Bekijk het origineel

sociale wetgeving: verleden en toekomst [1]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

sociale wetgeving: verleden en toekomst [1]

11 minuten leestijd

arbeidsvoorwaarden

Iedere diaken komt in zijn werk met de sociale wetgeving in aanraking. Er is dus alle aanleiding om daarop in te gaan. Alleen is het erg moeilijk om in twee korte artikelen wal zinnigs te zeggen over een onderwerp waarover hele bibliotheken zijn geschreven. Maar „In der Beschränkung zeigt sich der Meister”.

Ik ga dus het onderwerp sterk beperken. Dat is zeker ook nodig ten aanzien van het begrip „sociaal”. Want dit begrip wordt dikwijls oeverloos uitgebreid. Ik ver sta er thans onder alleen wat betrekking heeft op de positie van de werknemer in de onderneming. Het gaat in dit artikel over de arbeidsvoorwaarden. In een volgend artikel over de struktuur der onderneming.

Sociale verzekering.

De werknemer die in de 19e eeuw door ziekte, ongeval, ouderdom of invaliditeit werd getroffen was volstrekt onbeschermd. Hij was voor zijn levensonderhoud aangewezen op de philantropie want er was op dit terrein geen gerechtigheid. Wat hij (volstrekt onvoldoende) voor zijn bestaan nog ontving was een gunst en geen recht. Een illustratie: het toenmalige S.D.A.P.-kamerlid Schaper vertelde in de Tweede Kamer bij de behandeling van de Ongevallenwet 1901 dat hij als jonge schildersknecht van de ladder was gevallen en daardoor enige weken niet kon werken. Zijn baas bezocht hem thuis om te zien hoe hij het maakte. Bij het vertrek gal de baas hem… een kwartje met de woorden: „dat zul je nu wel goed kunnen gebruiken”.

Gelukkig heeft de Ongevallenwet 1901 als eerste belangrijke sociale verzekeringswet in dergelijke afschuwelijke misstanden voorzien. Minister Talma heeft omstreeks 1913 een ziekte-, ouderdoms- en invaliditeitsverzekering tot stand gebracht. Maar dit pionierswerk moest later door allerlei omstandigheden geheel worden gewijzigd. Vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog kwam nog slechts een nieuwe Ziektewet tot stand. Gedurende de wereldoorlog ontwierp ik in Londen een uitvoerige organisatie voor Sociale Zekerheid. Het desbetreffende rapport heeft als aanloop gediend voor de behandeling van de sociale verzekering in de jaren na de oorlog.

Thans kennen wij als werknemersverzekeringen: Z.W. (Ziektewet), W.A.O. (Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering), Z.E.W. (Ziekenfondswet), W.W. (Werkloosheidswet) en K.K.W. (Kinderbijslagwet Loontrekkenden). De volksverzekeringen zijn: A.O.W. (Algemene Ouderdomswet), A.W.W. (Algemene Weduwe-en Wezenwet). A.K.W. (Algemene Kinderbijslagwet) en A.W.B.Z. (Algemene Wet Bijzon dere Ziektekosten).

Vooral de uitbreiding van arbeidersverzekering naar volksverzekering betekende een grote vooruitgang. Er zijn immers tal van niet-werknemers die financieel aan allerlei verzekeringen nog meer behoefte hebben dan de werknemer.

Hoe nu verder?

Dal is thans ook weer gebleken bij de W.A.O. Vandaar dat het nodig is ook de zelfstandigen in een arbeidsongeschiktheidsverzekering op te nemen. De voorbereiding daarvoor is al flink op gang.

Nodig is ook dat op de A.O.W. nog een tweede pensioen wordt gegeven. De norm moet zijn dat de gepensioneerde in totaal 70% van zijn loon ontvangt. Plannen om daartoe te komen zijn o.a. in de Stichting van de Arbeid al uitvoerig uitgewerkt. Maar algemeen is men het er over eens dat een dergelijk ideaal pas in een aantal jaren is te bereiken, omdat de kosten zeer hoog zijn en de toenemende inflatie telkens roet in het eten gooit.

Het deel van het nationale inkomen dat aan de sociale verzekering wordt uitgegeven is enorm gestegen en stijgt nog steeds. Daarom zal daar waar dit door de toenemende welvaart mogelijk is tot beperking moeten worden overgegaan. Zo zou ik de kinderbijslag vooral voor de grotere gezinnen willen verlagen. Natuurlijk mogen de ouders zelf bepalen hoeveel kinderen zij wensen. Maar welk algemeen belang is er mede gediend om in een land, dat door een overbevolking steeds meer dreigt dicht te groeien, van overheidswege grote gezinnen aan te moedigen?

Dringende maatregelen tegen milieuvervuiling, tegen woningnood, tegen chaotische verhoudingen in het verkeer, sanering van de grote binnensteden enz, vragen nu en in de toekomst fantastische bedragen. Iedere gulden van het nationale inkomen kan nu eenmaal maar één keer worden uitgegeven. Daarom zuilen prioriteiten moeten worden gesteld om te voorkomen dat te véél aan de sociale verzekering wordt uitgegeven met als gevolg dat andere voorzieningen met een hogere prioriteit in het gedrang geraken.

Arbeidstijd.

In de 19e eeuw waren de arbeidstijden van de werknemer schandelijk lang. Als regel werd tegen een hongerloon 12 uur per dag gewerkt. Ook kleine kinderen werden in hel bedrijfsleven op beestachtige wijze geëxploiteerd. Gelukkig heeft het bekende Kinderwetje van Houten 1894 daar vrij spoedig een einde aan gemaakt.

Maar de arbeidstijd van jeugdigen en volwassenen bleef onbeperkt. Eerst in 1889 en later in 1911 door Minister Talma werden voor jeugdigen en vrouwen een aantal beperkende maatregelen genomen. Maar aan de arbeidstijden van volwassen mannelijke werknemers werd nog niets gedaan. Hierin kwam pas verbetering doordat na het einde van de eerste wereldoorlog onder de dreiging van een grote sociale onrust de Arbeidswet 1919 tot stand kwam. Minister Aal berse bracht hiermede de 45-urige arbeidsweek.

Maar hij bleek te hoog te hebben gegrepen. Andere landen waarmede ons bedrijfsleven concurreerde gingen niet verder dan 48 uur. Daarom moest Nederland zich in 1921 daarbij wel aansluiten (8½ uur per dag, met vrije zaterdagmiddag). Vele jaren bleef deze arbeidstijd onveranderd. De crisis der dertiger jaren maakte een verzwaring der productiekosten onmogelijk. En na 1945 moest zo hard mogelijk worden gewerkt om Nederland, dat economisch volstrekt uitgemergeld was, weer op te bouwen. Eerst omstreeks 1960 werd de arbeidstijd in vele ondernemingen met een vrije zaterdag tot 45 uur teruggebracht.

Een aantal jaren later volgde een reductie tot 4¾ en nog weer later tot 42½.

Hoe nu verder?

Het laat zich aanzien dat binnen een niet al te groot aantal jaren in vele ondernemingen 40 uren worden gewerkt (5 × 8). Overzien wij de gehele ontwikkeling van na 1919 dan blijkt dat de verkorting van de arbeidstijd geleidelijk is doorgevoerd. Heel gelukkig, want daardoor heeft de ondernemer zich door technologische verbeteringen, betere organisatie en meer efficiency gemakkelijker bij de bezwaren van een verkorting van de arbeidstijd kunnen aanpassen.

In Amerika heeft men de arbeidstijd al veel verder verkort dan bij ons. Naar mijn mening moet men in ons land met drastische maatregelen zeer voorzichtig zijn omdat vooral de collectieve voorzieningen hoge eisen stellen aan de toename der nationale productie. In Amerika bleken vele werknemers bij een sterke verkorting van de arbeidstijd, tot schade van hun gezondheid, bij twee werkgevers een „job” te aanvaarden om meer te kunnen verdienen („moonlighters”).

Futurologen voorspellen dat er in de toekomst slechts een paar dagen enkele uren behoeft te worden gewerkt door de enorme expansie der technische ontwikkeling. Vele mensen zullen dan een gegarandeerd inkomen kunnen ontvangen waarvoor zij niet behoeven te werken. Mij trekt dit maatschappijbeeld allerminst aan. Ik zou daarom dit koffiedik-kijken willen nalaten en mij beperken lot de tegenwoordige moeilijkheden die al groot genoeg zijn.

Arbeidsloon.

Met het arbeidsloon was het in de 19e eeuw miserabel gesteld. Te weinig om van te leven en teveel om van te sterven

Het is meer de vakbeweging dan de sociale wetgever die hier menswaardiger toestanden heeft gebracht. Geleidelijk werden de lonen verhoogd. Veelal ging dit door het sluiten van C.A.O.-en (collectieve arbeidsovereenkomsten). Tot 1927 hadden deze C.A.O.-en een wankele juridische grondslag. Een C.A.O. werd immers gesloten tussen organisaties van werkgevers en werknemers en daarbij was het onzeker in hoever derden (de individuele werkgevers en werknemers) daardoor werden gebonden. De wet van 1927 voorziet hierin.

Nog een andere wettelijke maatregel heeft de positie van de C.A.O. versterkt (1937). Dat was de mogelijkheid dat de overheid een C.A.O. die in een bedrijfstak van overwegende betekenis is, ook voor alle niet aan die C.A.O. gebonden werkgevers en werknemers verbindend verklaart. Daardoor wordt voorkomen dat de niet gebonden werkgevers aan de C.A.O. knagen door het betalen van te lage lonen.

Heeft de overheid zich vóór 1940 weinig met het vaststellen der lonen bemoeid, na 1945 werd dit geheel anders. Zowel te lage als te hoge lonen moesten bij de economische herbouw van Nederland worden voorkomen. De periode van de door de overheid geleide loonpolitiek met loonronden brak aan. Helaas is dit optreden der overheid op den duur geen succes geweest. Een welvaartsronde, een margeronde (3–6%) en een productiviteitsronde volgden elkaar op. Maar het bleek niet mogelijk een bevredigende norm voor de geleide loonpolitiek te vinden. Het gevolg was dat vele werkgevers in strijd met de afspraken zwarte lonen betaalden. De vakorganisaties verlangden steeds sterker naar meer vrijheid dan de geleide loonpolitiek hun toestond. Vooral toen de leiders der vakbeweging meer en meer het vertrouwen der leden bleken te gaan verliezen (bedanken der leden) door dat de leden vonden dat de vakorganisaties teveel onder één dekentje lagen met overheid en werkgevers.

Sedert heeft de overheid zich steeds meer van dwingende loonmaatregelen onthouden. Het enige maanden geleden Centraal Akkoord is dan ook gesloten in overleg tussen werkgevers en werknemers, met bijstand van de overheid. Dwingend is alleen gebleven een wettelijk voorgeschreven minimumloon (thans ƒ 939,90 per maand).

Hoe nu verder?

Een onderwerp waarover in de komende jaren waarschijnlijk heel veel zal zijn te doen: de inkomensverdeling.

Tallozen menen dat het verschil tussen de hogere en de lagere inkomens thans veel te groot is. Zij dringen daarom op meer nivellering aan. Ook de Tweede Kamer heeft kort geleden uitgesproken dat de hogere inkomensgroepen in 1973 een bijdrage moesten leveren aan het tot stand komen van rechtvaardiger inkomensverhoudingen.

Het probleem is vooral acuut geworden door de inflatie. Een bestedingsinflatie ontstaat doordat méér wordt uitgegeven dan het nationaal product toestaat. Boosdoeners van de bestedingsinflatie zijn èn de overheid die teveel uitgeeft èn de ondernemer die de prijzen verhoogt èn de consument die teveel verbruikt. Alle groepen zijn mede schuldig aan de inflatie. Iedere groep vindt dat een andere groep met de bestrijding het voorbeeld moet geven. Vandaar dat er zo weinig gebeurt en de inflatie reeds circa 8% bedraagt.

Terwijl ik dit schrijf is in werknemerskringen het voorstel gedaan dat vooral de hogere inkomens zich zouden beperken. Concreet wordt het volgende verlangd. De lagere inkomens (b.v. tot een plafond van ƒ 25.000) zullen een loonsverhoging ontvangen waarin de stijging van de kosten van het levensonderhoud volledig is verdisconteerd. Daarentegen zullen de inkomens boven de ƒ 25.000 niet meer ontvangen dan de 8% van ƒ 25.000 is ƒ 2.000. Iemand met een inkomen van ƒ 50.000 ontvang dus niet 8% van ƒ 50.000 is ƒ 4.000, maar ƒ 2.000.

Op deze wijze wil men voorkomen dat de verschillen in geldelijke bedragen tussen de hogere en de lagere inkomens steeds groter worden. Het voorstel heeft, ook ter bestrijding van de inflatie, veel aantrekkelijks. Maar het betekent een soort omwenteling in de inkomensverdeling. Daarom is het nodig dat allerlei punten nog nader worden uitgezocht.

In de eerste plaats zal er betrouwbaar cijfermateriaal moeten komen. Vóór-en tegenstanders bekogelen elkaar thans met allerlei gegevens over de inkomensverdeling, die tot tegengestelde conclusies leiden. Het gaat hier bij een inkomensverhoging om de nettobedragen, die vrij kunnen worden besteed. Wat meer moet worden betaald aan belasting en premie voor de sociale verzekering moet voor een juiste vergelijking dus eerst worden afgetrokken.

Een ander moeilijk punt: waar ligt het plafond waarboven niet meer de procentuele verhoging wordt gegeven, maar een verhoging „in centen”. Moet het plafond 20- of 30- of 40.000 gulden zijn? Het is duidelijk dat de belangen der middengroepen hierbij zeer nauw zijn betrokken.

Nog een netelige vraag: hoe bereikt men dat niet alleen werknemers en ambtenaren, maar ook de zelfstandigen hun bijdrage aan de beperking van de inkomens verhoging leveren? Het gaat toch niet aan dat advocaten, artsen, notarissen accountants enz. de bui ontlopen.

Tenslotte: moet voor een zo ingrijpende verandering in de inkomensverdeling niet een wettelijk raam worden vastgesteld? Wat een onrecht wanneer alleen de macht der diverse groepen het resultaat bepaalt. De regering, die toch wel moet hebben gezien dat dit onderwerp acuut zou worden heeft helaas geen initiatief genomen nu de S.E.R. al jarenlang niet uit dit probleem blijkt te komen.

Wat het allemaal precies gaat worden is dus nog onduidelijk.

Maar de inkomensverdeling blijlt aan de orde van de dag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1973

Diakonia | 36 Pagina's

sociale wetgeving: verleden en toekomst [1]

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1973

Diakonia | 36 Pagina's

PDF Bekijken