Bekijk het origineel

toerusting tot werk van dienstbaarheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

toerusting tot werk van dienstbaarheid

7 minuten leestijd

Het diakonaat in het Nieuwe Testament III.

Ef. 4: 11 – 16

Een grandioze brief, die zogenaamde „brief aan de Efeziërs”!

Ik zeg „zogenaamde”, omdat de adressering „te Efeze” in het eerste vers van de brief in de beste handschriften ontbreekt. Het zal wel kloppen, als nieuw-tes-tamentici vermoeden, dat het gaat om een rondzendbrief aan verschillende gemeenten in Klein-Azië, die tenslotte in Efeze is blijven hangen. Het doet er niet veel toe. Belangrijker dan al deze en dergelijke op zichzelf interessante wetenswaardigheden is de inhoud van de brief.

En dan — nog eens — kunnen we niet anders dan zeggen: een grandioze brief! In volgetaste, soms zeer lange zinnen, in een vaak hymnische, vervoerde stijl schrijft de apostel voor de Gemeente. Wat hem daarin vooral fascineert is de eenheid.

Maar dan moeten we wel zien, dat het een zeer bepaalde eenheid is, die Paulus boeit: de eenheid in de Messias Jezus van … Joden en heidenen. Dat is het grote mysterie, dat Paulus op de knieën brengt voor de Vader (3 : 14), dat de volken, de goyim, bij het geheim van Israël en zijn Messias geroepen zijn. Zij mogen volop meespelen. „De tussenmuur, die scheiding maakte” (2 : 14) is neergehaald. Vanuit die nieuwe eenheid gaat hij dan de Gemeente bezien. In hoofdstuk 4 is het woord „één niet van de lucht. Maar met de genoemde achtergrond kan er geen sprake zijn van de betovering van het cijfer één en het fascinerende van de een heid op zichzelf. Het gaat voortdurend over „eenheid en verscheidenheid in de gemeente”, zoals de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap als opschrift boven dit hooldstuk zet. De eenheid is niet eenvormig en niet eentonig. Het gaat om een eenheid, die allen omvat en waarin ieder tot zijn recht kan komen. Die eenheid, waarbinnen ruimte is voor veelheid ziet Paulus zichtbaar worden in de Gemeente. „Aan ieder is de genade gegeven naar de mate van de gaven van Ghristus” (7). „Genade” is: een messiaanse rol, die ons ten deel valt … Met ons en niet langer zonder ons wil hij (God) het tot een goed einde brengen. „Genade” is niet alleen gunst van God aan ons, ook niet alleen dat wij bij hem in de gunst komen, maar ook: functie, ambt, onmisbaarheid en onvervangbaarheid” (Tom Naastepad). De ambten worden opgesomd. Neen, zo zeg ik het verkeerd: niet „de” ambten, want het gaat niet om een complete inventarisatie. Eigenlijk zijn het zelfs niet ambten, maar dragers van ambt of bediening. Het gaat allereerst om de mannen en vrouwen, die in de Gemeente „ieder afzonderlijk de genade ontvingen”.

Alles is hier op de mensen betrokken en niet op een kerkordelijk begrip ambt. Nu hebben we als diakenen wel een strop: we staan er helemaal niet bij! Allerlei lieden worden genoemd: apostelen, profeten, evangelisten, herders, leraars, maar geen diakenen. Hoogstens is er een schrale troost, als er nog gevallen zouden zijn, waarin de diakenen wat moeite hebben met hun plaats in de kerkeraad: ook de ouderlingen, de presbyters ontbreken. Nu is zo’n tekst ook niet gegeven als een blauwdruk, waarnaar we de structuren van de kerk moeten bouwen. Paulus doet hier niet anders dan de veelheid binnen de eenheid illustreren; dit en nog veel meer is er in die éne gemeente. We hoeven ons als diakenen dus niet gepasseerd te voelen door de apostel. Bovendien: de „diakonie komt wel degelijk ter sprake. Zelfs zo, dat het in al die ambten om de diakonie blijkt te gaan. De diakonie is het ambt van de gemeente als geheel. Al de genoemde ambten zijn geen doel in zichzelf. Het gaat om de gemeente en alle gemeenteleden. Alle ambten zijn er om „de heiligen” — en dat betekent bij Paulus niets anders dan de gemeenteleden, de gelovigen — „toe te rusten tot dienstbetoon”, tot - zoals er letterlijk staat — „werk van dienstbaarheid, werk van diakonia”. Ik heb een vermoeden, al laten de commentaren me daarbij in de steek, dat het woord dat Paulus gebruikt voor „toerusting” gekozen is, omdat het ook een medische term was. Medisch betekende het zoveel als het zetten, het weer in de kom zetten van bijvoorbeeld een uit de kom geschoten arm. Het lichaam, de Gemeente, is geroepen tot het werk van diakonia. Wie tot het lichaam behoort, lid van het lichaam is, functioneert in die diakonia. Elk op zijn manier en zijn plaats. Een lid dat niet meedoet in de diakonia is als een uit de kom geschoten arm. Hij hoort nog wel bij het lichaam, maar hij bungelt er — om zo te zeggen— wat bij aan, hij heeft geen deel aan de aktie van het lichaam. Daarom moeten zulke leden toegerust worden. „gezet” worden, hun functie weer ontvangen en zien. Zo wordt het lichaam van Christus gebouwd.

Merkwaardig dat doel en functie van de Gemeente worden samengeval in het be-grip „diakonia”! De Gemeente is er niet om zichzelf, is er ook niet om zichzelf te poneren, te handhaven en te laten gelden. Ze is er om te dienen. Maar wie en wat moet ze dienen. Ze dient de wereld! Als we verder lezen merken we hoe ook hier, zoals vaak bij Paulus het geval is, dat het beeld verschuift, verspringt. Het beeld van het lichaam wordt wijder. Het verhaal van de apostel wordt visionair. Achter het lichaam van de Gemeente, die eenheid in veelheid, die veelheid in eenheid is er het visioen van de wereld als lichaam, als een omvattende veelheid in eenheid, eenheid in veelheid in Christus. Door de hele brief licht dat visioen telkens weer op: de Heer alles in allen, hoofd van allen en van alles. En de Gemeente is de plek waar dat vast, als bij voorschot, beleefd en geweten wordt. De Gemeente is de proeftuin voor de toekomst.

We kunnen rustig de diakenen invoegen in Paulus’ opsomming: Hij heeft sommi-gen gegeven tot … diakenen. Het diakonaat als een van de aspecten van het Gemeente-zijn is er ook om toe te rusten lot de diakonia van de Gemeente in de wereld. Daarbij is er een duidelijke bedoeling, een geprofileerd perspectief, dat de apostel aanduidt met „mannelijke rijpheid”, letterlijk: „een volkomen man” Onze onrijpheid, onze onmondigheid wordt getypeerd met het beeld van een schip dat stuurloos op drift geraakt is. „heen en weer geslingerd onder invloed van iedere leer die aanwaait”. Het lijkt me een belangrijke zaak voor onze bezinning op de opdracht van de kerk en daarmee van ons diakonaat, te bedenken dat het gaat om een hulpverlening tot volwassenheid, mondigheid. Daarbij moeten we blijkbaar niet aan allerlei stoerheden en zelfverzekerdheden denken, maar aan georiënteerdheid. Onze scheepjes en schepen raken op drilt omdat we geen oriëntatie hebben.

Het is ook dat diakonia van het „exorcisme”: het onderkennen van de demonen, het uitbannen van de demonen: „het valse spel, de sluwheid”, de verkeerde orde van de waarden. Daarom is het diakonale pastoraat, de diakonale vorming, het diakonaal leerhuis van grote betekenis. Hoe is onze waardenschaal? Wat zijn de motieven van ons beslaan? Wal is het doel dat ons fascineert? Daarin komt alles aan de orde: de doelstelling van opvoeding en onderwijs, van arbeid en wetenschap, de verhoudingen van klassen en groepen, rassen en volken.

Opdat we „groeien — ons aan de waarheid houdende — in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is. Christus”.

Het zal toch de diakonia van de Gemeente hebben te zijn niet door allerlei windvlaag meegesleurd te worden, maar terwille van de wereld een levens-laborato-rium te zijn, een exereitieplek in het Christus-georiënteerde leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1973

Diakonia | 36 Pagina's

toerusting tot werk van dienstbaarheid

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1973

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken