Bekijk het origineel

De kerk in beeldspraak

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De kerk in beeldspraak

9 minuten leestijd

Een Jaar of tien geleden schreef de Amerikaanse professor Paul S. Minear een boek over beelden van de kerk In het Nieuwe Testament (Images of the Church in the New Testament, London 1961). Daarin laat hij eerst allerlei beelden de revue passeren die maar eenmaal of een paar maal in het Nieuwe Testament voorkomen: zout der aarde, een brief van Christus, ranken aan de wijnstok, enz. Daarna — in aparte hoofdstukken — de 'grote' beelden, die vaker voorkomen en voor het theologisch denken over de kerk zo belangrijk geworden zijn: volk van God, nieuwe scheppi^ng, broederschap in het geloof, lichaam van Christus.
Het is voor professor Minear natuurlijk een heel karwei geweest al die beelden bij elkaar te zoeken (en er vervolgens ook nog een goed boek over te schrijven!), maar: het terrein was te overzien. Dat was het Nieuwe Testament.

Beelden uit later tijd
Maar het lijkt mij onbegonnen werk alle beelden bijeen te zoeken die voor de kerk gebruikt zijn In de eeuwen na de nieuwtestamentische tijd. Daar kun Je wel aan beginnen, maar ik denk dat je gauw zult ontdekken dat het eind ervan zoek is.
Dit alles IS maar een aanloopje voor het volgende. Zonder er bewust op uit te zijn liep ik al lezend en studerend de laatste tijd tegen een aantal beelden van de kerk aan, waarvan ik dacht: die zijn toch wel de moeite waard eens door te geven, met de opwekking erbij: denk er eens over na.

Reddingspost
Ik begin met een verhaaltje na te vertellen waarmee dr. Rainer Storch, predikant van de 'reformierte' gemeente te Frankfort aan de Main, het jaaroverzicht 1971-72 van zijn gemeente inleidde, een verhaaltje dat overigens van angelsaksische oorsprong schijnt te zijn.
Aan een gevaarlijk stuk kust bevond zich een armzalige reddingspost. Het gebouw was een schuurtje, er was maar één reddingsboot en een handjevol vrijwilligers. Maar die vrijwilligers waren bijzonder waakzaam en zonder bedacht te zijn op eigen lijfsbehoud gingen zij de zee op, zo vaak dat nodig was. In veel gevallen lukte het hun schipbreukelingen te redden.

Maar wat gebeurde? Veel geredde schipbreukelingen — maar ook wel anderen die van dit prachtige werk hoorden — wilden het steunen. Zij brachten geld bijeen en van dat geld werden nieuwe boten aangeschaft, nieuwe mensen aangetrokken en het gebouw uitgebreid. Maar toen dat allemaal voor elkaar was, waren de milde gevers toch nog niet helemaal tevreden. Dat schamele gebouw beviel hun niet, ook niet na de uitbreiding.
Zij wisten wat het was schipbreukeling te zijn en vonden: schipbreukelingen kwam iets beters toe. En zo kwam er een groter en solieder gebouw met echte bedden en goed meubilair.

Reddingspost-clubhuis
Er zou nog meer gebeuren. Toen een groep voormalige schipbreukelingen eens een bezoek bracht aan het met hun geld zo keurig opgeknapte reddingsstation, zelden zij tegen elkaar: het is hier toch wel een buitengewoon mooi plekje. Zij gingen toen het gebouw nog aantrekkelijker maken en nog comfortabeler inrichten, zodat het behalve reddingsstation nu ook een clubhuis werd waar het prettig toeven was.

Dat was prachtig, maar bleek toch één niet onbeduidend gevolg te hebben: het aantal vrijwilligers dat bereid was bij noodweer de zee op te gaan om reddingswerk te verrichten, werd minder. Nu was dat bezwaar niet onoverkomelijk: voor dat gevaarlijke werk kon vast personeel worden aangeworven. En liep de zaak toch. Het wapen van de reddingsdienst prijkte nog aan de gevel en, in het klein, aan de wand van alle vertrekken, en in de zaal waarin gewoonlijk de Installatie van nieuwe clubleden plaats vond, hing van de zoldering een prachtig model van een reddingsboot.

Eens vond voor de kust een geweldige schipbreuk plaats. De boten voeren af en aan en brachten tientallen half-verdronken, verkleumde, bemodderde mensen aan land; er waren ook een aantal Afrikanen en Aziaten bij.
Toen men de eerste slachtoffers het gebouw wilde binnenhelpen, ontstond er enige paniek: al die vieze menzen in dat keurige gebouw . . . Inderhaast liet het bestuur op het strand douchecabines opzetten, zodat de schipbreukelingen zich eerst goed konden reinigen, alvorens het gebouw te betreden.

Clubhuis
Daarmee was deze zaak echter niet af. Op de eerstvolgende vergadering stond ze het op agendum. De meeste clubleden wilden de reddingsdienst maar opheffen: die gaf zoveel ongerief en was voor de normale gang van zaken in het clubhuis toch eigenlijk bepaald onaangenaam. Een minderheid verzette zich: de oorspronkelijke doelstelling was toch het redden van mensen geweest en dat was de doelstelling nóg; die kon men toch zo maar niet loslaten! De meerderheid repliceerde: als u dat redden van al die rare snuiters werkelijk zó ter harte gaat, richt dan een eind verder een nieuw station in.

Dat deed die minderheid toen maar.

De boulevard
Jaren gingen voorbij, vele, vele jaren.
Wie nu die kuststreek bezocht, vindt daar een hele boulevard vol exclusieve clubs.
Nog steeds is dit stuk van de kust gevaarlijk. Maar de meeste schipbreukelingen verdrinken tegenwoordig.
Tot zover het verhaaltje. Denken wij er even over na.

Reddingspost? Clubhuis?
Natuurlijk vinden wij allemaal de houding van die meerderheid een houding van niks. De kerk is een reddingsstation! Natuurlijk! Hoe kun je zo iets vergeten? Vraag: zijn wij het tóch niet dikwijls vergeten en vergeten wij het nóg dikwijls niet?
Die minderheid had natuurlijk gelijk.
Schandelijk, om van de kerk een club te maken! Vraag: ja, is dat wel zo schandelijk? Mag de kerk, de gemeente, niet een stukje thuis zijn, waar wij het goed hebben met elkaar? Sterker: móet de kerk, de gemeente, dat niet zijn? En is het niet de moeite waard je in te zetten, dat de kerk dat weer wat méér wordt?
Over die boulevard zwijg ik nu maar.
Maar daar moeten wij toch ook maar eens diep over nadenken.

Rozestruik onder de luis
Kohlbrugge, de bekende predikant van de Nederlands Gereformeerde Gemeente van Elberfeld in de vorige eeuw, kreeg eens bezoek van een collega. Ze wandelden in de tuin van de pastorie. 'Hoe gaat het in uw gemeente?', vroeg de bezoeker. Kohlbrugge wees op een rozestruik en zei: 'Kijk, die rozestruik zit onder de luis en toch bloeien de rozen. Zo gaat het ook in mijn gemeente'.
Een van Kohlbrugge's biografen tekent hierbij aan: Kohlbrugge bekeek zijn gemeente vanuit het Woord Gods. Ik dacht dat dit een goede gezichtshoek was, want dan bekijk je — als ambtsdrager, als gemeentelid — de kerk (en dus ook jè kerk) in gelóóf.

Jaren geleden kreeg ik op Borneo van een Engelse dame een ingelijste wandspreuk cadeau, om op te hangen op mijn studeerkamer, ter correctie van sommigen van mijn bezoekers en van mijzelf. Ik ben die spreuk kwijt geraakt, maar vrij vertaald luidde ze zó: Mier er niet over als je kerk onvolmaakt is; hoe eenzaam zou je je voelen in een volmaakte kerk. - Dat gaat zo'n beetje in dezelfde richting.

Ziekenhuis (1)
Op Kohlbrugge kom ik straks nog even terug.
Nu eerst een beeld van professor Kuitert. Het komt voor in een opstel dat hij vorig jaar schreef in het tijdschrift 'Wending' en nu ook te vinden is 'm zijn bundel 'Om en om'.
'De kerk moet blijven' heet het. Professor Kuitert noemt eerst heel wat dat voor het tegendeel zou kunnen pleiten, maar nee: de kerk moet tóch blijven. Hij voert daar twee redenen voor aan. De eerste is deze: 'De kerk moet blijven, niet alleen Artis. Er zijn gebouwen nodig om de mensen, al is het nog zo'n klein groepje bij wie het lukt, van de afgoden te bekeren tot de levende God'.
De tweede reden omschrijft hij zo: 'De mensen vinden God en hun zaligheid nog niet in de wereld, ze worden er gekneusd, gekraakt en geblutst en zowaar, er is een haven die zich aandient, een moederborst namens God en zijn Heelmeester, en dat is de kerk'. Dat zijn zo ineens al weer een paar nieuwe beelden. En in dit verband noemt professor Kuitert er nóg een: de kerk is een ziekenhuis! Waarom? 'In het ziekenhuis kun je wel tijdelijk verpleegd worden of opgevangen maar Je kunt er niet leven. Niemand wil dat en wie dat wel wil is (nog steeds) ziek'. De kerk moet blijven, want: 'De kerkelijke vorm van christendom zuigt nieuwe mensen aan, mensen die weer terugkeren naar de kliniek omdat ze nog niet zelfstandig genoeg durfden te zijn, mensen, die er voor het eerst komen, of hoe ook. En na verloop van tijd raakt ze hen weer kwijt, zodra ze de kerk niet meer nodig hebben'. Ik mag niet nalaten erop te wijzen dat professor Kuitert vooraf heeft gezegd dat die tweede reden 'een flinke dosis 'Spielerei' bevat.

Ziekenhuis (2)
Dan nu terug naar Kohlbrugge. Toen hij in 1846 overwoog predikant te worden van de groep bezwaarden, die in Elberfeld feitelijk naast de 'grote kerk' was komen te staan, zeiden de plaatselijke predikanten tegen hem: Die mensen waar u het bij zoekt, zijn niet meer te genezen. Kohlbrugge antwoordde: Welnu, mijne heren, dan gaan onze wegen uiteen. Weidt u de beproefde gelovigen, dan zal ik die mensen weiden die niet meer te genezen zijn, de verstrooide schapen.
Kohlbrugge kreeg zijn gemeente; het werd een gemeente die aantrekkingskracht uitoefende op velen, ook uit het buitenland. Hij zei er eens van: mijn gemeente is een groot ziekenhuis, maar boven de deur staat: hier zal geen inwoner zeggen: ik ben ziek, want al wie daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

Slot
Men ziet: hetzelfde beeld als bij Kuitert. Maar het functioneert bij Kohlbrugge wél anders. Voor Kohlbrugge is het ondenkbaar dat wij het in deze wereld ooit zonder het ziekenhuis zouden kunnen stellen. Wij moeten niet vergeten — schrijft hij —: wij worden allen opgevoed in de Kreupelstraat, d.w.z. wij zijn een arm en ellendig volk, dat slechts weet te getuigen van de rijkdom van liefde en genade, die het vindt in het Woord van zijn profeet. En laat nu niemand zeggen: ik heb dat Woord ook thuis. Want het gepredikte Woord is het Woord van de Koning bij uitstek. 'Daarom is het niet goed het Woord, de prediking te verzuimen, men moet bedenken, dat Christus een wonderlijk profeet is: vandaag is Hij hier en morgen of over honderd Jaar — ik weet niet waar. Hij houdt zich niet zolang op één plaats op. Daarom moet men wel toezien dat men de prediking niet verzuimt.
Wanneer ik van de tweede reden van professor Kuitert een nog flinkere dosis 'Spielerei' mag afdoen dan waartoe hij zelf misschien bereid zou zijn, dan dacht ik dat daarin in elk geval dit waar is: de Heer heeft ons maar één zondag gegeven en zes gewone dagen, één dag om de tank vol te laten lopen en zes dagen om de rit te vervolgen. Met af en toe bijtanken uiteraard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1973

Kerkinformatie | 12 Pagina's

De kerk in beeldspraak

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1973

Kerkinformatie | 12 Pagina's

PDF Bekijken