Je gaat nu pas uit als je gevraagd wordt.”

Een periode van oriëntatie in de lands- en volkstaal volgde, terwijl studie werd gemaakt van de economische achtergronden. Kortom een tijd van voorbereiden, afwachten en „je laten bekijken”, vult mevrouw Visch aan. Het was moeilijk een weg te vinden. De kerk werd inmiddels bedreigd door de politieke moeilijkheden. Kleine groepen, zoals de christenen op Bali, konden het slachtoffer worden van de spanningen, vooral ook door de banden, die er met Nederland waren.

Daarom vertrok de familie Visch in overleg met de Balische kerk in 1950 weer naar het vaderland.

Maar na bijna een jaar kwam het verzoek van de Balische kerk zelf of ds. Visch terug wilde komen. Dat wilde hij wel, maar de terugtocht liet twee jaar op zich wachten, omdat er geen inreisvisum loskwam van de Indonesische regering. Toen men langzamerhand ging wanhopen en uitzien naar een gemeente in Nederland, kwam eindelijk het begeerde document.

Eenmaal terug op Bali stond men rechtstreeks onder verantwoordelijkheid van de synode van de Protestantse Christelijke Kerk van Bali.

Deze kerk wordt gevormd door een hele kleine groep christenen, die in 1948 nog niet één eigen predikant had met een theologische opleiding. De kerk was nog erg jong, want in 1931 was de eerste christen gedoopt. In de oorlog waren er ongeveer 1500 christenen. Daarvoor lag het zwaartepunt van de leiding bij de zending, maar in de oorlogsjaren heeft men zich echter kunnen handhaven zonder begeleiding van buiten. In 1953 na de terugkeer van ds. Visch moest een cursus worden opgezet om gemeentevoorgangers met verschillende onafgemaakte opleidingen in een jaar tijd een afgeronde bijscholing te geven. Na afloop van dit jaar zouden allen de gelegenheid krijgen als predikant te worden aangesteld ook met de bevoegdheid de sacramenten te bedienen.

Ds. Visch stelde zich bewust onder de leiding van deze kerk. Dat was geen gemakkelijke houding, maar het moest, meende hij. „Van allerlei dingen vinden zij dat ik het weet, maar ze moeten het zelf doen. Wij wilden bijvoorbeeld niet in de besturen zitten, maar echt plaats kiezen op de achtergrond. Je moest oppassen voor momenten, waarop een leider van zo’n kerk het gevoel krijgt het niet te kunnen. Help the people to help themselves. Je moest zo werken, dat ze je straks zouden kunnen missen.”

De jaren tussen 1953 en 1958 waren eigenlijk jaren van de meest normale opbouw. Er waren goede contacten tussen de Balische kerk en de hervormde zending. Gesteund door interkerkelijke akties kon de Balische kerk een middelbare school openen. Ook met medisch werk kon een begin worden gemaakt. Er kwamen onder andere een kraamkliniek en enkele poliklinieken.

Bij dit school- en medisch werk werd veel hulp ondervonden van de Amerikaanse kerk, die thans de United Church of Christ heet. Het medisch werk werd ook gesteund door SIMAVI.

Helaas bleek dit werk op den duur topzwaar, want de kerk van Bali is veel te klein om alles te kunnen onderhouden. In deze tweede periode begon men ook met internaatswerk. Onder leiding van ds. en mevrouw Visch werd een simpel internaat geopend voor meisjes afkomstig uit verschillende plaatsen op Bali, die de middelbare school bezochten. Meestal waren het hindoese meisjes. Via hen kreeg men prettige contacten over het hele eiland.

In 1958 volgde weer een verlofperiode. Mevrouw Visch had haar kinderen zelf les gegeven, maar nu moesten ze toch naar Nederland worden gebracht. In deze moeilijke tijd, waarin veel Nederlanders Indonesië verlieten verwachtte het zendingsechtpaar niet dat de verblijfsvergunning makkelijk zou worden verlengd door de Indonesische regering. Wonder boven wonder had men echter binnen een paar weken tijd de goede papieren.

Indonesië is een land van verrassingen. Dat bleek ook weer bij de terugkomst op Bali in 1959 na het verlof. Het huis van de familie was zomaar kantoor van de synode geworden en het internaat was beëindigd. Wel was er een huis in de kampong beschikbaar.

„Heel leuk, dat leven in de kampong. We woonden met zo’n dertig gezinnen in een besloten dorpsgemeenschap. Met andere gezinnen woonde je op één erf. Zo leerde je de bevolking beter kennen dan in de stad”, vertelt mevrouw Visch, die een actief aandeel heeft gehad in het zendingswerk.

„Doordat we gewoon werden opgenomen in de dorpsgemeenschap bleek ons, dat dat de meest normale en effectieve wijze was om iets van het Evangelie te laten blijken. Gewoon door mee te doen met activiteiten en feesten en het tonen van belangstelling, waar nodig.”

„In zo’n dorp is niet veel te doen en zo gebeurde het, dat onze kerkelijke liederen de aandacht van de jeugd trokken en dat het populaire liederen werden. De hindoe-gemeenschap beantwoordde onze belangstelling voor hun leven met zijn vele feesten met belangstelling voor onze feesten. En met kerst kwam men bij ons met de vraag: U hebt straks een feest, hoe kunnen we helpen? Een varken werd geslacht en het hele dorp kreeg een kerstmaal. Officieel waren we opgenomen in de dorpsgemeenschap.

Er waren op ons kerstfeest zoveel mensen, dat we ons kerstboompje naar buiten sleepten en midden op ons erf zetten. Met behulp van dia’s werd het verhaal van de geboorte van Jezus verteld. Op die manier heb je een ongedwongen verkondiging. Zodra je de mensen echter rechtstreeks zou confronteren met evangelieverkondiging zou men zich verzetten. Maar deze spontane manier was echter veel effectiever en veel echter.”

Een bijdrage aan deze spontane methode leverde zoon Nico, die ’s avonds tussen licht en donker gewoon buiten liep, terwijl de hindoes dan bang zijn omdat de demonen komen. Thuis vertelden de hindoe-kinderen echter: „Nico is niet bang, want Nico heeft Jezus bij zich”. En al spoedig liepen ze met Nico mee, want die had zijn God bij zich, zoals hij in zijn eenvoudige kindergeloof had verteld.

Met de kinderen, die bij de familie Visch in huis woonden werden ook veel bijbelse verhalen opgevoerd, want ze konden goed toneelspelen. Deed je zoiets echter op de dorpsverzamelplaats dan leek het op propaganda.

Op het erf van onszelf lag dit anders.

Een jaar later was er weer een huis in de stad beschikbaar en ds. Visch verhuisde met zijn gezin naar Denpasar.

De jaren 1959 tot 1963 zijn de meest dramatische geweest. Toen begon de opkomst van verschillende partijen, waarvan de communistische het sterkst was. Tegelijkertijd gebeurde er ramp op ramp, zoals een muizenplaag en het uitbarsten van de vulkaan Goenoeng Agoeng.

Daarom kwam men op het idee een groot offerfeest te houden in de hoofdtempel. Dat zou een verademing geven na alle rampen. Toen kwam de uitbarsting van de vulkaan en daar volgden veel interpretaties op. De vulkaan werd namelijk beschouwd als de verpersoonlijking van de godheid van Bali. „Toorn van God tegen diegenen die eer willen zoeken met het offerfeest”, zeiden sommigen. „Goede ontvangst”, meenden anderen.

In 1965 was de coupe in Djakarta. Ook de situatie op Bali was toen zeer gespannen. Alles wat communist heette werd uitgeroeid. In die tijd was er een opleving van het hindoeïsme. Met schrik werd men zich bewust, dat de godsdienst, zoals die tot nu toe reilde en zeilde geen houvast bood in deze turbulente tijd. Men ging zich verdiepen in wat men nu eigenlijk geloofde.

Met deze opleving was ds. Visch erg ingenomen, want nu kon een gesprek tussen christenen en hindoes mogelijk worden.

Toen bleek, dat christenen ook zo weinig wisten wat ze geloofden.

Een ABC-cursus werd opgesteld en ds. Visch ging met zijn Balische collega’s de verschillende gemeenten langs. Overal bleef men een paar dagen om met behulp van platen de grondslagen van het Evangelie te vertellen. Ds. Visch: „Toch lag dit werk heel gevoelig, want zodra men dacht, dat we er eer mee zouden inleggen, werd de zaak getorpedeerd.”

Ook het bijbellezen werd gestimuleerd. De meeste mensen kenden dit niet en in veel huizen ontbrak het aan bijbels. Mevrouw Visch: „We trachtten te helpen de gedachten te richten in deze gespannen tijd, waarin men na de moordpartijen in een soort psychose leefde, en we raadden aan: ga eens lezen. Korte bijbelgedeelten werden via stencils verspreid. Daarmee zijn we doorgegaan totdat we weggingen.”

De laatste jaren zijn ds. Visch en zijn echtgenote betrokken geweest bij een groot werk van de Indonesische Raad van Kerken om door middel van doorlichting een beeld te krijgen van het leven en de ontwikkeling van de kerken in Indonesië, maar ook van andere godsdiensten.

Bij dit onderzoek kwam men tot de ontdekking, dat christenen nauwelijks iets wisten van de hindoe-godsdienst of andersom. Ds. Visch had bij dit onderzoek het toezicht op Oost-Java en Bali.

Nu is er een dikke streep gezet onder 23 jaar Bali. Afscheid is genomen van de kinderen — soms waren het er twintig, die huize Visch bevolkten. Want nadat het internaat was verdwenen kwamen er steeds meer verzoeken binnen of de familie Visch niet die of die bij zich in huis zou willen nemen. Het ging om kinderen met geheel verschillende achtergronden. Een meisje kwam bijvoorbeeld zomaar aanwaaien met de vraag of ze mocht blijven, ze kon dan christen worden en hoefde niet volgens hindoe-gewoonte te trouwen met een man, die meer dan één vrouw zou hebben, zoals haar vader. Ze mocht blijven, werd christen en trouwde later met een christen. Een meisje van vijf jaar, gebrandmerkt als een geboren dievegge, werd eveneens opgenomen in het gezin.

Daar bleek, dat alles wel meeviel.

„Ja, zo had ieder zijn eigen geschiedenis”, zegt mevrouw Visch. „Je weet bij dit werk nooit van tevoren wat je kunt verwachten. Ik had ook niet gedacht nog eens een huis met zoveel kinderen te zullen hebben.”

Je weet het nooit van tevoren.

Dat geldt ook voor de nieuwe toekomst in West-lrian.

„Er is altijd werk genoeg, maar soms heel anders, dan de taak, die wordt omschreven. Je doet wat op je weg komt. Soms vraag je je wel eens af, waarom ben ik hier. Maar je weet, toch is dit de plaats waar ik aanwezig moet zijn …”

Riet Diemer


WERELDGEBEDSDAG - 3 MAART 1972

De gebedsleidraad voor 1972 is samengesteld door Europese vrouwen (zowel uit Oost- als uit Westeuropese landen) rondom het thema:

Verblijdt U in den Heer te allen tijde.

De Europese vrouwen hebben aan vrouwen uit alle kontinenten om voorbede gevraagd voor:

— mensen die emigreren naar andere landen omdat er thuis niet voldoende bestaansmogelijkheden zijn; (vrouwen van gastarbeiders vragen voorbede voor hun mannen, die als vreemdeling temidden van andere volken verkeren);

— ouderen en jongeren en de verhouding tussen de generaties;

— ons dagelijks leven, waarin zóveel mogelijkheden — ten goede en ten kwade — voor ons liggen, dat we er duizelig van worden en waarin dikwijls zo weinig tijd over blijft voor de verborgen omgang met God. Hoe kan daar het christelijk geloof levend blijven?

De liturgie die over de hele wereld gebruikt wordt, in vele talen vertaald, is in het Nederlands tegen 40 cent te verkrijgen.

Inlichtingen bij de Stichting Nederlands Comité Wereldgebedsdag, p/a Agnietenstraat 7 bis, Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1972

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

Met Visch op Bali

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1972

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

PDF Bekijken