Bekijk het origineel

van eenheid en onderscheidenheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

van eenheid en onderscheidenheid

8 minuten leestijd

Het diakonaat in het Nieuwe Testament II

Als we verder gaan met onze wichelroede over het veld van het Nieuwe Testament, speurend naar teksten die over het diakonaat spreken en ons misschien kunnen informeren over de oorsprong van het diakenambt, over het wat en hoe van de diakonie in de oergemeente, komen we bij Romeinen 12.

Onze wichelroede slaat door boven een tekst die duidelijk het diakonaat noemt. Gaan we dan nader onderzoeken, dan is toch de eerste indruk, dat we niet veel verder komen dan dat we een bewijs vinden, dat er zo iets als diakonaat geweest moet zijn. Maar onze exacte vragen: „Was het een ambt? Was dat ambt liturgisch of sociaal gericht? Welke plaats nam het in tussen de andere ambten?” vinden geen antwoord.

In ons vorige artikel moest de gevolgtrekking zijn, dat Handelingen 6 toch strikt genomen niet gelezen kan worden als een relaas over de instelling van het diakenambt. Nu moeten we zeggen, dat ook hier geen concrete informatie gegeven wordt. Iets anders is, dat het wel eens zou kunnen zijn, dat het indirecte getuigenis belangrijker is dan de directe concrete informatie.

Wij willen daarom dan ook niet direct afstuiven op vers 7, waar de diakonia expliciet wordt genoemd. Inderdaad niet meer dan genoemd. In het Grieks komt dat nog sterker uit dan in onze vertalingen, die door omschrijving en toevoeging proberen de tekst wat minder staccato en wat vloeiender te maken. Letterlijk staat er alleen maar: „hetzij diakonia in de diakonia”. In vers 8. dat ook in de sfeer van het diakonale ligt, staat alleen: „de barmhartigheid bewijzende in blijmoedigheid”.

Wij beginnen daarom bij vers 1. De opbouw van de zin („dan”, „nu”) suggereert aansluiting bij het voorgaande. Dat is veelbelovend, want het slot van hoofdstuk 11 is een doxologie, een lofprijzing.

Wat zal er komen nadat de lofzang op zo hoge toon gezongen is? Anderen laten 12:1 aansluiten bij 8:39. De hoofdstukken 9–11. waarin Paulus schrijft over het geheimenis van Israël, het duistere geheim van Israels „neen” op Jezus, het lichte geheim van de belofte over Israel, zouden dan een tussengeschoven uitweiding zijn. Nadat die hoofdstukken het verband gebroken hebben, wordt dan hier de lijn weer opgenomen. Ik geloof het niet zo erg dat het gedeelte over Israël zo-maar uitgelicht zou kunnen worden. De argumenten daarvoor laat ik nu maar rusten, want voor het begin van ons bijbelgedeelte zou het niet veel uitmaken. Ook dan immers zou aangesloten worden bij een hymnisch, hooggestemd stuk, dat een juichend lied is van de zekerheid over de liefde van God. Ook dan zouden we moeten zeggen: het is veelbelovend, als daarbij aangesloten wordt.

Wat zal er komen nadat de lofzang op zo hoge toon gezongen is?

Dat wordt een tegenvaller. ’t Begint immers: „Ik vermaan U dan”. Dat roept bij ons het beeld op van een strenge, autoritaire, moralistische prediker met geheven vermanende wijsvinger. Toch niet te snel zijn. Het is een vermaning tot de „broeders”. Bovendien kan het woord dat hier met „vermanen” vertaald wordt ook „vertroosten” betekenen. Het gaat om vermanend vertroosten, vertroostend vermanen. Zeker er moet in het leven heel wat anders, het denken moet vernieuwd worden, de levenshouding hervormd.

Maar dat is niet een last. Het is een vrolijk-ernstige zaak. Het gebeurt niet op grond van streng moralisme. Paulus vermaant met een „beroep op de barmhartigheden Gods”. Het gaat niet zo toe, dat die barmhartigheid — wie weet, laten we hopen — ergens in het verschiet ligt, als men maar genoeg zijn best doet. Neen, de barmhartigheden Gods zijn bewezen, ze zijn het uitgangspunt, de levenswerkelijkheid, het geldend geheim. Daarom mag geloofd worden, dat het leven een welgevallig offer van God mag zijn. Offers van mensen zijn altijd beneden de goddelijke maat. Maar de maat van de goddelijke liefde meet verrassend. Ze mogen „hun lichamen stellen tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer”. Iedere diaken spitst hier de oren. Dat is immers de taak van het diakonaat om voortdurend er aan te herinneren dat het gaat om de „lichamen”. om de hele mens zoals hij in de geschiedenis staat en gaat, dat het een valse tegenstelling is als we het „gewone” en het zgn. „geestelijke” leven tegenover elkaar plaatsen.

De lofzang in de gemeente-samenkomst en de handreiking aan iemand die dreigt vast te lopen is één eredienst, onze „logische”, zoals er letterlijk staat, onze „redelijke” eredienst. Noordmans heeft ervan gezegd: „Daarin wordt niet gezegd dat in de gemeenten, die Paulus heeft gesticht geen eredienst zou zijn, maar wel dat er geen scheiding tussen dienst en leven moet wezen. We hebben hier een sobere spirituele eredienst, die aansluit bij het christelijke leven.

De offerande, die men volgens de ritus van Joden en heidenen in de dienst zou verwachten, kan men bij de christenen elke dag in het leven vinden”. Dat is taal voor het diakonale hart! Inhoudelijk betekent het een radicale verandering van oriëntatie. Een oriëntatie niet op deze „eeuw” (aeon, wereld) maar op de barmhartigheden Gods, op het heil dat geschied is en dat geschieden zal. Er zit altijd iets in van tegen-de-draad, tegen-de-stroom. Je moet er in oefenen en in geoefend worden om te „onderkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene”. Het is een insnijdende zaak om te leren niet te denken naar het schema van de wereld, meningen en noden. Bij deze aeon hoort het zoeken van je eigen belang en eer, eigen macht en grootheid. Wie de barmhartigheden Gods kent, gaat anders kijken. Dat is een zaak die van doorslaggevende betekenis is voor onze visie op aktuele wereldproblemen als racisme, „onderontwikkelde” landen enz.

Toch doen we goed de oefening ook in de buurt te houden. De christen die al hij de nieuwe aeon hoort is voortdurend in de verleiding om ook weer te gaan denken naar het schema van de oude aeon. Daarom — en dat niet vanwege een of andere aangeboren beminnelijke eigenschap van bescheidenheid of zo, maar „krachtens de genade die mij geschonken is” — „zeg ik: Koestert geen gedachten, hoger dan U voegen”.

Paulus laat dan zien, hoe de kerk, de gemeente een instrument is, een proeftuin is van de realisering van dit „offer”, deze representatie van de barmhartigheden Gods, dit denken naar de nieuwe aeon toe. En daarin krijgt ieder gemeentelid zijn plaats en functie. Het waaiert uit in een grote gevarieerdheid. Maar… die variatie is gebaseerd op eenheid. De variatie spreekt in de veelheid van gaven. De eenheid in het beeld van het lichaam.

We zullen in het vervolg van deze reeks merken, dat telkens als Paulus spreekt over gaven en ambten hij het beeld van het lichaam van Christus gebruikt. Dat beeld staat voor eenheid en onderscheidenheid, voor de onmogelijkheid op je eentje en voor jezelf te leven en te werken, voor de onmogelijkheid ook om allemaal hetzelfde te willen zijn en doen. Er is wel eens een wat beneden de maatse discussie wie nu toch wel belangrijker of hoger is in ambt en bediening. Veel belangrijker is dal Paulus de taken en roepingen ziet als gaven van de Geest!

Hij hebben „charisma” vaak gereserveerd voor het opvallende en buitengewone en daarmee tegelijk hef charismatische de kerkdeur uitgewerkt. Klier blijkt ook het onopvallende, het gewone charismatisch te zijn: onderwijzen, vermanen, leiding geven. De opsomming roept nogal wat vragen op. In een volgend artikel zullen we daar nog wat nader op ingaan. Paulus veronderstelt dat zijn lezers wel weten wat hij bedoelt met „profetie” enz.

In de opsomming komt dan ook de „diakonia”: als dat je charisma is, nu dan moet je dat ook doen in het geloof, dat in de eenheid van „het lichaam” dat jouw verantwoordelijkheid en opdracht is, Algemeen wordt wel aangenomen dat het in deze diakonia gaat om een vorm van ondersteuning van de „armen”. Dat is direct van hef eerste begin af de „afwijking” van de Gemeente geweest, dat ze omwille van de barmhartigheden Gods eerder de diepte zocht dan de hoogte. Daarom werd er in eenvoud uitgedeeld en niet met tegenzin, maar met blijmoedigheid barmhartigheid geoefend Hoe die gaven, bedieningen, ambten zich onderling verhielden, behalve dat ze leden van een lichaam zijn, wordt niet nader uitgewerkt. „De eerste contouren van een veelvoud van ambten worden zichtbaar, maar het zijn niet veel meer dan contouren: we zijn nog in de eerste generatie en het ambt van apostel overschaduwt nog de vele diensten en gaven” (Lekkerkerker).

Nog eens: de directe informatie is uiterst gering. Maar het indirecte getuigenis is van groot gewicht voor ons diakonale werk. Want daar blijft het om gaan, ook in de andere situatie van ons gemeente-zijn, dat de eredienst de kerk uitgaat, lichamelijk present is in de wereld de barmhartigheden Gods representeert. Daar blijft het om gaan, dat er een plek is, een dienst is, waar anders wordt gedacht, waar het schema van deze aeon niet alles bepaalt, waar een vermoeden is van „de wil van God, het goede, welgevallige en volkomene”.

Daar blijft het om gaan, dat de Gemeente in deze wereld in allerlei vorm getuigenis ervan aflegt, dat ze lichaam van Christus is, een lichaam dat ook handen heeft om te dienen, te delen, barmhartigheid te oefenen. En dat alles: met blijmoedigheid. Je zou ook kunnen zeggen: zo, dat geen moeite te veel is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

Diakonia | 32 Pagina's

van eenheid en onderscheidenheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1973

Diakonia | 32 Pagina's

PDF Bekijken