Bekijk het origineel

Kunnen wij als diakonaat hierop inspelen?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kunnen wij als diakonaat hierop inspelen?

16 minuten leestijd

Bij het begin der wereld stelt God aan de mens twee vragen: „Adam, waar zijt gij?” en „Kaïn, waar is uw broeder?”

De relatie van God tot de mem wordt hier ten nauwste verbonden met de intermenselijke verhouding. Het één verstaal zich niet zonder bet ander. Aanvaarding van het geloof in God als schepper en bestierder van de aarde met de mens betekent vanuil de getrokken lijnen tevens medeverantwoordelijkheid van de mens tegenover zijn medemens, wat ook inhoudt aan de ander dienstbaar te zijn. De rode draad van deze goddelijke opdracht is door de hele Bijbel been duidelijk aanwijsbaar en is ons in het bijzonder voorgehouden door de gestalte van de dienstknecht Jezus Christus, Gods eigen zoon, ter wereld gezonden ons ten voor-beeld en lering.

Geldt de diakonia — de dienstbaarheid — voor ieder die de naam van Christus als Gods zoon belijdt, in het bijzonder zijn daarvoor geroepen de diakenen in de christelijke gemeenten.

Dienst der barmhartigheid.

Artikel XIX van de kerkorde omschrijft de dienst der barmhartigheid als volgt:

„1. Krachtens de gemeenschap in het Heilig Avondmaal en in navolging van haar Heer vervult de gemeente haar diakenale opdracht in de kerk en in de wereld.

2. De leden der gemeente geven door werken der barmhartigheid gehoor aan de roeping tot onderling dienstbetoon en tot bijstand aan hen, die lichamelijk, zedelijk of maatschappelijk in nood verkeren, en dragen de arbeid der diakenen.”

Nader worden deze hoofdlijnen uitgewerkt in ordinantie 15. Ik meen er goed aan te doen U de eerste twee artikelen volledig voor te houden:

Artikel 1

1. De gemeente, in al haar leden geroepen tot de dienst der barmhartigheid, beantwoordt, onder de leiding of door de arbeid van de diakenen, aan deze roeping in het diakonaat.

2. Dit diakonaal krijgt gestalte in

het betrachten van onderling dienstbetoon;

het verlenen van bijstand, verzorging of bescherming aan hen, die dat behoeven;

het verrichten van bepaalde taken op diakonaal terrein;

het verlenen van medewerking aan andere arbeid ten behoeve van het maatschappelijk welzijn:

het bijeenbrengen van de voor de uitoefening van het diakonaat in en buiten Nederland benodigde gelden; en

het dienen van de kerk in haar taak om overheid en samenleving te wijzen op haar roeping ten aanzien van de sociale vraagstukken de gerechtigheid te betrachten.

Artikel 2

1. De diakenen bevorderen door hun voorlichting en leiding, dat de gemeenteleden gehoor geven aan hun diakonale roeping.

2. De diakenen treilen, waar nodig, voorzieningen tot verlening van diensten aan hen, die hulp behoeven, en tot bevordering van het maatschappelijk welzijn.”

Her diakonaat krijgt dus óók gestalte in het verlenen van medewerking aan andere arbeid ten behoeve van het maatschappelijk welzijn en voorts wordt aan de diakenen opgedragen voorzieningen te treilen tot bevordering van het maatschappelijk welzijn. Duidelijk geeft de grondwet van onze kerk dus aan, dat ook het maatschappelijk welzijn tot de dienst der barmhartigheid behoort te worden gerekend en legt de diakenen te dien aanzien een taak op.

Diakonaat-maatschappelijk welzijn.

Hier gaat het nu speciaal om de relatie tussen het diakonaat en de zorg voor het maatschappelijk welzijn.

Hoe verhielden — verhouden en zullen zij zich in de toekomst tot elkaar verhouden? Zorg voor het menselijk welzijn is er in feite altijd in de een of andere vorm geweest. Maar de tijd heeft er een steeds verder strekkende betekenis aan gegeven, mede als gevolg van de maatschappelijke ontwikkelingen. De term „maatschappelijk welzijn” is nog betrekkelijk jong. Het duidt op het totale leven van de mens in de samenleving. Materieel en immaterieel. In zijn relatie tot zijn medemens, tot zijn gezin, zijn buren, de overheid, tot het verkeer en nog veel meer relaties, Als deze verbindingen voldoening geven, kan er van maatschappelijk welzijn worden gesproken.

Het was overigens een lange weg van de Armenwet naar de Bijstandswet. De diakonie roept voor velen buiten, maar ook in de kerk nog steeds associatie op met de armenzorg. Het beeld van de diaken heeft nog wel wat van de (enten uitdelende man. De maatschappelijke ontwikkeling is na de laatste wereldoorlog ontzagwekkend en stormachtig geweest. Diakonaal gezien is de oude arme verdwenen en zijn er nieuwe armen, beter gezegd nieuwe naasten, voor in de plaats gekomen. Heeft het diakonaat of hebben de vooruitgeschoven diakenen deze anderen steeds weten te ontdekken? Met andere woorden: heeft de diens! der barmhartigheid de tijd scherp in het oog gehouden.’ De snelle veranderingen in de maatschappij vragen — ook van de diakenen — een voortdurende bezinning op de taak van het diakonaat. De taken van de diakenen hebben zich allengs meer uitgebreid. Deze werkterreinverbreding bracht met zich mede, dat professionele krachten op bet terrein van de maatschappelijke dienstverlening één der vormen waarin het maatschappelijk welzijn wordt behartigd — moesten worden ingeschakeld. Uit de woorden van de heer Gijsbers is mij overigens gebleken dat het allemaal niet zo principieel is toegegaan en dat de principiële lijn ook voor de toekomst nog met duidelijk is. De praktijk speelt altijd en overal een belangrijke rol. Hier naderen wij mijns inziens de kern.

De relatie van het diakonaat tot de maatschappelijke dienstverlening, toegespitst op de veranderingen die gaan komen. Maatschappelijke dienstverlening in de zin van professionele hulpverlening zoals algemeen maatschappelijk werk, gezinsverzorging, bejaardenzorg, bureaus voor levens en gezinsvragen, werk in de wijk en dienstencentra. Al moet duidelijk zijn dat het diakonaal de dienst der barmhartig beid alleen dàn kan vervullen, wanneer het in de uitvoering van de complexe hoeveelheid dienstverleningen wendt bijgestaan, wordt geholpen door beroeps-krachten niet mag worden verheeld, dat deze ontwikkeling niet zonder de nodige spanningen, onbegrip en zelfs schade is verlopen.

Rieht ik mij hier speciaal op het kerkelijk algemeen maatschappelijk werk, dan moet geconstateerd worden, dat menig diaken daarmede nog genoeg moeite heeft, maar ook omgekeerd de maatschappelijk werker niet steeds de taak van het diakonaat en de diaken verstaat. Inderdaad vereis! de aanpak van vele rondom een medemens gerezen problemen een via een beroepsopleiding verkregen kennis, en heeft het diakonaat deze vakkennis nodig om het welzijn van de mens te bevorderen — denk aan de grondwet van onze kerk — dit moet echter niet tot een zodanige verzelfstandiging van de kerkelijke maatschappelijke dienstverlening leiden, dat de diakenen en daardoor ook de gemeente en haar leden hun taak in deze niet meer voelen in ook niet meet begrijpen.

Overigens blijft de vraag bij voortduring interessant welke maatschappelijke dienstverlening tot de taak van de kerk — van het diakonaat — behoort, met andere woorden: waar ligt de grens van de diakonia?

Kerkelijke maatschappelijke dienstverlening betekent, dat deze hulp door de kerk wordt gedragen, van de kerk uitgaat. De kerk is hierbij de gemeente, die in al haar leden geroepen is tot de diensl der barmhartigheid en deze roeping beantwoordt in het diakonaat. Voor de kerkelijke maatschappelijke dienstverlening vormt de gemeente het achterland, van waaruit inspiratie en steun moet worden verleend aan de werkers op het veld van de van de kerk uitgaande maatschappelijke dienstverlening, Het gaat dus om de levensbeschouwelijke inbreng van de zijde van de gemeente, via de diakenen in de door haar geroepen en gedragen sociale dienstverlening. Ren moeilijk begrip — levensbeschouwelijke inbreng. Wat moet daaronder worden verstaan. Wat betekent dat concreet ten aanzien van de problemen waarvoor de werkers op het veld van de maatschappelijke dienstverlening komen te staan? De gemeente dient zich met het oog op deze inbreng van uil het eigen geloof steeds te vormen zich bewust te maken van haar verantwoor delijkheid ten opzichte van de maatschappelijke dienstverlening. De ervaring heeft mij geleerd, dat aan deze vorming nog veel gedaan moet winden, wil de gemeente haar taak in de verdere maatschappelijke ontwikkelingen, die ons ongetwijfeld te wachten staan, blijven verstaan.

Heeft de gemeente — in het bijzonder dan de diaken de kerkelijke, professionele werker in de maatschappelijke dienstverlening die voeding te geven, die deze wer ker als uitvoerder van een door de gemeente opgedragen taak zo dringend nodig heeft om „kerkelijk” sociale diensten te kunnen verlenen deze werker heeft ook een taak tegenover de diaken en de gemeente. Hoe kunnen zij immers anders de beroepskrachten in hun positie steunen en inspireren? Diaken en professionele hulpverlener zullen elkaar in ieders taak moeten begrijpen, accepteren en aan vullen, wil het diakonaat ook in de maatschappelijke dienstverlening gestalte krijgen. Met nadruk zou ik op de dringende noodzaak van vorming van de gemeente voor het geëigende van de maatschappelijke dienstverlening als vorm van diakonaat willen wijzen.

Ik veroorloof mij hier de aandacht te vestigen op de dissertatie van ?r. A. W. Kist, oud directeur van het Vormingscentrum Oud-Poelgeest thans rechter aan de arrondissementsrechtbank te Arnhem, met een speciale opdracht ten aanzien van de maatschappelijke vorming van de rechters. Dr. Kist heeft zijn proefschrift genoemd: „Antwoord aan de machten. Machten, die de mens belagen, voor een voldoende tegenwicht vormend antwoord is vorming van de mens nodig en voor de christelijke gemeente, wil zij dat werkelijk zijn en vanuil haar geloof antwoord kunnen geven op de vragen van deze tijd, evenzo. De geroepenheid van de gemeente in het diakonaat betekent ook, dat de leden der gemeente deelnemen aan o.a. bestuurstaken hij instellingen voor maatschappelijke dienstverlening. Daarmede wordt evenzeer het maatschappelijk welzijn bevorderd.

Een ander gezicht.

Sprak ik in het voorgaande over de relatie tussen diakonaat en kerkelijke maatschappelijke dienstverlening, daaraan moet thans nog worden toegevoegd dat de maatschappelijke dienstverlening sinds geruime jaren al niet meer afhankelijk is van toevallig particulier, kerkelijk initiatief, maar maatschappelijk is gefundeerd. Dat lag in de lijn van de algemene maatschappelijke ontwikkeling. De sociale dienstverlening heeft daardoor een nieuw eigen gezicht gekregen, mede door de zich wijzigende opvalling hij de professionele krachten omtrent hun beroep.

De gemeens, hap draagt nu via de overheid de maatschappelijke dienstverlening. De burger heeft recht op hulp, welke hulp betaald wordt via subsidies van de overheid, zij het nu nog grotendeels. Het is duidelijk, dat deze overheid dan ook een zekere inspraak krijgt ten aanzien van de te verlenen sociale diensten. Het is evenzeer duidelijk, dat het geschetste proces de maatschappelijke dienstverlening een andere plaats in de maatschappij zal geven. Zij is niet meer ?oorbehouden aan de leveranciers en de afnemers van diensten, behorend tot bepaalde bevolkings-groepen. Iedereen kan nu, waar ook, maatschappelijke hulp krijgen. De verprofessionalisering van de maatschappelijke dienstverlening heeft voorts tot de institutie, de verzelfstandiging daarvan Sterk bijgedragen. Deze ontwikkeling is een feil geworden. De tijd gaat door. De wereld verandert voortdurend en de mens blijft daarin niet achter. De beer Gijsbers heeft in het voorgaande een duidelijke schets gegeven van de ontwikkelingen op het terrein van het maatschappelijk welzijn. Waarbij de steun van het particulier initiatief, ook van de diakenen dus, van zeer groot belang is. De minister van CRM. verwacht een plaatsbepaling.

Inspelen.

Het diakonaat heeft met de genoemde ontwikkeling rekening te houden. Maar kunnen wij als diakonaal hierop inspelen?

Het thema van deze middag heeft iets speels in haar bewoording: Inspelen op Veranderingen. Om op iels te kunnen inspelen, moet begrepen worden, waarop moet worden ingespeeld. De woorden zijn wel duidelijk — op de ontwikkelingen, veranderingen op het terrein van het maatschappelijk welzijn, maar wat houden zij, gezien vanuit het diakonaat, in?

Achter de speelsheid gaat een grote einst schuil. Immers is het maatschappelijk welzijn van de mens in het geding of anders gevraagd: wordt het maatschappelijk welzijn door de veranderingen wet bevorderd? De door de minister voorgestane ontwikkeling komt er in grote lijn op neer, dat hij schaalvergroting van de maatschappelijke dienstverlening uit doelmatigheidsoverwegingen noodzakelijk acht en scheiding tussen uitvoering daarvan en bezinning op de samenlevingsopbouw.

In de betreffende nota inzake de samenwerkingsorganen (van 1969) worden voor de verschillende niveau’s enkele figuren uitgewerkt.

Zo dient op groot stedelijk niveau te worden gestreeld naar gemeenschappelijke behartiging in interlevensbeschouwelijk velband van daarvoor in aanmerking komende laken van maatschappelijke dienstverlening. Daarnaast zal per levensbeschouwelijke groep een orgaan aanwezig dienen te zijn, dat verantwoordelijk is voor bijdragen van die groep tot de samenlevingsopbouw.

De Minister stelt zich een periode van 3 à 4 jaar voor, waarbinnen voldoende ervaring kan ziin opgedaan om de bruikbaarheid van de door hem voorgestane ontwikkeling te toetsen. Te verwachten rijn daarna ministeriële richtlijnen ten aanzien van de uitvoering van de maatschappelijke dienstverlening en van de be zinningsfunctie consequenties hebbend voor de subsidiëring.

Wat doen we nu?

Hoe moet het diakonaal zich tegenover de komende ontwikkeling op het terrein van het maatschappelijk welzijn opstellen? Naar mijn stellige overtuiging positief. Het proces is overigens al gaande. In de loop der jaren zijn verschillende Hervormde instellingen voor maatschappelijk werk en gezinsverzorging een verband met andere levensbeschouwelijke instellingen aangegaan. Deze ontwikkeling is niet tegen te houden en moet ook niet worden tegengegaan. De schaalvergroting van de maatschappelijke dienstverlening — in welke vorm ook — zal er toe leiden, dat meer mensen worden bereikt. De praktijk heeft zulks al bewezen. Iedere mens,. die maatschappelijke hulp in enige vorm nodig heeft, moet deze hulp, waar ook, kunnen krijgen, Gelet Op de belangen van de mens en de gemeenschap daarbij is het maatschappelijk geboden, dat de hulp doelmatig wordt opgezet. Daaraan heeft het diakonaat — hebben de diakenen — mede te werken. Het maatschappelijk welzijn wordt erdoor bevorderd. De grondvlakverbreding van de maatschappelijke dienstverlening, het bijeen brengen daarvan in interlevensbeschouwelijk of zelfs algemeen verband mag er echter mijns inziens niet toe leiden, dat de band met het thuisfront wordt verbroken.

Het diakonaat houdt tot taak de bevordering van het maatschappelijk welzijn en mag en moet zich daarmede blijven bezighouden Wal betekent dat dan? Ik meen dat er verschillende redenen voor de verbinding — misschien zelfs versterkt — kunnen worden aangevoerd.

De kerk de gemeente heeft een taak ten aanzien van het welzijn van de mens. Ook van het maatschappelijk welzijn. De mens, die een binding met een kerk, een gemeente heeft, moet de band op verschillende tijden en plaatsen kunnen voelen. De kerk heeft ook vanuit haar geloof een verantwoordelijkheid tegenover de ge meenschap. Het welzijn van de gemeenschap dient zij eveneens te bevorderen.

Ik ben daarbij de overtuiging toegedaan, dat er ook in een andere ludieke opzet sprake kan zijn van maatschappelijk werk vanuil een levensbeschouwelijke achter grond. De wijze van benadering van de hulpbehoevende mens en van zijn probleem door de maatschappelijk werker is uitermate belangrijk. Soms is een zuiver „technische behandeling voldoende, in een ander geval is bredere hulp — van bijvoorbeeld een predikant - nodig. Het argument legen binding met het levensbeschouwelijke achterland, dat bijna nooit naar een maatschappelijk werket uit dat land wordt gevraagd, acht ik weinig sterk. Van groot belang is de instelling en de overtuiging die bij de maatschappelijk werker aanwezig is. Hij moet in staat zijn aan te voelen wat er achtel de nood eau de hulpvragende mens schuil gaat.

Ik doel hierbij natuurlijk niet de vakbekwaamheid van de maatschappelijk werker. Mijn Vraag is alleen of hij ook méér kan aanvoelen daarvoor de intentie heeft. Moet er niet iets van de identiteit van de maatschappelijk werker afstralen, zonder daarbij een overtuiging te willen opleggen? Het diakonaat, de gemeente en de diakenen behoren te laten blijken, dat zij de maatschappelijke dienstverlening dragen en steunen. Zij hebben hun inbreng ook te leveren door uit hun midden bekwame bestuurders aan te brengen.

Zal dit alles in de nieuwe opzet te verwezenlijken zijn? Ik hoop en verwacht het, maar zei wel enkele vraagtekens. Zijn de professionele werkers bereid met de levensbeschouwelijke inbreng van de kerken rekening te houden, slaan zij daarvoor nog open? Is bi| hun opleiding daarmede voldoende rekening gehouden? Hoe zal de samenstelling van het bestuur en de directie van een breder opgezette in stelling voor maatschappelijke dienstverlening zijn? Hoe stelt het achterland zien op? Is het toegerust voor het komende en reeds in voorbereiding zijnde proces tot veralgemenisering van de maatschappelijke dienstverlening? Weet het hoe het zich heeft op te stellen? Hebben de diakenen zich reeds beraden hoe zij de verschillende verbindingen tot stand kunnen brengen?

Wanneer eenmaal de nieuwe vorm zal zijn gevonden, laten dan die diakenen niet gelijk krijgen, die grote twijfels ten aanzien van de band met het thuisfront hebben uitgesproken, die bevreesd zijn dat het maatschappelijk werk helemaal een geheel eigen weg zal gaan, waardoor zij een bepaald geval niet meer in het vizier krijgen om het vanuit de gemeente ook te doen benaderen, Zal op iemands uitdrukkelijk verzoek door de instelling naar een maatschappelijk werker van een bepaalde signatuur worden verwezen?

Wanneer op deze vragen een positief antwoord wordt verkregen, zal het diakonaat ook straks in de maatschappelijke dienstverlening gestalte krijgen.

Het diakonaat, de gemeente en de diakenen moeien zich bij hun beslissing omtrent medewerking aan de schaalvergroting van de maatschappelijke dienstverlening ernstig beraden over hun verantwoordelijkheid in deze.

Ik heb leeds gezegd, dat het diakonaat zich mijns inziens posilief kan opstellen tegenover de voortschrijdende ontwikkeling op het gebied van de uitvoering van de maatschappelijke dienstverlening, Daarbij zou ik dan wel willen bepleiten, dat:

— de gemeente zich door voorlichting van de diakenen voortdurend op het maatschappelijk welzijn bezint en zich in de besturen van de betreffende instelling bekwaam doet vertegenwoordigen;

— de zekerheid wordt verkregen, dat de leiding van de instelling zich positief ten aanzien van het specifieke van de achterlanden opstelt:

— de samenstelling van het personeelsbestand verschillende signaturen laat zien zodat ieder verzoek om hulp volgens verwachting en mogelijkheden kan worden ingewilligd: eu

— regelmatig van gedachten wordt gewisseld tussen de diakenen en de werkers op het veld, ter wederzijdse informatie en voeding

Bijzonder belangrijk is ook de plaats, waar de professionele werkers worden opgeleid en hoe dat gebeurt. Met andere woorden, hoe winden de werkers Voorbereid op hun taak? Daaromtrent doen zich de nodige vragen voor. Is de rol van de kerken daarbij uitgespeeld? Dat zou te betreuren zijn.

Tenslotte: krijgt in de nieuwe opzet het levensbeschouwelijk orgaan van samenwerking in de z.g. tweede functie (bezinning op de samenlevingsopbouw) een grote taak zowel naai het in het orgaan vertegenwoordigde achterland als naar de uitvoerende instelling? Daarin moet de stem van de diakonia kunnen doorklinken, maar laat die dan ook holen en duidelijk zijn. Laat het diakonaat zich met alle kracht inzetten voor het maatschappelijk welzijn van de mens en dus inspelen op de veranderingen. Er staat veel op het spel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1972

Diakonia | 32 Pagina's

Kunnen wij als diakonaat hierop inspelen?

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1972

Diakonia | 32 Pagina's

PDF Bekijken