Bekijk het origineel

een kwetsbare kerk in een machteloze wereld

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

een kwetsbare kerk in een machteloze wereld

18 minuten leestijd

De diaken bekijkt de wereld op een bijzondere manier. Hij staat immers, naar het plechtige woord van de Kerkorde, temidden van de sociale noden van ons volk. Daar is zijn plaats. Zijn ambtelijk oog speurt naar waar het mis gaat met de mensen. Hij komt in beweging waar behoefte is aan verpleging en verzorging. Zijn dienst gaat in overal waar het gezinsleven dreigt te ontsporen of is ontwricht. Wat artikel IV (van de Kerkorde) droogjes als stoffelijke nood omschrijft, neemt bij hem vlees en bloed aan; nood is voor hem geen toestand: het betekent namen, gezinnen, gezichten.

Als de diaken de wereld bekijkt

dan zoekt hij naar het onrecht, want hij moet — zo staat het in z’n opdracht — de kerk voorlichten, zodat overheid en samenleving kunnen worden gewezen op hun roeping de gerechtigheid te betrachten.

Waar de ouderling in de kerkeraad de orthodoxie behoedt, daar bewaakt de diaken de orthopraxie, zodat in de gemeente de rechte leer niet wordt ontkoppeld van het rechte handelen.

Dat betekent noodzakelijkerwijs dat de diaken een speciale neus ontwikkelt voor wat er in onze wereld misgaat. Hij is niet in de eerste plaats geroepen om de goede schepping te bezingen — al vindt hij natuurlijk ook zijn plaats in de gemeente, wanneer dat gebeurt — maar om er het bittere raadsel van te lijf gaan. Een goede diaken, dunkt mij, is altijd een beetje eenzijdig: hij is een noodzakelijke spelbreker in de vergadering van de optimisten. Als de bruiloftsgasten de wijn prijzen dan holt hij al zenuwachtig naar de keuken om te zien of er nog wel genoeg is. Als de wetenschappers jubelen over een geslaagde maanlanding, dan is hij al bezig de tekorten te becijferen van het wereld-voedsel-programma, dat nu niet zal kunnen worden aangezuiverd. De diaken is de spotprenttekenaar in de kranten van de consumptiemaatschappij. Als de gemeente een dankstond houdt voor de wapenstilstand, bedenkt hij stiekum een nieuwe aktie om de slachtoffers ook in vredestijd nog te kunnen steunen, als alle andere goeddoeners al weer lang naar het volgende zijn gehold. Hij is niet erg onder de indruk van de sterke verhalen die de mensen vertellen over de vooruitgang, want hij is geroepen om tussen de wrakstukken van de wereld te zoeken naar de slachtoffers. Tussen de regels van de propaganda leest hij de informatie over „de andere kant”. Eigenlijk is hij een heilzame geordineerde cynicus, de diaken, die fijntjes glimlacht wanneer de rest van de mensheid zich op de borst staat te slaan. Hij weet wel beter. Hij nog meer dan de ouderling en de predikant, heeft er weet van dat ieder feest voor een áántal mensen de eenzaamheid alleen maar verscherpt; hij ervaart dieper dan z’n mede-gemcenteleden dat de een z’n brood de ander z’n dood is, dat onze luxe altijd weer verhaald is op de rug van hen die ver weg zijn.

De diaken bekijkt de wereld op een bijzondere manier.

Niet dat hij een zwartkijker is, die overal het feest verstoort, neen, hij is de realist bij uitnemendheid, die weet dat mensen zich maar al te graag van de ellende afkeren. Hij weet dat steeds opnieuw gezegd moet worden dat het geloof zonder de werken dood is, dat goddelijke redding vraagt om het engagement van de bevrijding. Hij weet ook dat de gemeente in de kracht van haar Heer en Zijn Geest door het geloof bergen kan verzetten, zieken kan genezen, en eenzamen terugbrengen tot gemeenschap, tekenen van de gerechtigheid oprichten. De diaken is een realist. Maar hij is een expert van de zonde. Wanneer oude of nieuwe utopisten een zekere weg menen te kunnen wijzen naar het paradijs op aarde dan is hij tot in z’n existentie geraakt. Hij weet immers van de machteloosheid van de wereld om zichzelf te redden. Dat is zijn speciale ambtelijke kijk op de wereld. De diaken is geroepen om de kerk en met de kerk de overheid en samenleving eraan te herinneren dat de wereld machteloos is, d.w.z. machteloos tot een echte en wezenlijke bevrijding. Als geen ander kent hij het diepgaande verschil tussen welzijn en welvaart; hij analyseert genadeloos honger en onderontwikkeling tot op mede-verantwoordelijkheid en mede-plichtigheid. De diaken heeft zowel de profeet als de priester tot vader.

O, hij zal niet ontkennen dat er vooruitgang is waar te nemen in de geschiedenis, dat het kwaad enigszins aan banden kan worden gelegd, dat er structuren kunnen worden gebouwd waarin de mens beter tot z’n recht komt, dat er een heilzame werking uit kan gaan van wetenschap en techniek, dat er spelregels kunnen worden opgesteld die de uitbuiting kunnen terugdringen; dat alles weet hij best. Hij heeft natuurlijk ook geleerd dat de slavernij kan worden afgeschaft en het kolonialisme beëindigd; hij weet van sociale wetgeving die de levensvoorwaarden heeft verbeterd; hij, beter dan wie ook, kent het heilzame bestaan van sociale verzekeringen en pensioenen en het hele gebouw van voorzieningen en faciliteiten, die aan veel ellende een hall hebben toegeroepen, maar hij is geen feestredenaar van de vooruitgang. Integendeel, hij zal het allemaal toegeven en hij zal er ook anderen op wijzen, maar zijn kracht — en bijbels gezien mogen wij zeggen: zijn profetische kracht — ligt in zijn helderziendheid van de machteloosheid van de wereld. Door zijn dagelijks werk weet hij uit bittere ervaring dat veel wat doorgaat voor de zegeningen van de welvaartsmaatschappij maar een dun vernisje is over een onmetelijk lijden dat in de wereld gebeurt. En zo staat hij ook aan de tafel des Heren, als een vertegenwoordiger van de vele mensen uit zijn praktijk: de hongerigen, de gevangenen, de eenzamen, de zieken, de ontspoorden, de gediscrimineerden, de armen, de vernederden, de verslaafden, de teleurgestelden, de gemartelden, de vluchtelingen, de ballingen, de werkelozen, de weduwen, de weduwnaars, de wezen, de slaven, de vertwijfelde en gefrustreerde mensen. Zo met die mensen achter hem en om hem heen zit hij in de kerkeraad en vanuit die opdracht luistert hij naar de gesprekken, beoordeelt hij de prediking en geeft hij mede gestalte aan de voorbede, zowel in de eredienst als in de overige vormen van het gebedsleven in de gemeente. Zo geeft hij ook mede leiding aan de gemeente. En zo dwingt hij de gemeente zich te realiseren dat zij er niet is met een paar gulden in de collectezak of steun voor een enkel sociaal project. En zo is ook de diaken degene die in de gemeente steeds de wijdere samenwerkingsverbanden ziet en verwerkt. Hij is een samenwerker par excellence, bij uitmuntendheid. Zijn eigen orgaan is bij hem altijd secundair. Hij zoekt naar de ander en soms is het hem genoeg dat iemand van goede wille is om hem op te nemen in zn werk. De diaken is zo met zn neus op de machteloosheid van de wereld gedrukt en daarom zo vol van de diepte en de breedte van het lijden en het onrecht dat hij bij uitstek degene is die de gemeente verlost van alle werkheiligheid. Hij is degene die weet heeft van de volstrekte ontoereikendheid van alle menselijk activisme. Hij weet, beter dan wie ook, dat symptoombestrijding levensgevaarlijk is, als het kwaad niet in de wortel wordt aangepakt. Hij weet dat de mensen niet zo maar wat moeten doen, maar dat ze bekeerd moeten worden: hij weet bij uitstek dat zonder de hulp van God zelf deze wereld aan de zinloosheid is prijs gegeven.

De diaken gaat de gemeente vóór

op de ontdekkingsreis die van de buitenkant naar de binnenkant, van de oppervlakte naar de diepte gaat. Het zijn de diakenen die vanuit hun ervaring met leed en ongerechtigheid veelal het beste inzicht hebben in het geheim van God’s mysterieuze omgang met zijn volk, d.w.z. Zijn indaling in het kleed van de armoede, Zijn bereidheid zelfs ons lijden en de lijden-veroorzakende zonde op zich te nemen. De diaken bewaakt zo op zijn manier de kern van het evangelie. Hij weet van de noodzaak dat de Zoon des Menschen lijden moest en dat de zondaar moet worden gerechtvaardigd. Hij heeft het immers om zich heen gezien: als de dienst weer tot wet wordt, als het evangelische „mogen” tot het on-evangelische „moeten” wordt, dan worden de gemeente en z’n medewerkers binnen de kortste keren gefrustreerd.


Dr A. H. van den Heuvel

scriba

van de Generale Synode:

De diaken bekijkt de wereld op een bijzondere manier … hij is de realist bij uitnemendheid, die weet dat mensen zich maar al te graag van ellende afkeren.


De diaken weet het: als de dienst tot activisme wordt, als de mensen vergelen dat zij het Koninkrijk van God niet zelf kunnen bouwen maar er alleen tekenen van mogen oprichten, als de gemeente denkt dat ze met haar dienst de wereld kan veranderen en niet weet dat haar roeping is om in die machteloze wereld hier en daar een verwijzing naar de grote toekomst van God gestalte te geven — dan vervalt zij aan dezelfde machteloosheid die in de wereld heerst. Door al deze dingen te weten en door daaruit te denken, te organiseren en te adviseren is de diaken ook degene die in de gemeente nog het best de heilloze polarisatie tussen het horizontalisme en het verticalisme doorbreken kan. Want het verticalisme of de verticale component staat in zijn opdracht en zonder de horizontale is hij tot frustratie gedoemd.

Misschien denkt U nu dat de zaak geweldig wordt overtrokken. Weet U dan niet hoe het vaak toegaat in de gemeente? Hoe de diaken maar al te vaak wordt gebruikt als de klusjesman of de klusjesvrouw? En weet U dan niet dat we aan deze laatste geestelijke dimensies helemaal niet toekomen? We zijn al blij als het werk een klein beetje loopt en in stand gehouden kan worden.

Natuurlijk weten we dat — maar belangrijker dan die wetenschap is de herinnering aan opmerkingen van de lieer zelf, die ons in zulke stukken als Math. 25 en elders laat zien dat het gewone diakonale gewroet en gemier direct aansluit op de grote heilsgeheimen van God zelf. In het bijbelse leefklimaat is het niet zo dat achter grote akties kleine visie zit, maar dat kleine gebaren uiling zijn van wijdse gezichten.

II

De diaken is natuurlijk een kwetsbare ambtsdrager.

Niet alleen omdat zijn taak zo teer is als van degene die van gemeentewege geroepen is om met mensen in nood om te gaan en ook niet omdat bij hem de enorme vragen van het lijden dichtbij en het lijden ver weg samenkomen, ook niet omdat hij een sleutelpositie inneemt tussen de professionele en de vrijwillige hulp in zijn burgeren kerkelijke gemeente, wat een sleutelvraag in het Nederlandse welzijnsbestand lijkt te zijn; ook niet omdat hij een stuk functieverlies van de kerk in de maatschappij mee moet verwerken — dat zal allemaal wel zo zijn en een rol spelen — maar de kwetsbaarheid van de diaken komt voort uil zijn ambt zelf. We willen het nog wel sterker zeggen: kwetsbaarheid is de eerste voorwaarde van zijn of haar vakbekwaamheid. De diaken onderscheidt zich immers van de andere sociale werkers door het leil dat hij of zij niet alleen de noden van de wereld representeert in de kerk maar ook de kerk helpt om de Heer te representeren in de wereld. En het is dit onderscheid dat hem op suprème wijze kwetsbaar maakt. Dubbel kwetsbaar zelfs.

Het representeren van mensen in nood is een riskante zaak. Wie het ook maar enigszins goed doel kan moeilijk anders dan zich solidariseren met het slachtoffer namens wie hij spreekt.

De diaken vertegenwoordigt daarom in de kerkeraad niet alleen het raadsel van het lijden maar ook de aanklacht van het onrecht. Hij spreekt met de stem van de zwarten in een blanke vergadering, hij gebruikt de argumenten van de arme in het gezicht van de rijke. Hij steit de eenzame present in de gemeenschap en de gediscrimineerde onder hen die deel hebben aan de onderdrukking. Dat is nog maar de buitenkant van de kwetsbaarheid. De binnenkant is nog weer wat anders. Die is het gevolg van de kwetsbaarheid van de Heer zelf, of liever, die de Heer zelf gewild heeft. Daartoe is de kerk — en de diaken mag lner op pregnante wijze de kerk vertegenwoordigen — immers geroepen. Die kan niet anders dan in het midden van de wereld aanwezig zijn als één die dient. Nu mag dat vanzelfsprekend zijn in de gemeente — in de wereld is het dat bepaald niet. Zelfs na 1900 jaar kerkgeschiedenis hebben wij kerkmensen daar nog de grootste moeilijkheden mee. Och. wij zouden zo graag bevelhebbers van de welvaarl zijn, autoriteiten van het goede, die orde op zaken kunnen stellen waar de boel is vastgelopen. Wij maken toch veel liever de dienst uit dan dat wij dienen. En velen van ons zouden maar wat graag weer de beambten zijn van hel grootste welzijnsconcern in Nederland dan slippendragers van een kwel.share koning. Wat zouden wij graag de onderontwikkeling oplossen en het rassisme uitbannen — het leed opheffen en de ziekle doen verdwijnen. Wat zou den wij graag het koninkrijk Gods zelf oprichten in plaats van het aankondigen en wal zouden wij graag de kwetsbaarheid van God en zijn Messias in deze wereld vervangen door de christelijke dictatuur over alle boze en goede machten.

Maar de diaken weet natuurlijk dat dil nu juist de verzoeking van de kerk is

en daarom ook de zijne, Hij heeft n.l. door zijn centrale liturgische plaats aan de tafel weet van God’s merkwaardige strategie in de wereld, waar de wijsheid van de mensen wordt beschaamd door het dwaze van God, waar de authentieke macht in zwakheid wordt volbracht en waar het heerserspatroon van deze wereld is vervangen door de dienst aan elkaar. Daar ligt de wezenlijke kwetsbaarheid van de kerk en dat moet er nog maar eens bij gezegd worden. Daar ligt ook haar eer en haar heerlijkheid.

Wij maken ons dan vaak zorgen over wat men wel de malaise-stemming in de kerk noemt. Die zal er ook wel zijn onder de diakenen. Maar waarom eigenlijk? Omdat het kerkbezoek weer eens wat terugloopt? Omdat de kerk niet meer midden in de samenleving deel heeft aan de uitvoering van de openbare macht? Of: omdat de Here Christus in Nederland zich geen onderdanen meer kiest? De kerken in Nederland zijn nog altijd verreweg de grootste vrijwillige organisatie — we zouden met één tiende van ons aantal leden nog altijd meer dan groot genoeg zijn om een diepe invloed te hebben op de gang van zaken. Ons aantal blijft een secundaire zaak. Van Gideon tot de kleine kerk van de Boheemse Broeders in Tsjechoslowakije hebben we geleerd dat daarin onze eerste zorg niet kan liggen. En om dan nog maar meteen het andere uiterste te nemen: over onze God behoeven we ons toch ook geen zorgen te maken. De wereld. Nederland, de Ned. Herv. Kerk, de diakonie zijn toch niet zonder de tekenen van zijn aanwezigheid gelaten? Er is toch geen sprake van dat God in onze generatie heeft gezwegen of zich heeft verborgen? Het tegendeel is waar. Wij zijn in deze generatie bediend met een super-abundatie van betrouwbare getuigen, die zowel de boodschap van Christus als de tekenen van zijn koninkrijk onder ons hebben opgericht. Natuurlijk, al die getuigen waren slechts mensen en ze hebben hun fouten — op ieder van hen is weer iets af te dingen — ook bij hen wordt en werd God’s kracht in zwakheid volbracht, maar U wordt graag uitgedaagd in de zaal om straks te zeggen dat onze generatie geen duidelijk herkenbare getuigen van de kwetsbaarheid Gods heeft opgeleverd. Natuurlijk is het hen vergaan naar de vreemde wetten van Gods koninkrijk: Zij zijn uitgelachen om hun naïviteit, zij zijn gelasterd om hun solidariteit met de verdrukten; ze zijn aangevallen om hun vijandsliefde; ze zijn verbannen om hun eerlijkheid; ze zijn vermoord om hun getuigenis van het geheel andere, hun paspoorten zijn afgenomen, hun huizen gebombardeerd — maar dat zal ons toch in deze kring niet verbazen? Dat is toch immers de kwetsbaarheid waaraan wij ook onze redding en mede onze bevrijding danken?

Er is een woord van dr. Visser ’t Hooft dat wij hier ons nog graag weer eens laten zeggen: de bedreiging van de kerk komt nooit wezenlijk van buitenaf; ze komt altijd van binnenuit. Niet de aanvallen van de tegenstanders, niet de tijdgeest, niet de machten in de lucht kunnen ons aantasten, alleen ons eigen gebrek aan kennis — en dat wil bijbels zeggen: de omgang met God — en ons eigen gebrek aan geloofsgehoorzaamheid vormen de bedreiging. En dat nog niet eens van de kerk — want als wij falen zal de Here God uit de stenen van de straten zich een kerk maken — maar van onszelf.

Onze sociologische kwetsbaarheid (waarvan wij vanmiddag niet veel willen zeggen) is een uitdaging tot voortdurende herorganisatie; dan zullen we ons moeten herorganiseren, maar onze wezenlijke kwetsbaarheid dat is onze bekwaamheid. Het laatste — onze messiaanse kwetsbaarheid — is daarbij dan ook de sleutel tot onze reorganisatie. Die wezenlijke kwetsbaarheid vraagt om een getrouw en consistent doorwerken aan de mobilisatie van andere kwetsbare mensen om zich te laten inschakelen in de speurtocht naar het welzijn van ons volk. Wij zijn natuurlijk meer dan dank baar dat er in de laatste eeuw zoveel gedaan is om het sociale werk te professionaliseren en te subsidiëren. Maar als vrijwillige krachten moeten wij natuurlijk wél weten dat een welzijnsbestand niet wordt gedragen door brede groepen van ons volk niet-professionele werkers binnen de kortste keren tot een situatie leidt waarin de vervreemding en de ontmenselijking hoogtij kunnen vieren.

Er is al vaak op gewezen dat de samenleving zich wezenlijk heeft verkild omdat zieken en zwakken en de armoede en de dood zijn weggemoffeld uit het centrum van ons bestaan. Hoeveel te meer zal die samenleving verkillen wanneer men alleen nog maar via z’n belastingbiljet verantwoordelijk is voor hulp en bijstand.

Het diakonale ambt van de gemeente, gekwalificeerd door de unieke boodschap waaruit het voortkomt, is gebaseerd niet op vrijstelling van een paar vrouwen en mannen die het wel voor de gemeente zullen opknappen, maar op het altijd weer opnieuw in beweging brengen en houden van een gehele gemeente. Overigens betekent dit wel dat dan ook de sociale expertise die in de gemeente toch in ruime mate aanwezig is, wordt gemobiliseerd. Het gaat er niet om de vrijwilligheid uit te spelen tegen de professionaliteit — het gaat er om dat wij onze gemeenschap de wezenlijke samenhang van deze twee blijven zien en er aan blijven werken.

De omvang en de schaal van dit werk zal afhangen van ons aantal. Of we miljoenen investeren of tientjes, of we een leger op de been brengen of een patrouille, dát ligt aan onze historische mogelijkheden. Maar de qualiteit van het diakonaat — onze bereidheid om kwetsbaar te zijn, om ons op de unieke boodschap en de unieke levensstijl van de Messias te enten, is niet aan het getal gebonden. Onze evangelische bereidheid om in onze kwetsbaarheid te volharden, om het heersen uit te bannen, en steeds opnieuw te bestrijden om het slachtoffer te laten spreken, om ons tot spreekbuis te maken van vergeten en gediscrimineerde groepen, om alle partijen in het conflict te steunen zonder aanziens des persoons of ras of kleur en godsdienst — onze bereidheid om de kleine mede-menselijkheid in te weven in de grote strategie van een gezond volk — onze bereidheid om mensen te mobiliseren, om de kerk aan het denken en aan het werk te zetten, om de gerechtigheid voor ons volk hoog te houden, kortom onze bereidheid de barmhartigheid in het huwelijk te verbinden met de gerechtigheid — die bereidheid is onze eigen verantwoordelijkheid en ons antwoord. Het lijkt ons zonder meer duidelijk dat een beperkt werkpakket — als u wilt: een heel klein werkpakket je vanuit deze veronderstelling en deze bereidheid tot zege van kerk en volk is — terwijl een veel groter pakket — dat slechts zuchtend en angstig en zonder overtuiging wordt gehandhaafd ons alleen maar frusteert en onze wezenlijke bedoelingen toedekt.

III

De diaken bekijkt de wereld

op een andere manier. Hij is geroepen om te speuren naar wat misgaat. Hij is het kind van de profeet en de priester. De diaken ziet de wereld als machteloos. Hij heeft weet van de droom van Daniël waarin één steen voldoende was om het reuzenstandbeeld van macht en pretentie te verbrijzelen. Dat is een diakonale droom. Moedgevend omdat hij zowel herinnert aan Gods eigen belofte als aan de effectiviteit van de kleine middelen.

De diaken ziet de kerk als de gemeenschap van de kwetsbare Heer. Hij herinnert zich het verhaal van David en Goliath. Waar de jonge David de wapenuitrusting van dezelfde snit als die van de grote macht niet aan kon, maar die met een kiezel de kolos te lijf ging. Dat is een diakonaal heldenverhaal.

De diaken ziet de Heer op een bijzondere wijze.

Hij ziet hem vooral als degene, die zijn opperkleed aflegt, een schort voordoet en voeten wast. Dat is een diakonaal visioen. En zo dient hij zelf aan de tafel. Zo voedt hij de gemeente op. Zo licht Hij de kerk voor. En zo is het goed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1973

Diakonia | 48 Pagina's

een kwetsbare kerk in een machteloze wereld

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1973

Diakonia | 48 Pagina's

PDF Bekijken