Bekijk het origineel

de diakonale geldzaken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

de diakonale geldzaken

6 minuten leestijd

In dit artikel zal ik niet proberen ingewikkelde theorieën op te bouwen over geldzorgen, welke in de diakonale wereld aanwezig zijn, ook zal ik mij niet inspannen mogelijkheden aan te geven om verandering daarin aan te dragen, maar wel wil ik trachten de zaken eens op een rijtje te zetten, opdat vooral de nieuwe diakenen enig zicht krijgen op zaken die veelal nooit nadrukkelijk aan de orde komen,

Hoe komt de diakonie aan geld?

In het meiendeel van onze gemeenten doet de diakonie geen beroep op de gemeenteleden via het instituut van de hoofdelijke omslag of de vrijwillige bijdrage. De inkomsten komen tot haar uit collecten in de Eredienst, uil giften van gemeenteleden en uil opbrengst van eventueel bezit. De kerkorde spreekt over de collecte in de Eredienst in ordinantie 15 artikel 3 onder punt 6.

„De praeses van de kerkeraad, de voorzitter van het college van kerkvoogden en de voorzitter van het college van diakenen doen aan de kerkcraad de nodige voorstellen inzake de vaststelling van een eollecte-roosler voor de kerkdiensten in het eerstkomende kalenderjaar.

Dit is een bijzonder belangrijk artikel. Het handelt niet over de z.g. extra of bijzondere collecten, maar over alle collecten in de Eredienst.

Om nu tot voorstellen aan de kerkeraad te kunnen komen, moeten de zaken op tafel. Anders gezegd de begrotingen voor het komende jaar en de rekening van het afgelopen jaar van diakonie en kerkvoogdij moeten worden doorgelicht. Prioriteiten moeten worden gesteld. De verwachte inkomsten van beide zullen bekend moeten zijn. Zijn de drie in het artikel genoemde voorzitters het eens dan kan een zinvol advies worden voorgelegd. Het is dan mogelijk vast te stellen of en in welke mate de kerkvoogdij nog collecten kan claimen gezien de benodigde middelen, die de diakonie behoeft voor haar planning. Een duidelijke voorlichting is dan mogelijk aan de gemeenteleden omtrent de rails waarover de trein van de kerk verder zal gaan.

Extra collecten

Nu is het een goede zaak, wanneer men als een goed huisvader waakt over de belangen van eigen huishouding. Het is echter ook een goede zaak en misschien moeten we wel zeggen bijzondere zorg de gemeente te doen zien dat er naast de eigen huishouding ook een opdracht is het werk, dat gebeuren moet buiten de gemeente, nauwlettend te volgen en er voor te offeren. Daarom geeft de Generale Financiële Raad jaarlijks een collecte-rooster uil waarin zowel de extra kerkvoogdelijke als diakonale collecten zijn opgenomen voor breder werk. Voor de diakonale sector wordt in dit rooster vijfmaal een beroep op de gemeente gedaan.

3 februari 1974 WERELDDIAKONAAT.

5 mei 1974 ALGEMENE DIΑΚΟΝALE DOELEINDEN (de opbrengst hiervan is bedoeld voor diakonaal werk binnen Nederland en mag gezien worden als een uitwerking van hetgeen is gesteld in ord. 15 art. 25. Daar wordt gesteld dat de bredere diakonale organen o.m. tot taak hebben: Het bevorderen van de samenwerking en de diakonale hulpverlening tussen de gemeenten onderling).

16 juni 1974 KINDERBESCHERMING (zowel de justitiële kinderbescherming als de jeugdbescherming in het algemeen worden hieruit geholpen).

8 september 1974 MEDISCH-SOCIAAL WERK (de gelden die hiervoor beschikbaar komen worden in samenwerking met de Gereformeerde zendingsbond en de raad voor de zending ingezet).

20 oktober 1974 WERELDDIAKONAAT (dit is een tweede collecte, welke in 1974 voor de eerste maal gehouden zal worden).

Quota

Teneinde in een grote organisatie als de Nederlandse Hervormde Kerk de zaken met regelmaat en orde te doen verlopen zijn bredere organen nodig. Deze treft men dan ook aan in het diakonale veld. De kerkorde noemt deze met name. Het zijn de provinciale diakonalc commissies en de generale diakonale raad. Om deze organen de mogelijkheden te geven hun werk te doen, wordt een beroep gedaan op de diakonieën daarvoor bijdragen te verstrekken. Deze bijdragen noemen we quota. Het is een verplichte bijdrage, die als volgt in de diakonale sleer berekend wordt.

Men begint de grondslag voor de helling van het quotum vast te stellen. Deze vindt plaats op basis van een basisbedrag dat gevormd wordt door:

1. 50% van de bruto-opbrengst van huren en pachten en verdere opbrengsten van landerijen en gebouwde eigendommen;

2. de opbrengst van rente van kapitaal en kasgeld;

3. de opbrengst van giften en collecten;

4. de opbrengst uit overige bronnen van welke aard ook, met uitzondering van het batig saldo van het voorafgaande jaar, van gerestitueerde steungelden, van overheidssubsidies en van eventuele bijdragen, toelagen of subsidies uit andere kassen en fondsen, waar deze gelden reeds meeberekend werden voor de vaststelling van de grondslag van het quotum, door deze kassen en fondsen aan de kas voor de administratiekosten te voldoen;

5. P som van de hierboven sub 1 t/m 4 genoemde opbrengsten wordt in minde ring gebracht de betaalde rente voor opgenomen leningen, voorzover deze geen betrekking heeft op leningen opgenomen ten behceve van voor rekening van de diakonie geëxploiteerde diakonale instellingen, of diakonale instellingen, welke in de vorm van een stichting worden geëxploiteerd.

Van het op deze wijze gevonden bedrag wordt dan een percentage genomen. De uitkcmst daarvan is dan de grondslag. Het hiervoor bedoelde percentage is 4.486%. De grondslag kan een maximum niet te boven gaan. In 1974 is dit maximum ƒ 3.375,—. De gevonden grondslag wordt tenslotte vermenigvuldigd met de zogenaamde heffingsfactor. Voor 1974 is deze 2,28. Het resultaat dat dan gevonden wordt is hel quotum dat de diakonie in 1971 mag bijdragen voor het bredere werk van de kerk.

Wat gebeurt er met de quota-opbrengst?

We hebben hiervoor al opgemerkt dat het quotum bestemd is voor hel mogelijk maken van het provinciale en landelijke werk. Men zou nu kunnen denken dat evenals zulks het geval is op plaatselijk niveau de diakonale gelden ingezet worden voor diakonale doeleinden. Dit is echter niet het geval. Ongeveer een derde deel van de opbrengst van hel diakonale quotum komt het bredere diakonale werk ten goede. Het werk van provinciale diakonale commissies en generale diakonale raad. Circa tweederde wordt ingezet voor het werk van andere centrale organen op provinciaal en landelijk niveau. Als voorbeeld noemen we de provinciale kerkvergaderingen, de classicale vergaderingen, de generale synode, generale financiële raad, toezicht- organen enz, enz. Dit is een volkomen juiste gedragslijn. De hiervoor genoemde niet diakonale organen immers doen ook hun arbeid ten behoeve van het diakonaat. In die blodere, niet diakonale, organen hebben ook diakenen zitting, juist omdat het diakonaat daar aanwezig behoort te zijn.

Tenslotte

We hebben gezien dat er bij de diakonie geld nodig is. We hebben vastgesteld dat het geld er op een speciale wijze komt. Mag het nu ook zomaar uitgegeven worden mm doeleinden welke men maar wil? Bij het stellen van deze vraag komen we terecht bij het toezicht, bij de provinciale colleges van toezicht met hun speciale diakonale kamer en bij het generaal college van toezicht. Daarover willen we een volgende maal iets vertellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1974

Diakonia | 56 Pagina's

de diakonale geldzaken

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1974

Diakonia | 56 Pagina's

PDF Bekijken