Bekijk het origineel

verzorgingsflats bouwen zonder beleid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

verzorgingsflats bouwen zonder beleid

8 minuten leestijd

In alle delen van het land zijn zo langzamerhand grote en vaak fraaie flatgebouwen verrezen, veelal getooid met voornaam klinkende opschriften, die de naam van het gebouw aangeven en waaraan voorafgaat de betiteling „verzorgingsflat”.

Wat zijn verzorgingsflats eigenlijk? Wat stelt die „verzorging” voor? Welke kosten zijn eraan verbonden? Welke planning ligt aan het bouwen hiervan ten grondslag?

Ziehier enkele vragen die wij in dit artikel zullen trachten te beantwoorden, maar waarvan al onmiddellijk moet worden gezegd, dat generalisering gevaarlijk is, omdat wat in het algemeen wordt gesteld in een bepaald geval wellicht minder juist of zelfs onjuist zou kunnen zijn. Dit mag ons er echter niet van weerhouden enkele opmerkingen te maken, ook van kritische aard. Het iaatste moet zeker geschieden als wij de „verzorgingsflat” bezien in het licht van de in Nederland getroffen bejaarden voorzieningen.

Verzorgingsflat.

Wat is namelijk het geval? De benaming „verzorgingsflat” is in vele gevallen in hoge mate misleidend. Wie de benamingen „serviceflat” of „hotelflat’ gebruikt komt in de goede richting, want die degraderen terecht de „verzorging” tot „enige dienstverlening”. Daaruit blijkt dat een verzorgingsflat iets anders is dan een verzorgingstehuis, zoals de meer en meer gebruikelijke naam voor bejaardentehuis luidt. Het kenmerk van een verzorgingstehuis of bejaardentehuis is dat daar in een volledige huisvesting en een volledige verzorging wordt geboden. Behalve het verzorgingstehuis kent men ook de bejaardenwoningen. Dit zijn aangepaste kleine woningen, waarin ouderen in principe zelfstandig wonen. In de gevallen dat een complex bejaardenwoningen in de onmiddellijke omgeving van een verzorgingstehuis is gebouwd, wordt dikwijls enige hulp verstrekt van het verzorgingstehuis uit. Wij nemen aan dat deze situatie voldoende bekend is.

Het kenmerk van de verzorgingsflat is nu, dat de volledige huisvesting gepaard gaat met een zeer gedeeltelijke verzorging. Daaraan ontleent de verzorgingsflat dus haar naam. Maar die verzorging beperkt zich tot (veelal) goede centrale voorzieningen als verwarming, liftinstallaties e.d. en de verstrekking van warme maaltijden. Telt men daarbij op de beschikbaarstelling van huishoudelijke hulp voor enkele uren per week en de aanwezigheid van een enigszins technisch onderlegde „handyman”, dan heeft men het begrip „verzorging”, zoals dat hier gehanteerd wordt, vrijwel volledig omschreven. Wij gebruiken daarom in dit artikel verder de naam „serviceflat”.

Tegenover ± 15 serviceflatgebouwen, waarin men een appartement kan huren, bevinden zich in Nederland thans ± 120 koop-serviceflatgebouwen. Gezien het feit dat de huurflats zozeer in de minderheid zijn, bepalen wij ons in dit artikel tot de kooptlats. De prijs van deze appartementen is uiteraard vrij sterk uiteenlopend, ook al omdat vaak keuze bestaat tussen 2-, 3- en 4-kamerflats. De minima kunnen als volgt (voorzichtig) worden aangeduid: voor een 2-kamerflat moet men in verschillende delen van het land rekening houden met een investering van ƒ 100.000,—. Dat neemt niet weg, dat wij in de Randstad en m het Gooi meermalen prijzen zagen genoemd „vanaf” ƒ 130.000,— of zelfs „vanaf” ƒ 150.000,—. Daarenboven heeft men rekening te houden met een maandelijks aandeel in de servicekosten van ƒ 600,— tot ƒ 1.000,— per echtpaar of twee samenwonende personen. De koopflat is dus bepaald geen gemeenschapsvoorziening! Het is een voorziening voor welgestelden tot zéér welgestelden. Maar op grond daarvan kan geen afkeurend oordeel over serviceflats worden uitgesproken. Ook niet op grond van het feit, dat een aannemingsmaatschappij een bepaalde woonvorm bouwt, als daarnaar vraag blijkt te bestaan.

Bezwaren.

Een ernstige afkeuring kan men echter uitspreken als er grote concentraties van oudere mensen in het leven worden geroepen in omgevingen, die voor validen geen enkel maatschappelijk verkeer buiten het gebouw en voor niet-validen en zieken geen enkele mogelijkheid tot echte verzorging in het gebouw hebben. Wanneer men hoort, dat in een afgelegen gebied in Drenthe een flatgebouw voor 300 bewoners is gebouwd, dan kan men zich afvragen waar vandaan de dienstverlening van wijkverpleging, gezinsverzorging, alsmede een toereikende medische hulp moet komen, wanneer daaraan uitgebreide behoefte zou komen te bestaan. Het moge dus als een algemeen bezwaar tegen deze flatgebouwen gelden, dat zij concentraties in het leven roepen waarvan de werkelijkheid op z’n minst valt te twisten en dat zij slechts kunnen dienen voor bewoners, die het geluk hebben met weinig gebreken of ziekte hun ouderdom te beleven.

Men kan de tegenwerping maken, dat wij niet mogen tornen aan de vrijheid van mensen, die de door hen gekozen woonvorm zelf bekostigen en zich bewust zijn zelf te moeten opkomen voor de consequenties van de door hen gekozen woonvorm. Wij willen daartegenover vaststellen dat „het instituut” vaak moet worden gehanteerd bij gebrek aan mogelijkheden tot decentralisatie. Men brengt zieken in een ziekenhuis niet bijeen, omdat een concentratie van zieken zo gunstig is, maar omdat anders de genees- en heelkunde niet adequaat kan worden uitgeoefend. Men brengt bejaarden in een bejaardentehuis niet bijeen, omdat de concentratie van bejaarden zo gunstig is, maar omdat een volledige huisvesting en een volledige verzorging, zelfs vaak lichte verpleging, buiten het instituut niet goed mogelijk is.

In het geval van de serviceflats wordt echter de concentratie bevorderd, zonder dat de noodzaken die tot „het instituut” leiden, aanwezig zijn. Anders gezegd: als deze noodzaken ontstaan moet het instituut verstek laten gaan. Dit is één kant van de zaak.

Een tweede kant is dat het oprichten van servicetlatgebouwen — als object van de commercie in de vrije bouwsector — niet kan worden begeleid door een landelijke of provinciale planning, waardoor de medische en para-medische hulpverlening, alsmede de instellingen voor maatschappelijke dienstverlening, waaronder de organen van het open bejaardenwerk, in bepaalde regio’s op ieder ogenblik volkomen overbelast kunnen geraken door de hulp die van deze vrijwillige concentraties uit wordt ingeroepen. In feite worden deze diensten, ook in kieine plaatsen, zelfs dorpen, opgescheept met grote aantallen potentiële cliënten of patienten, terwijl de omvang van die gemeenschapsvoorzieningen daarop ten enen male niet is ingeste en dus èn voor de bewoners van de serviceflats èn voor de andere zelfstandig wonende bejaarden in die regio ineens volkomen ontoereikend wordt.

Een enkel voordeel.

Natuurlijk kan men bij objectieve beoordeling ook wel enige pluspunten van deze vrijwillige concentratie opnoemen. Volledigheidshalve dienen zij ook hier vermeld te worden:

1. Serviceflats zijn geen uitgesproken bejaardenflats. De bewoners zijn niet aan een minimum leeftijd gebonden. De gemiddelde leeftijd in een serviceflat is dus aanmerkelijk lager dan in een bejaardentehuis. Daardoor kàn de onderlinge dienst- en hulpverlening relatief groot zijn.

2. Voor een echtpaar waarvan b.v. de vrouw invalide is zonder verzorging van betekenis nodig te hebben, terwijl de man valide is, kàn een serviceflat zelfs een uitkomst betekenen.

3. De coöperatieve exploitatievorm geeft de valide bewoners de mogelijkheid door zelfwerkzaamheid kosten uit te sparen. Te denken valt hierbij aan werkzaamheden in de tuin, in de dieetkeuken en anderszins.

Er blijven echter — zowel bij de huur- als bij de koopflat — vrijwel steeds twee voorwaarden: men moet financieel geen krimp hebben en de verzorgingsbehoevendheid individueel of als echtpaar buiten de deur weten te houden. Anders komt men — ook met alle financiële mogelijkheden — te kort.

Resumé.

Om deze beschouwing af te sluiten: serviceflats kunnen in bepaalde gevallen en in bepaalde omstandigheden — waarbij vooral de financiële omstandigheden zéér gunstig moeten zijn — in een behoefte voorzien. Het is nu eenmaal gelukkig zo, dat niet alle ouderen op bejaardentehuizen, verpleeginrichtingen en andere instellingen voor verzorging en verpleging zijn aangewezen.

Het op één na grootste bezwaar tegen de serviceflat is dat zij tegen waarlijk niet geringe kosten slechts huisvesting met enkele algemene verzorgingsaspecten kan bieden, terwijl belangrijke uitbreiding van de verzorging, behalve onderwerping aan de Wet op de Bejaardenoorden, een ongelofelijke vergroting van de reeds niet onbelangrijke kosten zou betekenen.

Het grootste bezwaar is echter het ongebreideld bouwen in die streken die de commercie gunstig acht voor de verkoop, waarbij men zich niet afvraagt of de plaatselijke of regionale medische en maatschappelijke diensten in staat zijn, de nodige hulp te bieden, indien daarop een beroep wordt gedaan. De servicellat plaatst zich buiten de keten van gemeenschapsvoorzieningen voor ouderen, maar behoudt zich wel de vrijheid voor daarop, wanneer de nood dringt, een massaal beroep te doen.

Niemand zal behoefte hebben, zich tegen een woonvorm te keren, als die door vrije, zelfstandige en financieel onafhankelijke mensen wordt gewenst. Wij hebben er wèl behoefte aan, ons te keren tegen de in principe onmogelijke situatie, dat de woonvorm van de serviceflat zonder enige planning, zonder enig beleid of overleg kan worden gebouwd, terwijl daardoor op tal van gemeenschapsvoorzieningen in het kader van gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening een schadelijke invloed kan worden uitgeoefend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1973

Diakonia | 48 Pagina's

verzorgingsflats bouwen zonder beleid

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1973

Diakonia | 48 Pagina's

PDF Bekijken