Bekijk het origineel

Zendingspost

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zendingspost

brieven en berichten van overzee

17 minuten leestijd

een week-endje uit

”Een heel aparte problematiek werd aangedragen vanuit Gambaga; het oude bestuurscentrum uit de koloniale dagen. Daar is een gemeente die voor 90 procent bestaat uit ”heksen”:

Vrouwen die uit hun families zijn verstoten op verdenking van hekserij. Niemand zorgt voor hen, behalve de christenen ter plaatse. Heel practisch: als er een van hen sterft, wordt zij door niemand begraven. Dan komen de gemeente-leden, het graf wordt gegraven, er wordt een lapje gekocht om de dode in te wikkelen, en dat is dat. Soms echter moeten er werklieden aan te pas komen. En dan wordt het al gauw een kwestie van ƒ 10,— tot ƒ 20,—. Wie betaalt dat? Een stuk of twintig mensen, die elk een salaris hebben van gemiddeld ƒ 75,— tot ƒ 300,— per maand. Deze last wordt te zwaar. We hebben al geholpen met kleren, die we gekregen hebben en met aspirine (de vrouwen kunnen niet voor de kliniek betalen), maar het blijft schipperen. Uk heb er twee keer gepreekt, in Gambaga. Een indrukwekkend gezicht: ongeveer 80 vrouwen, oud, verweerd, aan de ene kant, aan de andere kant ongeveer 20 ”gewone” mensen. De vrouwen voorzien in hun levensonderhoud door het dragen van sprokkelhout, tot ze echt niet meer kunnen lopen. Als er Avondmaal is, betalen ze allemaal 21/2 pesewa, dat is ongeveer 6 cent. Wat doen we er aan? We hebben afgesproken te gaan praten met de chief ter plaatse, en de regeringsautoriteiten, om tenminste verzekerd te zijn van de hulp van werklieden voor het delven van graven. Ik piekerde me suf over mogelijkheden tot iets als revalidatie, (arbeidstherapie), maar blijkbaar moet dat wat meer tijd hebben …

In deze maanden zijn de moeders-klassen een bijna wekelijks gebeuren, van vrijdagmiddag 4.00 uur tot zondag na de kerkdienst. Per week-end zo’n 10-12 moeders met kinderen uit drie verschillende gemeentes. Vrijdagmiddag komen ze aankuieren: een plastic emmer op het hoofd (een soort ”must” voor elke vrouw hier) en een baby op de rug. Luid kwebbelend en lachend, vol nieuwsgierigheid en verwachting ten aanzien van het ”weekendje uit”.

Achter op onze compound is een afgesloten hoekje met enkele gastenkamertjes, een badkamertje en een latrine. Een plek die geweldig geschikt is voor kleine cursussen, zoals deze moedersklassen. Als de moeders aan komen zetten, zijn de kamers geveegd, de vloeren bedekt met oude dekens, er staan een paar emmers drinkwater klaar en op twee houtvuurtjes staan twee grote zwart geblakerde potten, waarin ”iets” duidelijk hoorbaar pruttelt: rijst met bonen. Een combinatie die hier even ingeburgerd is als boerenkool-met-worst bij ons. Als iedereen aanwezig is, de kinderen aan de borst zijn gelegd, en iedereen water gedronken heeft, komen wij opdraven: Egbert met papier en potlood, en ik met een weegschaal onder mijn arm. ”Ken ken ken! Tuma pastor, tuma madam!” We gaan er eens rustig bij zitten, allemaal in een kring. Egbert houdt een welkomspraatje. ”Jullie zijn moeders. En omdat jullie allemaal moeders zijn met kleine kinderen, daarom zijn jullie hier gekomen. Jullie willen dat de kinderen dik en gezond zijn en veel lachen en dat ze groot en sterk worden. Le a sidda? (Is dat waar?)” Antwoord als uit één mond: ”sidda! (zo is het)”. ”Maar vaak zijn de kinderen niet dik en gezond en huilen ze veel. Wat kunnen we daar nu aan doen? Kennen jullie Lydia?” Ja, die kennen ze wel; dat is de vrouw van Albert Azaare, evangelist in Tempane.

”En kennen jullie Timothy?” Ook die is bekend: lekeprediker uit Yabrago. Lydia en Timothy hebben allebei een cursus gevolgd in Tempane, vorig jaar. En daar hebben zij veel geleerd, en nu weten ze precies wat goed is voor jullie kinderen. Ze gaan pap met jullie koken, ze gaan de babies wassen, hun nagels knippen en een heleboel vertellen over de mobiele kliniek van ”Sister Truus”. (Bedoeld wordt: de zendings-verpleegkundige mejuffrouw T. N. Geertse — redactie).

Na dit praatje gaat iedereen op deweegschaal, zowel de vrouwen als de kinderen, en worden hun namen opgeschreven. De cursus is gestart. Als ik een uur later weer eens kom kijken, wordt er druk gekookt o.l.v. Lydia. De sfeer is prima, de vrouwen hebben elkaar gevonden, er wordt gepraat en Timothy legt uit, dat het belangrijk is veel groente en tomaten in de soep te doen, dat groundnuts (pinda’s) en bonen erg gezond zijn en hij dirigeert de vrouwen rondom de kookpotten om het hele kookproces te volgen.

’s Avonds na ’het eten en wassen wordt een korte dienst gehouden in de kapel onder leiding van Adam Anabah. Hij doet het erg goed en vertelt vaak het verhaal van Jezus, die zegt: ”Laat de kinderen tot mij komen”; en hij legt uit wat dat practisch in het dagelijks leven voor de vrouwen betekent. Dat God de kinderen lief heeft en dat dat impliceert dat wij zo goed mogelijk voor de kinderen moeten zorgen. Er wordt gezongen, in de handen geklapt en vervolgens gaat iedereen naar bed. De volgende morgen om 6 uur, zodra het licht is, begint het lieve leven opnieuw. Er wordt met emmers water gesjouwd, de vuren worden aangestoken en er wordt waswater voor de kinderen warm gemaakt. Het ontbijt is ”kosei”, bonenkoekjes, gebakken in sheanutbutter, het lokale vet, dat in de compounds geperst wordt uit de pitten van een bepaalde vrucht.

Bonenmeel wordt gemixed met kleine gedroogde visjes, tomaten, water en peper, tot er een dik soort oliebollenbeslag ontstaat. De ingrediënten zijn bekend, alleen de verwerking is nieuw. Dat geldt bijna voor alle maaltijden, die gedurende het weekend worden klaargemaakt. En dat is de kern van de zaak: hoe kan ik met de dingen, die er zijn, iets koken, dat zo gezond en voedzaam mogelijk is?

Na het ontbijt een praatje van Adams vrouw, Setu. Veel zingen, dat vinden de vrouwen geweldig. De rest van de ochtend wordt helemaal besteed aan hygiëne: kleine eenvoudige tips, die vaak al ingewikkeld genoeg blijken te zijn! Belangrijk is het schoonmaken van de oren, de neus en de ogen, en het knippen van de nagels, omdat iedereen met zijn handen eet en lange zwarte nagels een bron van allerlei infecties zijn.

’s Middags komen de vakmensen op bezoek. Iemand van het landbouwstation met een praatje over het gebruik van kunstmest, over het aanleggen van groentetuintjes of over verschillende soorten bonen. Tot slot een rondleiding over het station om de kippen, de varkens en de silo’s te bezichtigen. De vrouwen zijn zeer geïnteresseerd, boerenvrouwen in hart en nieren …”

Ds. G. D. E. van Veldhuizen (Bawku) Ghana

we zien op naar de bergen en denken vanwaar zal de hulp voor deze mensen komen?

… ”De volgende morgen gaan we weer op pad naar het zuiden. Eerst verdwalen we, wat gelukkig op tijd door Willem wordt vastgesteld. Vervolgens beginnen we aan een beklimming. Zeer vermoeiend. Doch ik heb niks te klagen. Rombot en de dames verrassen ons telkens weer op lekkere koffie en vruchten. Er is een goede kameraadschappelijke sfeer in ons gezelschap wat de zwaarte van de tocht verlicht. Urenlang trekken we door de bossen. Soms raak ik in gesprek met de natuur. Het lijkt alsof de krekels en vogels antwoorden op wat leeft in mijn hart. Ze beuren je op uit lusteloosheid en moedeloosheid. Als we rusten kijken we naar de bladeren van de bomen en zijn verwonderd over de samenstelling van een boomblad. Fraai gekleurde stenen in rivieren kan ik soms een kwartier lang in verrukking gadeslaan. Ze prikkelen mijn fantasie. Wat zal er van deze stenen worden: zullen ze de ondergrond vormen van een nieuwe weg, bijgezet worden in een bouw van een huis of zullen ze stilletjes blijven liggen tot het eind der tijden? In de avond installeren we ons in de hut. Een regenbui breekt los maar Willem heeft reeds maatregelen getroffen door zodanige ophanging van plastic zeiltjes dat we droog kunnen blijven.

De volgende morgen starten we na ons bord rijst. Vermeld dient te worden dat de beide dames in ons gezelschap al om twee uur zijn opgestaan om rijst en groenten te koken. Niets is hen te veel en dan nog onverminderd opgewekt blijven! Een prestatie, die ik niet kan opbrengen. De dragers hebben flink kou geleden. Gebrek aan kleding is in dit soort gebieden gewoon. We zetten onze beklimming voort, die nu pas eerst zwaar wordt. Een smal pad voert naar de top. Na twee en een half uur zitten we puffend en hijgend op de top kou te vatten. Na een korte afdaling moet er opnieuw geklommen worden. Het tempo kan ik niet meer bijhouden. Ik stel voor dat ik samen met een synodelid achter zal blijven terwijl de anderen vooruit kunnen.

Door onjuiste informatie verkregen in Bada maken we een misrekening in de tijd betreffende het tijdstip van eten. We trekken voort over bergen en dalen. Tegen het middaguur begint het te regenen.De paadjes worden glibberig. Langzaam beweegikmij voort langs de diepe ravijnen (onthoud wel dat ik een tocht per auto van Solo naar Yogyakarta gevaarlijker vind). We hebben geen eten en drinken meer. Om twee uur blijken we nog ver verwijderd te zijn van de eerste kampung in Rampi. Kennelijk is de hoeveelheid zout en suiker in mijn lichaam afgenomen, zodat zich een algehele lusteloosheid openbaart. Ik drink uit een watervalletje. Het synodelid en de beide dragers krijgen ook last van honger en dorst. Tegen drie uur kom ik in een geheel voor mij nieuw psychische fase. Ik krijg zin om boombladeren te gaan eten om de honger te stillen. Eindeloos trekken we langs een rivierbedding voort en zijn telkens het spoor bijster. De dragers zoeken bosvruchten. Daarna stillen we onze honger met een soort appelachtige vrucht. In de late namiddag komen we aan in Rampi bij de eerste mais-tuinen. De anderen hebben reeds een maaltijd van rijst, groenten en mais gereed gemaakt. Men was zeer ongerust over mijn conditie. Na een heerlijke maaltijd zetten we de tocht voort en komen vlak voor zonsondergang bij de rivier aan. Er is een banjir. Maar we moeten over voor zonsondergang. Onder leiding van Rombot wordt een gunstige plaats gezocht. De dragers durven het aan. Er worden instructies gegeven. Indien we plots toch meegesleurd worden moeten we in schuine richting naar links zwemmen. Twee dragers maken een oefentocht. Het kan volgens hen. Een van de sterkste dragers pakt me bij de hand en leidt mij door de rivier. De stroom is krachtig maar we kunnen standhouden. Rombot waakt over de veiligheid van de dames. Na een kwartier zijn we aan de andere kant. Na een half uur arriveren we in de eerste kampung Dodolo. Op onze komst is niet gerekend. Radiogrammen zijn niet opgevangen. Geen moeilijkheden: er is plaats om te slapen en te eten. Met de classispredikant wordt een werkplan gemaakt voor de komende twee dagen. De volgende dag zullen we trekken naar Onondowa en koeriers zullen mensen uit de andere kampungs verzamelen. Rampi is een kleine vallei in het diepste binnenland van Sulawesi, omringd door hoge bergen. Nederlanders als Dijkhuis en Woensdregt en Indonesiërs als Lumentut hebben in dit gebied tijdens de twintiger en dertiger jaren hun sporen verdiend tijdens hun zendingsarbeid onder de Rampimensen. Een aardbeving verslechterde daar de communicatie. Een afgescheiden kerk in Zuid-Sulawesi zorgde voor onrust. Het afgelopen jaar heeft de lange droogte grote schade gebracht aan de oogsten. Nu heerst er honger, zodat de mensen opnieuw moeten wegtrekken naar Zuid en Noord om eten te zoeken.

De gezondheidssituatie is bedroevend. Vele ziekten als verwaarloosde griep, malaria en buikziekten slopen de mensen. Aan gezondheidsvoorlichting zou ook nog veel gedaan kunnen worden. Kleine kinderen worden gebaad in het koude rivierwater. Huizen zijn zo slecht dat de wind overal binnendringt. Weinig kleding. Wijze van landbouw erg aandoenlijk. Het aantal sawah’s is gering. Ieder moddert wat voort. Doch er zijn ook impulsen. Het districtshoofd van Rampi is een ondernemend man. Hij woont al onze ontmoetingen bij en geeft zijn bijdrage. Hij probeert de communicatie te verbeteren. Hij vraagt dringend hulp op medisch gebied. De opbouw wordt ernstig belemmerd door het grote aantal zieken. Gedurende twee dagen in Onondowa houden we lezingen over een vergelijking tussen de oude godsdienst van de Rampimensen (wat de zin was van het hondenoffer bij het genezen van zieken) en de bijbelse visie op ziekten en genezing. We praten over de wijze van opbouw, verbetering van wat nu belemmert. In het bijzonder geef ik aandacht aan de jonge evangelist-coördinator van dit gebied. We plannen een korte cursus van twee weken voor hem in Tentena. Rombot regelt zijn behuizing. Jowe helpt aan de lopende band zieken, die gratis behandeld worden.

Besloten wordt dat de evangelist medicijnen zal krijgen tegen de meest voorkomende ziekten en dat enige dorpsdukuns een cursus zullen volgen over een moeder- en kindzorg. Tegen de avond staan we bij de rivier.

We zien op naar de bergen en denken vanwaar zal de hulp voor deze mensen komen? In dit geval waar het gaat om het lot van negenhonderd mensen moeten we mobiliseren wat er aan krachten is. We moeten hulp bedenken die geen geld kost, omdat men in kerken als hier nog niet toe is aan een wilskracht om zich wezenlijk in te spannen voor deze uithoeken van de kerken …”

ds. J. Visser, Poso-Tentena, Indonesië.

eerste indrukken uit een nieuwe standplaats

„… In Itu zijn we nu alweer bijna 3 maanden. Het Mary Slessor Hospital is het oudste ziekenhuis door de zending van de Presbyteriaanse Kerk van Schotland gevestigd in 1905. Het ligt op een van de heuveltoppen van Itu, aan de Cross-river.

Gedurende de burgeroorlog 1967-’69 is het zwaar beschadigd. Toen de oorlog hier voorbij was, heeft het Duitse Rode Kruis de opbouw ter hand genomen door materieel en personeel te zenden voor één en uiteindelijk twee jaar, eindigend november 1972.

Over dit ziekenhuis is heel wat te doen geweest, net als over Itu zelf. Moest Itu wel de hoofdplaats van het district blijven, ondanks zijn excentrische ligging? Moest het ziekenhuis wel voortgezet worden op deze plaats? Door de opbouw na de ”Civil war” is in elk geval een antwoord gegeven.

Het Itu-district is uitgestrekt en sommige plaatsen liggen 60 km gaans van Itu. Het grenst bijv. in het noorden aan de Centraal/ Oost-staat. De relatie tussen de verschillende staten is, in die grensgebieden alhans, nog verre van ideaal.

Uiteindelijk gaat het om ”gewone” ruzies om land, maar land heeft hier toch een aparte betekenis. Het ziekenhuis is er in zoverre bij betrokken, dat er een ”dispensary”, een hulppost, moet komen.

Door de wat moeilijke verhoudingen tussen de bevolkingen, durven de mensen niet naar het 10 km verderop gelegen ziekenhuis in de andere staat te gaan; afgezien van het landdispuut speelt angst voor slechte of geen hulp en zelfs vergiftiging een rol.

Het ziekenhuis heeft 85 bedden. De bouw is leuk. Veel terrein is er verder ook niet over op het plateau. Elke eventuele noodzakelijk geachte uitbreiding van enige omvang wordt gecompliceerd door steile hellingen. Overigens ligt het ziekenhuis aan een asfaltweg, wat het transport in elk geval begunstigt.

Transport is trouwens een moeilijke zaak hier. Er is geen geregelde busdienst of iets dergelijks. De ”lorries” en taxi’s zijn partilier vervoer, ze zijn altijd overvol, maar er kan nog wel eentje meer bij ook. Sommige plaatsen hebben geen regelmatig autoverkeer en de mensen moeten kilometers lopen en dan lang wachten.

Het gaan naar het ziekenhuis wordt trouwens door heel andere factoren vertraagd; eerst worden de raadgevers en genezers van vanouds geraadpleegd, als zij falen moet het voor en tegen in de familie eerst afgewogen worden. Die onderhandelingen kunnen uren en dagen in beslag nemen, de angst voor de — soms vermeende — ziekenhuisrekening is duidelijk aanwezig. Ik weet niet zeker of mijn advies aan sommige mensen om een voorschot te nemen op de onkosten van de begrafenis goed overkomt ….

Aan een begrafenis — een hele sociale gebeurtenis —wordt nogal wat besteed, maar als iemand na een oude beklemde breuk toch overeind krabbelt, zou er geen geld zijn voor het ziekenhuis! Dit zal wel verband houden met een bestaansminimum, waar een geldbedrag, door de familie bijeen gebracht voor het ziekenhuis, het gemeenschapsleven meer verstoort dan een sterfgeval, waarbij de ceremoniën de gemeenschap bevorderen.

Het is verwonderlijk van hoe weinig geld iemand zich in leven kan houden, als hij zijn land heeft. Een heel gezin heeft vaak niet meer dan 120 naira (ƒ 600,—) per jaar tot zijn beschikking. Iedereen is dan ook blij met een baantje dat een salaris oplevert, ook al is het ƒ 140,— of ƒ 160,— per maand. Daarvan kan dan een kind naar de secondary school.

Het districtsgezondheidswerk valt voor een deel onder verantwoordelijkheid van het Mary Slessor Joint Hospital. Er zijn een twintigtal posten, een health-centre, vijf maternity-homes en vijftien dispensaries.

Momenteel zijn wij bezig met een door de regering toegewezen bedrag sommige plaatsen te herbouwen, op andere plaatsen een uitbreiding te maken, ergens anders huizen voor het personeel neer te zetten en voor enkele de uitrusting te completeren of te installeren. De maternity-homes hebben de ongecompliceerde verloskunde bijna geheel in handen. Een gewijzigd tarief voor de ziekenhuisbevallingen is er de oorzaak van dat practisch geen vrouw zich dat kan permitteren: ƒ 100,— in het ziekenhuis tegen ƒ 10,— in een maternity. Dit ziekenhuistarief werd door het gouvernement van de South-Eastern State vastgesteld. Het is een aardig idee dat er zoveel buitenposten zijn. De ontwikkeling ervan is echter een heel werk. Het personeel, dat er werkt, is maar matig opgeleid. Verder zijn er verscheidene andere plaatsen waar de mensen eerst om behandeling vragen, voordat ze met de moderne geneeskunde in aanraking komen. En een traditionele genezer die weet wat hij wel en niet aan kan is een geduchte concurrent van een maar matig opgeleide dispenser, die misschien ook nog in twee werelden leeft. Overal kunnen de mensen hun medicijnen en injecties kopen, waarbij dan wel bepaalde bijgeloven een rol spelen. Laxeermiddelen — hoe drastischer ze werken hoe beter — doen het voor bijna alles. Een injectie die goed pijnlijk is wordt geprefereerd.

Er wordt hier hard gebouwd. Wegen worden verbeterd en van een laagje asfalt voorzien soms. Schoolgebouwen en woningen worden in de kortste tijd gebouwd. Een particulier huis wordt soms op de begane grond al bewoond en de eerste verdieping moet kennelijk afgebouwd worden als er weer geld is ….”

J. Ekhart, arts, Itu, Nigeria.


In de beurs voor een beurs 1973

Het vraagt elk jaar vrij veel tijd voordat met de betreffende scholen de beurzen zijn geregeld. Vandaar dat we nu pas de lijst van beurzen 1973 kunnen publiceren. Deze lijst is dan als volgt:

Theologische Hogeschool Jakarta 40 à ƒ 720,—

Theologische Hogeschool Yogyakarta 28 à ƒ 840,—

Theologische Hogeschool Ujung Pandang 50 à ƒ 720,—

Theologische Fakulteit Tomohon 24 à ƒ 580 —

21 à ƒ 290,—

Theologisch Instituut Jayapura 30 à ƒ 550,—

Christelijke Universiteit Salatiga 86 à ƒ 860,—

Evangelische opleiding Medan 45 à ƒ 325,—

Sociale Akademie Jakarta 6 à ƒ 760,—

Medische studie 4 à ƒ 580,—

Wiskunde studie 3 à ƒ 580 —

Studie tekenleraar 1 à ƒ 580,—

Opl. vrouwelijke evangelisten Magelang 3 à ƒ 290,—

We hebben dus 341 beurzen toegezegd.

Wie neemt één of meer beurzen voor zijn rekening? Ons gironummer is 6074 t.n.v. Zendingsbureau Oegstgeest. Maakt u liever per bank over dan is onze rekening bij de Algemene Bank Nederland te Leiden no. 56.67.45.577.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1973

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

Zendingspost

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1973

Zendingsblad der Nederlandse Hervormde Kerk | 20 Pagina's

PDF Bekijken